Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200608330/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te Nijmegen. Dit besluit is op 9 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608330/1.

Datum uitspraak: 13 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het openbaar lichaam "Bijsterhuizen", gevestigd te Nijmegen,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij op het perceel [locatie] te Nijmegen. Dit besluit is op 9 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 december 2006.

Bij brief van 2 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. M. Lemmen, ambtenaar van de gemeente, en R. Derks, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door mr. J.A.J.M. van Houtum, daar gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant heeft de beroepsgronden met betrekking tot de voerstrategieën en artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer ter zitting ingetrokken.

2.2.    Bij het bestreden besluit is, voor zover hier van belang, vergunning verleend voor een uitbreiding van de inrichting met twee stallen voor het houden van 2.960 vleesvarkens, het plaatsen van een luchtwasser en het aanpassen van de ventilatie in de bestaande stal.

2.3.    Appellant heeft allereerst gronden aangevoerd met betrekking tot de plicht om een milieu-effectrapport te maken.

2.3.1.    Volgens verweerder is er geen sprake van een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) aangewezen activiteit ten aanzien waarvan bij de voorbereiding van een besluit het maken van een milieu-effectrapport verplicht is. Wel is sprake van een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit aangewezen activiteit ten aanzien waarvan krachtens artikel 7.8b van de Wet milieubeheer moet worden beoordeeld of vanwege belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu een milieu-effectrapport moet worden gemaakt. Bij besluit van 24 januari 2006 heeft verweerder krachtens dit artikel beslist dat het maken van een milieu-effectrapport niet nodig is.

2.3.2.    Ten tijde van de voorbereiding van het bestreden besluit was in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit als activiteit ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is onder meer aangewezen: de oprichting van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van varkens in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens.

   Ingevolge onderdeel A onder 2 van de bijlage bij het Besluit wordt onder oprichting van een inrichting mede verstaan: een uitbreiding van een inrichting door de oprichting van een nieuwe installatie.

2.3.3.    Appellant betoogt dat de aanpassing van de bestaande stal, te weten het aanpassen van het ventilatiesysteem en de uitbreiding van de productie van de brijvoerinstallatie, ertoe leidt dat deze stal als een nieuwe installatie in de zin van het Besluit moet worden aangemerkt. Gezien de gezamenlijke capaciteit van deze stal en de twee nieuwe stallen is volgens appellant sprake van de oprichting van nieuwe installaties met meer dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens als bedoeld in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit. Verweerder heeft volgens appellant daarom ten onrechte geconcludeerd dat het maken van een milieu-effectrapport niet verplicht is.

2.3.4.    Dat de productie van de brijvoerinstallatie zal stijgen omdat daarin ook voer zal worden gemaakt voor de in de nieuwe stallen te houden varkens, levert geen aanpassing van de bestaande stal op. Verder is ter zitting gebleken dat van de bestaande stal enkel het centrale afzuigsysteem wordt aangepast, om deze aan te kunnen sluiten op de luchtwasser. Deze aanpassing is niet zodanig dat gesproken moet worden van oprichting van een nieuwe installatie als bedoeld in onderdeel A onder 2 van de bijlage bij het Besluit. Gelet hierop kunnen alleen de twee nieuwe stallen worden aangemerkt als nieuwe installaties in de zin van de bijlage bij het Besluit. Nu deze stallen minder dan 3.000 plaatsen voor mestvarkens hebben, is geen sprake van een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit aangewezen activiteit ten aanzien waarvan het maken van een milieu-effectrapport verplicht is.

2.3.5.    Appellant voert verder aan dat de door verweerder gemaakte beoordeling of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt niet aan de te stellen eisen voldoet omdat niet overeenkomstig artikel 7.8b, vierde lid, van de Wet milieubeheer samen met bijlage III van richtlijn 85/337/EEG, aandacht is besteed aan de reductie van afvalstoffen, met name aan de reductie van het van de chemische luchtwasser afkomstige spuiwater, aan de emissie van zogenaamd fijn stof en aan de omgeving van de inrichting, die zich volgens appellant kenmerkt door een intensief verblijf van mensen.

2.3.6.    Ingevolge het vierde lid van artikel 7.8b, van de Wet milieubeheer moet het bevoegd gezag bij de beoordeling of een milieu-effectrapport moet worden gemaakt rekening houden met de in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG aangegeven omstandigheden. Daarin staan onder meer genoemd: de productie van afvalstoffen, de verontreiniging en het bestaande grondgebruik van het gebied waarop het project van invloed kan zijn.

2.3.7.    Verweerder heeft in zijn beoordeling of een milieu-effectrapport nodig is onder meer de productie van afvalstoffen, zoals spuiwater, de verontreiniging als gevolg van de inrichting, waarbij ook aandacht is besteed aan het aspect stof, en de omgeving van de inrichting in overweging genomen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de in bijlage III van de Richtlijn aangegeven omstandigheden.

2.3.8.    Gezien het voorgaande slagen de beroepsgronden over de verplichting om een milieu-effectrapport te maken niet.

2.4.    Appellant voert aan dat verweerder bij de beoordeling van de geurhinder de bedrijven op het bedrijventerrein "Bijsterhuizen" ten onrechte als categorie III-objecten in plaats van categorie II-objecten als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure) heeft aangemerkt. Hij voert in dit verband aan dat het bedrijventerrein niet kan worden beschouwd als een agrarische omgeving en dat binnen de bedrijven overwegend reukloos werk wordt verricht.

2.4.1.    Van een categorie II-situatie als bedoeld in de brochure is sprake wanneer zich in de directe omgeving van de inrichting bevinden:

a) niet-agrarische bebouwing, geconcentreerd in lintbebouwing buiten de bebouwde kom, langs wegen, vaarten, dijken en dergelijke,

b) meerdere verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen die aan het desbetreffende buitengebied een bepaalde woonfunctie verlenen en

c) objecten voor dagrecreatie zoals zwembaden en speeltuinen.

   Van een categorie III-situatie als bedoeld in de brochure is sprake wanneer zich in de directe omgeving van de inrichting een enkele niet-agrarische bebouwing in het buitengebied bevindt.

2.4.2.    De omschrijvingen van categorie II- noch categorie III-objecten zijn van toepassing op een bedrijventerrein. De Afdeling is echter van oordeel dat verweerder, gelet op de aard van de bebouwing op een bedrijventerrein, terecht heeft gesteld dat de gebouwen aangemerkt dienen te worden als categorie III-objecten als bedoeld in de brochure. De stelling van appellant dat er in de bedrijven overwegend reukloos werk wordt verricht en dat er een aanzienlijk aantal mensen aanwezig is doet hier niet aan af.

2.5.    Appellant voert aan dat de akoestische gevolgen van de aangevraagde handelingen zijn onderschat. Volgens appellant staat onvoldoende vast of tijdens het verladen van mest aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.

   In voorschrift 3.1.1 zijn grenswaarden gesteld voor het door de inrichting veroorzaakte langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Blijkens het bij de aanvraag behorende akoestisch rapport kan tijdens het verladen van mest aan de in voorschrift 3.1.1 gestelde geluidgrenswaarden worden voldaan. Niet gebleken is dat aan het akoestisch rapport gebreken kleven. Verweerder heeft derhalve terecht gesteld dat de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn.

2.6.    Appellant voert aan dat de productbladen inzake de voersamenstelling ten onrechte als bijlage bij de vergunning zijn gevoegd.

   De productbladen waar appellant op doelt, maken geen onderdeel uit van de aanvraag of de vergunning. Zij zijn slechts als motivering van de reactie op de zienswijzen bedoeld. Deze beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2007

262-492.