Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7045

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200700092/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft de gemeenteraad van Spijkenisse, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 mei 2006, het bestemmingsplan "P+R Heemraadlaan" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700092/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging "De Bewonersvereniging Omgeving Heemraadlaan" en anderen, te Spijkenisse,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft de gemeenteraad van Spijkenisse, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 mei 2006, het bestemmingsplan "P+R Heemraadlaan" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 november 2006, kenmerk DRM/ARW/06/5502A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 januari 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 maart 2007 heeft verweerder meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet een verweerschrift in te dienen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad en appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door S.G. Bootsma en ing. G.W. de Vries, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.T.F. Vermeulen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Spijkenisse, als partij, vertegenwoordigd door mr. H.D.H.M. Kwik en J.H. Kruijt, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formele aspecten

2.3.    Appellanten stellen in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat het besluitvormingsproces onzorgvuldig is geweest. Zo heeft de beantwoording van de zienswijzen en de vaststelling van het bestemmingsplan 20 maanden geduurd.

   Ingevolge artikel 25 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening beslist de gemeenteraad binnen vier maanden na afloop van de termijn die is gesteld voor het naar voren brengen van zienswijzen. Weliswaar is deze termijn overschreden, doch uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de gemeenteraad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Ook anderszins is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in de termijnoverschrijding aanleiding had moeten zien voor het oordeel dat het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de beantwoording van de zienswijzen lang heeft geduurd, omdat deze aanleiding gaven voor nader onderzoek naar onder meer de financiële uitvoerbaarheid, bodemverontreiniging, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

2.3.1.    Appellanten stellen in beroep voorts dat de raadscommissie voor de vergadering slechts de beschikking had over onjuiste, verouderde, stukken. Ter zitting is door de gemeenteraad erkend dat de raadscommissie in de desbetreffende vergadering ten onrechte beschikte over het ter visie gelegde plan en niet over het vast te stellen plan. Gebleken is echter dat de leden van de raadscommissie hiervan in die vergadering op de hoogte zijn gesteld. De verschillen tussen het tervisie gelegen ontwerpplan en het vast te stellen plan zijn hen vervolgens ter hand gesteld en zijn hun toegelicht. Onweersproken is voorts dat de juiste versie van het plan ten behoeve van de vaststelling van het plan in de raadsvergadering van 10 mei 2006 aan de gemeenteraadsleden is toegestuurd. De gemeenteraad beschikte derhalve bij de vaststelling van het plan over de juiste stukken en heeft zijn besluit daarop kunnen baseren.

2.3.2.    Gelet op het vorenstaande en hetgeen appellanten overigens over de voorbereiding van het plan hebben aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder goedkeuring aan het plan had moeten onthouden omdat het besluitvormingsproces onzorgvuldig is geweest.

Het plan

2.4.    Het plan voorziet in een P+R-voorziening met maximaal 170 parkeerplaatsen op maaiveldniveau bij metrostation Heemraadlaan.

   Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd.

De noodzaak voor de P+R-voorziening

2.5.    Appellanten stellen in beroep voorts dat de noodzaak van een P+R-voorziening bij metrostation Heemraadlaan niet is aangetoond en ook niet bestaat. Verweerder baseert zich slechts op niet inzichtelijke modelberekeningen en enquêtes en op verouderde beleidsdocumenten, aldus appellanten. Thans bestaat volgens hen geen gebrek aan parkeerplaatsen bij metrostation Heemraadlaan. Voorts worden de bestaande parkeerplaatsen volgens appellanten vooral gebruikt door inwoners van Spijkenisse.

Het standpunt van verweerder

2.6.    Volgens verweerder is het mobiliteitsbeleid gericht op het zoveel mogelijk verminderen van de druk op het wegennet en past een P+R-voorziening goed in het concept ketenmobiliteit. Uit modelberekeningen en enquêtes is gebleken dat in 2010 behoefte bestaat aan in totaal 610 parkeerplaatsen, aldus verweerder. Het beleid en de onderzoeken naar de behoefte acht hij nog voldoende actueel.

