Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200703147/1 en 200703147/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van voorzieningen ten behoeve van dagopvang / tijdsbesteding voor gehandicapten annex speeltuin en een parkeerterrein op het perceel, kadastraal bekend gemeente Goor, sectie A, nummer 3255, plaatselijk bekend Lintelerweg ongenummerd te Goor (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703147/1 en 200703147/2.

Datum uitspraak: 5 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 07/221 en 07/222 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 16 april 2007 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van voorzieningen ten behoeve van dagopvang / tijdsbesteding voor gehandicapten annex speeltuin en een parkeerterrein op het perceel, kadastraal bekend gemeente Goor, sectie A, nummer 3255, plaatselijk bekend Lintelerweg ongenummerd te Goor (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 3 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 mei 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2007, hebben appellanten de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2007, waar appellanten, in persoon en bijgestaan door mr. J.F.C.M. Mulders, gemachtigde, en het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, vertegenwoordigd door mr. P. Braamhaar, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord Speeltuinvereniging "Kindvriendelijk Goor", vertegenwoordigd door A.J.G. Brunnekreef, gemachtigde.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Vaststaat en niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Sportveldencomplex Heeckeren, herziening 1999-1" en "Sportveldencomplex Heeckeren, herziening 1996-1".

    Het perceel is in 1981 door [vader] van [appellant A], verkocht en in eigendom overgedragen aan de gemeente. Daarbij is overeengekomen dat de gemeente zodanige maatregelen zal treffen dat het overgenomen gedeelte van de Lintelerweg alleen toegankelijk is voor langzaam verkeer en gemotoriseerd verkeer daarop slechts is toegestaan aan aanwonenden.

2.3.    Appellanten - die aan de Linterlerweg woonachtig zijn - betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college gelet op de hiervoor weergegeven voorwaarde in de koopovereenkomst, niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor de aanleg van het parkeerterrein aan het begin van de Lintelerweg aan de zijde van de Deldenseweg. Zij stellen dat nu de parkeerplaats slechts bereikbaar is via de Lintelerweg met het verlenen van vrijstelling wordt gehandeld in strijd met bedoelde voorwaarde.

   Dit betoog kan niet leiden tot het ermee beoogde doel. Daargelaten of de door appellanten aan de voorwaarde gegeven uitleg juist is, komt daaraan niet het gewicht toe dat zij daaraan toekennen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoofdtoegang tot het perceel via de Lintelerweg en de Deldenseweg, als gebiedsontsluitingsweg, uit het oogpunt van verkeersveiligheid de voorkeur heeft boven de ontsluitingsroute via de Mossendamseweg omdat laatstbedoelde route door een woonwijk leidt. Dat standpunt acht de Voorzitter niet onredelijk. De Lintelerweg wordt vanaf het parkeerterrein, behoudens voor bestemmingsverkeer, afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Voldoende aannemelijk is geworden dat de door appellanten ervaren verkeershinder door die maatregelen zal afnemen ten opzichte van de bestaande situatie waarin deze weg wordt gebruikt door gemotoriseerd verkeer en daarop wordt geparkeerd. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink                                        w.g. Willems

Voorzitter                                             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2007

412