Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7047

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200607946/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem (hierna: de Raad) een aan appellante verleende voorwaardelijke toevoeging ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607946/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/5257 van de rechtbank Arnhem van 21 september 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft de Raad voor Rechtsbijstand Arnhem (hierna: de Raad) een aan appellante verleende voorwaardelijke toevoeging ingetrokken.

Bij besluit van 8 november 2005 heeft de Raad het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door appelante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 februari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2007, waar appellante, in persoon, en de Raad, vertegenwoordigd door mr. I.E.J. Weideveld-Buitenhuis, werkzaam bij de Raad, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 34, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand, zoals die bepaling ten tijde van belang luidde en voor zover thans van belang, wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende, indien deze alleenstaande is, over een eigen vermogen van ten minste € 7300 beschikt.

   Ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (hierna: Bdr), zoals die bepaling ten tijde van belang luidde,  worden voor de vaststelling van het vermogen als bezittingen in aanmerking genomen: giro-, bank- en spaartegoeden, kasgelden en cheques, effecten, onroerende zaken, ondernemingsvermogen, hypothecaire en andere vorderingen, het aandeel in onverdeelde boedels, alsmede overige bezittingen, ter beoordeling van de raad, voor zover zij een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen.

   Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, zoals die bepaling ten tijde van belang luidde, wordt voor de vaststelling van het vermogen de waarde van vermogensbestanddelen die niet dan onder voor de rechtzoekende onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden te gelde kunnen worden gemaakt niet in aanmerking genomen.

2.2.    Niet in geschil is dat de voormalige echtgenoot van appellante aan haar € 22 266,13 verschuldigd is en dat de desbetreffende voor tenuitvoerlegging vatbare beschikking van de rechtbank Zwolle sinds 1 mei 2005 kracht van gewijsde heeft.

2.3.    Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte door haar niet aannemelijk gemaakt heeft geacht dat zij niet over de financiële middelen kan beschikken om een deurwaarder in te schakelen, teneinde de beschikking ten uitvoer te leggen, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de omvang van de vordering rechtvaardigt dat appellante in de tenuitvoerlegging van de beschikking investeert, bijvoorbeeld door ten behoeve daarvan een lening af te sluiten. Bovendien blijkt dat appellante eind 2005 een deurwaarder bereid heeft gevonden om de beschikking ten uitvoer te leggen.

2.4.    Het betoog van appellante dat, zakelijk weergegeven, de rechtbank heeft miskend dat de vermogenspositie van haar voormalig echtgenoot zo slecht is, dat zij de vordering op hem feitelijk niet kan innen, kan evenmin slagen, omdat zij dat bij de rechtbank niet heeft gesteld en niet valt in te zien dat dit voor haar niet mogelijk was, nu de voormalig echtgenoot zijn voorstel tot betaling in januari 2006 heeft gedaan.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb                                  w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer                   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

164-554.