Vaststelling van de feiten

2.7.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    In de provinciale nota "Mobiliteit met beleid" is onder meer vermeld dat bijzondere aandacht zal worden geschonken aan alternatieven van voldoende kwaliteit en aan goede aansluitingen van verschillende reisvormen op elkaar (ketenmobiliteit).

2.7.2.    In de op 30 januari 2002 door de regioraad van de Stadsregio Rotterdam vastgestelde nota "Parkeer en Reisvoorzieningen" is een indicatief meerjarenprogramma voor de realisatie van P+R-voorzieningen uitgewerkt. Voor de regio wordt voorzien in een uitbreiding van de P+R-capaciteit tot 2015 van 4.500 plaatsen nu naar 23.000 parkeerplaatsen in 2015.

   Op 17 december 2003 is door de regioraad van de Stadsregio Rotterdam het Regionaal Verkeers- en Vervoersplan vastgesteld. In het daarbij behorende Uitvoeringsprogramma is vermeld dat een grote rol is weggelegd voor ketenvervoer en dus voor het creëren van fors meer P+R-plaatsen.

2.7.3.    De door Spijkenisse gehanteerde behoefte is volgens de gemeenteraad afgestemd op het stadsregionale beleid. De in de toekomst verwachte benodigde aantallen P+R-parkeerplaatsen in Spijkenisse zijn bepaald op basis van een verdeling van de benodigde P+R-parkeerplaatsen over knooppunten, bovenlokale en lokale P+R-voorzieningen en enquêtes over het openbaar vervoergebruik. De behoefte aan P+R-parkeerplaatsen bij de metrostations in Spijkenisse in 2020 is daarmee berekend op ongeveer 600 extra parkeerplaatsen. De P+R-voorzieningen in Spijkenisse zijn primair bestemd voor gebruikers uit Voorne Putten en in mindere mate de Hoekse Waard.

2.7.4.    Door de Stadsregio zijn in 2004 en de voorgaande jaren parkeertellingen gehouden om de bezettingsgraden van de bestaande P+R-voorzieningen te bepalen. De bezettingsgraad bij metrostation Spijkenisse-Centrum en metrostation Heemraadlaan bedroeg in oktober 2004 meer dan 100%.

2.7.5.    Door appellanten is in de week van 16 tot 22 juni 2006 dagelijks om tien uur 's ochtends onderzocht wat de bezettingsgraad is van de P+R-voorziening bij metrostation De Akkers. Deze bedroeg in die week minimaal 77% en maximaal 94%.

   Door appellanten is voorts op 16 en 23 april 2007 onderzocht wie gebruik maken van de bestaande P+R-voorzieningen bij metrostation Heemraadlaan en bij metrostation Spijkenisse-Centrum. Hun conclusie is dat op die dagen bij metrostation Heemraadlaan 49,3% van de gebruikers uit Spijkenisse komt en 43,2% van elders. Bij metrostation Spijkenisse-Centrum is dit 76,1% respectievelijk 23,9%.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Niet in geding is dat goede P+R-voorzieningen in hun algemeenheid noodzakelijk zijn en dat het provinciale en regionale beleid dat inzet op het stimuleren van ketenmobiliteit en daarmee op onder meer P+R-voorzieningen redelijk is. Verweerder heeft er daarbij in redelijkheid van kunnen uitgaan dat een goede spreiding van P+R-voorzieningen essentieel is en dat in Spijkenisse een P+R-voorziening van voldoende omvang noodzakelijk is.

2.8.1.    Bij het bepalen van de behoefte aan P+R-parkeerplaatsen in Spijkenisse heeft verweerder voorts met de gemeenteraad in redelijkheid kunnen aansluiten bij het verkeers- en vervoersbeleid van de Stadsregio Rotterdam. Dit beleid dateert uit 2002 en 2003. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de cijfers die in dat beleid zijn genoemd zijn verouderd, zodat verweerder en gemeenteraad daarvan in redelijkheid hebben kunnen uitgaan. Bovendien is in 2002 de nieuwe Beneluxlijn tussen Rotterdam en Spijkenisse geopend, waardoor de intensiteit op het huidige metronet is toegenomen en daarmee de behoefte aan P+R-voorzieningen.

   Voorts heeft verweerder, mede gelet op de tellingen van oktober 2004, er van kunnen uitgaan dat de bezettingsgraad van de bestaande parkeervoorzieningen thans regelmatig meer is dan 100%. Verweerder heeft zich daarbij in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de tellingen van appellanten in de week van 16-22 juni 2006 niet aantonen dat er geen behoefte is aan extra P+R-plaatsen bij metrostation Heemraadlaan. Deze tellingen hebben immers alleen plaatsgevonden bij de P+R-voorziening bij metrostation De Akkers. Hieruit kan niet worden afgeleid dat in Spijkenisse in het algemeen en bij metrostation Heemraadlaan in het bijzonder, welke locatie de belangrijkste P+R-voorziening van heel Spijkenisse moet worden, geen behoefte bestaat aan extra P+R-parkeerplaatsen. Bedoelde tellingen hebben bovendien maar betrekking op een beperkte periode en laten zien dat op drie dagen in die week minder dan 10% van de plaatsen beschikbaar was.

   De onderzoeken van appellanten bij de P+R-voorzieningen bij metrostation Heemraadlaan en Spijkenisse-Centrum tonen voorts niet aan dat er onvoldoende behoefte bestaat aan extra P+R-voorzieningen voor gebruikers uit Voorne Putten en de Hoekse Waard. Nog afgezien van de vraag in hoeverre deze onderzoeken representatief kunnen worden geacht, zijn cijfers over de herkomst van bestaande gebruikers niet voldoende om conclusies te trekken over de toekomstige gebruikers. In de toekomst zal immers de P+R-voorziening bij metrostation De Akkers worden verplaatst, zodat een andere situatie ontstaat. Weliswaar hebben appellanten ook nog gewezen op de slechte ontsluiting van Spijkenisse voor gebruikers die komen van elders, maar uit de onderzoeken van appellanten kan worden afgeleid dat deze slechte ontsluiting er niet aan in de weg staat dat een substantieel aantal van de bestaande gebruikers ook in de bestaande situatie al afkomstig is van buiten Spijkenisse. Op de onderzochte dagen was het aantal gebruikers van elders immers niet verwaarloosbaar. Bij de P+R-voorziening bij metrostation Heemraadlaan bedroeg dit aantal bijna de helft van het totaal aantal gebruikers. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat de P+R-voorzieningen in Spijkenisse slechts voorzien in een behoefte van inwoners van Spijkenisse zelf.

   Voorts hebben appellanten niet weersproken dat zich een forse toename van klachten over parkeeroverlast in woonwijken voordoet als gevolg van parkerende metroreizigers. Ook hieruit heeft verweerder in redelijkheid kunnen afleiden dat er behoefte bestaat aan meer P+R-parkeerplaatsen.

2.8.2.    Uit het vorenstaande volgt dat verweerder er in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat in 2020 behoefte bestaat aan ongeveer 600 P+R-parkeerplaatsen in Spijkenisse.

De keuze voor metrostation Heemraadlaan

2.9.    Appellanten stellen in beroep voorts dat niet is onderzocht of de P+R-voorziening beter bij een van de andere metrostations in Spijkenisse kan worden gerealiseerd. De voordelen die gelden voor de onderhavige locatie gelden volgens hen eveneens voor metrostation Spijkenisse-Centrum.

Het standpunt van verweerder

2.10.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat metrostation Heemraadlaan als enige van de drie metrostations in Spijkenisse is gelegen aan de verkeersring. Voorts is het metrostation Heemraadlaan volgens hem het meest geschikt, omdat hier fysiek genoeg ruimte is om de voorziening goed in te passen en er geen concurrentie is in de vraag naar parkeerplaatsen door andere voorzieningen.

Vaststelling van de feiten

2.11.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.11.1.    Aan de gronden ten noorden van het metrostation Heemraadlaan en ten oosten van de Hekelingseweg zijn in het plan de bestemmingen "Parkeerdoeleinden", "Metro" en "Groenvoorzieningen" toegekend.

   Ingevolge artikel 4, derde lid, en artikel 5, derde lid, onder a, van de planvoorschriften, mogen op de als "Parkeerdoeleinden" en "Metro" bestemde gronden maximaal 170 parkeerplaatsen aangelegd worden.

2.11.2.    In de Projectennota Verkeer en Vervoer 1996, vastgesteld door de gemeenteraad op 28 februari 1996, is voorgesteld een studie te starten naar de wijze waarop het beste vorm kan worden gegeven aan een P+R-voorziening bij een of meer van de drie metrostations in Spijkenisse.

   Op 18 december 1996 is de beleidsnotitie "P+R in Spijkenisse, een notitie over park and ride" door de gemeenteraad vastgesteld. In deze notitie worden eisen gesteld waaraan een goede P+R-locatie moet voldoen. Deze eisen betreffen onder meer de reistijd ten opzichte van een hele autoverplaatsing, de bereikbaarheid, de loopafstand tot het metrostation en zekerheid omtrent de beschikbaarheid van een parkeerplaats. In de beleidsnotitie wordt geconcludeerd de P+R-voorziening te concentreren bij metrostation Heemraadlaan, omdat dit metrostation als enige direct aan de verkeersring is gelegen en er geen andere functies in de omgeving zijn die een grote druk op de P+R-voorziening geven, zoals centrumvoorzieningen of kantoren bij de metrostations Spijkenisse-Centrum en De Akkers.

Het oordeel van de Afdeling

2.12.    Anders dan appellanten stellen, is in 1996 door de gemeenteraad niet zonder meer gekozen voor een P+R-voorziening bij metrostation Heemraadlaan, maar is onderzocht welke van de drie metrostations in Spijkenisse het meest geschikt is voor een P+R-voorziening. De eisen die zijn gesteld in de beleidsnotitie "P+R in Spijkenisse, een notitie over park and ride" acht de Afdeling niet onredelijk. Door appellanten is niet gemotiveerd waarom deze eisen thans niet meer actueel zouden zijn. Verweerder heeft zich voorts met de gemeenteraad in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat metrostation Heemraadlaan het beste aan deze eisen voldoet. De Afdeling acht in dit verband voorts van belang dat ter zitting door appellanten is gesteld dat uitbreiding van de P+R-voorzieningen bij metrostations De Akkers en Spijkenisse-Centrum, gelet op de ligging van die metrostations, niet reëel is.

2.12.1.    Voor zover appellanten ter zitting hebben gewezen op een mogelijke alternatieve locatie op het terrein van Openbare Werken, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op het vorenstaande en hetgeen hierna nog wordt overwogen, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

Luchtkwaliteit

2.13.    Appellanten stellen in beroep voorts dat niet wordt voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit 2005.

Het standpunt van verweerder

2.14.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de nieuwste berekeningen blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan.

Vaststelling van de feiten

2.15.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.1.    Als bijlage bij het bestreden besluit zijn gevoegd de "Berekeningen luchtkwaliteit CAR II, versie 5.0." Deze berekeningen betreffen de luchtkwaliteit in 2005, 2010 en 2015 in de autonome ontwikkeling en na realisering van het plan. Daarbij zijn berekeningen uitgevoerd waarbij is uitgegaan van zowel het snelheidstype "doorstromend stadsverkeer" als "stagnerend stadsverkeer". Ook zijn extra berekeningen uitgevoerd zonder de correctie voor roetfilters en met extra verkeer. De conclusie is dat in alle situaties aan alle grenswaarden voor NO2 en PM10 uit het Besluit luchtkwaliteit 2005 wordt voldaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.16.    Appellanten hebben niet inhoudelijk gereageerd op de "Berekeningen luchtkwaliteit CAR II, versie 5.0." Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder daarvan niet heeft mogen uitgaan. Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd dat aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 wordt voldaan.

Geluid

2.17.    Appellanten stellen in beroep voorts dat in strijd met artikel 5 van het Besluit geluidhinder spoorwegen geen akoestisch onderzoek is verricht.

Het standpunt van verweerder

2.18.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen akoestisch onderzoek behoefde te worden verricht, omdat het Besluit geluidhinder spoorwegen niet van toepassing is.

Vaststelling van de feiten

2.19.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.19.1.    Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het thans vervallen Besluit geluidhinder spoorwegen (hierna: Bgs) van kracht.

2.19.2.    Artikel 3, eerste lid, van het Bgs, luidde:

"Langs iedere spoorweg bevindt zich een zone, waarvan de breedte, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf, is aangegeven op de bij dit besluit behorende kaart."

   Volgens deze kaart bevindt zich langs de Beneluxlijn een zone van 100 meter.

2.19.3.    Artikel 4 van het Bgs luidde, voor zover van belang:

"1. Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 3, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg waarlangs de zone ligt, van de uitwendige scheidingsconstructie van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone, de waarden in acht genomen die ingevolge de artikelen 7 en 11, eerste, tweede, vijfde en zesde lid als ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt.

2. [...]

3. [...]

4. Tenzij bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid wordt voorzien in de wijziging van een spoorweg, gelden het eerste, tweede en derde lid niet, indien op het tijdstip van die vaststelling of herziening de spoorweg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan opgenomen bebouwing en andere geluidsgevoelige objecten die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn."

2.19.4.    Artikel 5 van het Bgs luidde:

"Bij het voorbereiden van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 4 wordt vanwege burgemeester en wethouders een akoestisch onderzoek ingesteld naar:

a. de geluidsbelasting die door woningen, door andere geluidsgevoelige gebouwen of geluidsgevoelige terreinen binnen de zone vanwege de spoorweg zou worden ondervonden, zonder de invloed van maatregelen die de geluidsoverdracht beperken;

b. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende maatregelen om te voorkomen dat de in de toekomst vanwege de spoorweg optredende geluidsbelasting van de onder a bedoelde objecten de waarden die ingevolge de artikelen 7 tot en met 11 als ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt, te boven zou gaan."

Het oordeel van de Afdeling

2.20.    Met artikel 5 van het Bgs werd beoogd inzicht te krijgen in de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten in de zone rond de spoorweg, teneinde te kunnen bepalen welke maatregelen moeten worden genomen om te kunnen voldoen aan de ten hoogste toelaatbare waarden als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 11.

   Ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Bgs, behoefden bij de vaststelling van dit bestemmingsplan de ten hoogste toelaatbare waarden als bedoeld in de artikelen 7 en 11, eerste, tweede, vijfde en zesde lid echter niet in acht te worden genomen. De spoorweg was immers al aanwezig en het bestemmingsplan voorziet niet in wijziging daarvan. Ook voorziet het plan niet in nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bebouwing. Hieruit volgt dat ook geen maatregelen behoefden te worden genomen om te kunnen voldoen aan de waarden als bedoeld in de artikelen 7 tot en met 11. Uit het stelsel van het Bgs volgt dat een akoestisch onderzoek als bedoeld in artikel 5 van het Bgs in dit geval dan ook niet was vereist.

Financiële uitvoerbaarheid

2.21.    Appellanten stellen in beroep voorts dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. De kostenbesparing ten opzichte van een eerder plan voor een P+R-voorziening is volgens hen niet reëel.

Het standpunt van verweerder

2.22.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de financieel-economische uitvoerbaarheid voldoende is aangetoond.

Vaststelling van de feiten

2.23.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.23.1.    In de gemeenteraad is op 26 september 2001 besloten om een P+R-voorziening uit te werken waarbij in een eerste fase maximaal 250 parkeerplaatsen verdiept zouden worden aangelegd en in een tweede fase uitbreiding tot maximaal 500 parkeerplaatsen zou worden onderzocht. Omdat bij een eerste globale raming bleek dat er voor een dergelijke voorziening zeer forse investeringen nodig zouden zijn, is de bestuursopdracht bij besluit van 11 juni 2002 op een aantal punten herzien. Dit heeft geleid tot onderhavig bestemmingsplan.

2.23.2.    In de plantoelichting is een raming opgenomen van de kosten voor de aanleg van het terrein met bijbehorende voorzieningen en de aanleg van een tweede toegang naar het perron, waarbij is aangegeven uit welke middelen dit bedrag wordt gedekt. Deze middelen betreffen het Investeringsschema (begroting 2006), subsidie van de Stadsregio en het Fonds Groot Onderhoud Stad, alsmede vrijvallende middelen ten gevolge van het opheffen van de post "onderhoud liften metrostations". De kosten van het bestemmingsplan zijn lager dan de kosten van het oorspronkelijke plan.

Het oordeel van de Afdeling

2.24.    Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van het bestemmingsplan te laag zijn ingeschat. Voorts blijkt uit de plantoelichting dat inmiddels financiële dekking voor het plan is gevonden. Ter zitting is in dit verband gebleken dat de subsidie van de Stadsregio is opgenomen in de stadsregionale Meerjarenraming en dat de gelden die zijn opgenomen in het Investeringsschema 2006 nog steeds beschikbaar zijn. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat de gereserveerde middelen niet voor de verwezenlijking van het plan kunnen, dan wel mogen worden gebruikt. Ook overigens is niet gebleken dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is gewaarborgd.

Fasering

2.25.    Appellanten stellen in beroep voorts dat de aanleg van de P+R-voorziening ten onrechte is gefaseerd. Volgens hen moet in dit bestemmingsplan al duidelijk worden waar de 350 parkeerplaatsen van de tweede fase kunnen worden aangelegd.

Het standpunt van verweerder

2.26.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitvoering van een mogelijke tweede fase nog niet zeker is en dat alle relevante aspecten en belangen bij de besluitvorming over de mogelijke tweede fase zullen moeten worden meegewogen.

Vaststelling van de feiten

2.27.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.27.1.    Volgens de plantoelichting is de opgave om in 2010 een P+R-voorziening te realiseren van 430 parkeerplaatsen. Uitgaande van handhaving van het huidige P+R-terrein ten zuiden van het metrostation betekent dit dat er uiteindelijk een uitbreiding van ongeveer 350 parkeerplaatsen gerealiseerd moet worden. In de tweede fase zal gezocht worden naar alternatieve locaties om de gewenste aantallen te halen, aldus de plantoelichting.

Het oordeel van de Afdeling

2.28.    De enkele omstandigheid dat het streven er op is gericht in de toekomst nog 350 P+R-parkeerplaatsen aan te leggen, betekent niet dat deze parkeerplaatsen in één bestemmingsplan hadden moeten worden opgenomen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is namelijk gebleken dat besluitvorming over de tweede fase van de aanleg van de P+R-voorziening bij metrostation Heemraadlaan nog niet heeft plaatsgevonden en ook niet op korte termijn zal plaatsvinden. De tweede fase is nog zo weinig concreet dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gemeenteraad zich in dit bestemmingsplan heeft kunnen beperken tot alleen de eerste fase.

De verkeersontsluiting

2.29.    Appellanten stellen in beroep voorts dat de beoogde ontsluiting van de P+R-voorziening op de Hekelingseweg zal leiden tot veel sluipverkeer met nadelige gevolgen voor de omgeving. In het plan had moeten worden gekozen voor een directe ontsluiting op de Heemraadweg, aldus appellanten.

Het standpunt van verweerder

2.30.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plan verschillende wijzen van ontsluiting mogelijk maakt en dat de ontsluiting op de Hekelingseweg uitvoerbaar en aanvaardbaar is.

Vaststelling van de feiten

2.31.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.31.1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, artikel 5, eerste lid, en artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn de op de plankaart voor 'Parkeerdoeleinden', 'Metro' respectievelijk 'Groenvoorzieningen' aangewezen gronden onder meer bestemd voor ontsluitingswegen ten behoeve van de parkeervoorzieningen.

2.31.2.    Op de plankaart zijn op twee plekken pijlen ingetekend. Deze pijlen zijn in de legenda aangeduid als "globale aanduiding ontsluiting P+R".

2.31.3.    Volgens de plantoelichting dient voor een optimaal functionerende P+R de voorziening rechtstreeks op de Heemraadlaan, die deel uitmaakt van de verkeersring van Spijkenisse, ontsloten te worden. Daarvoor zal de kruising met de Hekelingseweg ingrijpend aangepast moeten worden. Om een snelle uitvoering van het bestemmingsplan mogelijk te maken, zal de ontsluiting eerst via de Hekelingseweg plaatsvinden. Volgens de gemeenteraad is rekening gehouden met een geringe beperking van de doorstroming op de Hekelingseweg gedurende de spitsperiode, zodat de capaciteit niet behoeft te worden uitgebreid. Voor de huidige kruising Heemraadlaan/Hekelingseweg worden twee opties onderzocht, welke beide voorzien in een rechtstreekse aansluiting van de P+R-voorziening op de Heemraadlaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.32.    Het plan maakt een ontsluiting mogelijk op zowel de Hekelingseweg als op de Heemraadlaan. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat een ontsluiting op de Hekelingseweg zal leiden tot veel sluipverkeer in de omliggende wijken. Bovendien is ter zitting door de gemeenteraad gesteld dat voor 2007 middelen in de begroting zijn opgenomen om de doorstroming op de verkeersring te verbeteren, waardoor ook de doorstroming van het verkeer op de Hekelingseweg naar verwachting zal verbeteren. Voorts is uit de stukken gebleken dat een ontsluiting op de Heemraadlaan thans nog niet mogelijk is. De ontsluiting op de Hekelingseweg is daarom nodig als tijdelijke ontsluiting. Gelet hierop heeft verweerder er in redelijkheid mee kunnen instemmen dat het bestemmingsplan ook een ontsluiting op de Hekelingseweg mogelijk maakt.

2.32.1.    Voor zover appellanten betogen dat de op de plankaart aangegeven pijlen rechtsonzeker zijn, stelt de Afdeling vast dat het plan geen voorschriften bevat die bepalen welke betekenis aan deze pijlen toekomt. Aan de pijlen komt derhalve geen betekenis toe. Het beroep van appellanten mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

Overige bezwaren

2.33.    Appellanten stellen in beroep voorts dat de plangrens afwijkt van de zogenaamde projectgrens en dat deze daarom rechtsonzeker is.

2.33.1.    Voorts wordt volgens hen de groenvoorziening ernstig aangetast.

2.33.2.    Daarnaast is volgens appellanten onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de waterhuishouding.

2.33.3.    Ten slotte vrezen appellanten aantasting van hun woon- en leefklimaat omdat een beheersplan ontbreekt, de koplampen van de auto's lichthinder veroorzaken, de fiets- en bromfietsroute in de richting van de woningen wordt verplaatst en de bouwhoogte te hoog is.

Het standpunt van verweerder

2.34.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de grens van het plangebied weliswaar anders is dan de grens van het ontwerp voor de openbare ruimte, maar dat de gehele P+R-voorziening wordt aangelegd binnen het plangebied.

2.34.1.    Het plan voorziet volgens verweerder voorts in voldoende mate in groenvoorzieningen.

2.34.2.    In het plan is volgens verweerder ook voldoende aandacht besteed aan de waterhuishouding.

2.34.3.    Het beheer van de P+R-voorziening betreft volgens verweerder de uitvoering van het plan. Mede gelet op de afstand van de parkeervoorziening tot de woningen en de aanwezige en mogelijk gemaakte opgaande beplanting, verwacht verweerder voorts geen onaanvaardbare lichthinder.

   De afstand van de fiets- en bromfietsroute, ook als deze 10 tot 20 meter richting de woningen opschuift, acht hij voldoende groot om ernstige aantasting van de leef- en woonomgeving te voorkomen. De bouwhoogte sluit ten slotte aan bij de hoogte van het metrotracé in de aangrenzende bestemmingsplannen, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.35.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.35.1.    Bij het bestemmingsplan hoort ingevolge artikel 1, onder b, van de planvoorschriften, een kaart met nummer 04-35-0001. De grenzen van het plangebied op deze plankaart zijn iets kleiner dan de grenzen van het zogenoemde projectgebied. De projectkaart heeft tot doel om op inrichtingsniveau aan te geven hoe de openbare ruimte er uit gaat zien en maakt geen deel uit van het bestemmingsplan.

2.35.2.    Het bestaande profiel van de Hekelingseweg heeft ter plaatse een overwegend groen karakter. De groenwal aan de westzijde van de Hekelingseweg blijft zoals die is. Tussen de Hekelingseweg en de P+R-voorziening wordt een groenstrook ingericht met heesters.

2.35.3.    In de plantoelichting is in paragraaf 5.2 ingegaan op de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij is ingegaan op de afvoer van het regenwater en op de mogelijke invloed op het grondwaterpeil.

2.35.4.    Om lichthinder te voorkomen wordt het verharde deel ingepakt met lage heesters.

2.35.5.    Het bestaande fietspad wordt verschoven van ongeveer 28 tot ongeveer 22 meter in de richting van de woningen.

2.35.6.    Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften bedraagt de maximale bouwhoogte van een opgang naar de metrolijn en van viaducten 11 meter. De aangrenzende bestemmingsplannen waarin het metrotracé is gelegen kennen eenzelfde hoogte. Voor het overige bedraagt de maximale hoogte van bouwwerken zes meter.

Het oordeel van de Afdeling

2.36.    Uit de begripsbepalingen in artikel 1 van de planvoorschriften volgt duidelijk welke kaart moet worden aangemerkt als plankaart. Dat de projectkaart niet overeenkomt met de plankaart betekent niet dat de plankaart rechtsonzeker is. Aan de zogenoemde projectkaart komt bovendien juridisch geen bindende betekenis toe. De voorschriften tezamen met de plankaart bepalen immers wat planologisch mogelijk is. Gebleken is voorts dat de P+R-voorziening kan worden aangelegd binnen het plangebied. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de plankaart niet rechtsonzeker is en dat de plangrens niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.36.1.    Gelet op het behoud van de bestaande groenwal aan de westzijde van de Hekelingseweg en de nieuw aan te leggen groenvoorzieningen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in voldoende groenvoorzieningen voorziet.

2.36.2.    In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, heeft verweerder geen aanleiding behoeven te zien voor het oordeel dat in paragraaf 5.2 van de plantoelichting onvoldoende aandacht is besteed aan de waterhuishouding. De wijze waarop het regenwater wordt afgevoerd betreft voorts een kwestie van uitvoering, die thans niet aan de orde is.

2.36.3.    Niet aannemelijk is dat de P+R-voorziening zal leiden tot een sociaal onveilige situatie, zodat verweerder geen aanleiding had moeten zien om op die grond goedkeuring aan het plan te onthouden. Voor zover appellanten stellen dat een beheersplan nog ontbreekt, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een beheersplan een kwestie van uitvoering betreft, die thans niet aan de orde is. Voorts is niet gebleken dat voor een zorgvuldig beheer onvoldoende middelen beschikbaar zijn.

2.36.4.    Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gelet op de beperkte tijd die auto's op en van de parkeervoorziening rijden en mede gezien de afstand van de parkeervoorziening tot de woningen en de aanwezige en mogelijk gemaakte opgaande beplanting, geen sprake zal zijn van ernstige lichthinder.

2.36.5.    Gelet op de afstand van de woningen tot het fietspad van ongeveer 22 meter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de overlast door het fietspad beperkt blijft.

2.36.6.    Verweerder heeft voorts wat betreft de bouwhoogte van 11 meter voor een opgang en viaducten in redelijkheid van belang kunnen achten dat daarmee wordt aangesloten bij de hoogte van het tracé in de aangrenzende bestemmingsplannen. Aldus is het mogelijk om zonder herziening van het bestemmingsplan aan het viaduct voorzieningen aan te brengen, zoals geluidschermen.

Slotsom

2.37.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   Het beroep is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.38.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bosnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra                              w.g. Bosnjakovic

Voorzitter                                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

410