Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA7034

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2007
Datum publicatie
13-06-2007
Zaaknummer
200702717/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van de geluidvoorschriften uit voorschrift 1.1.1 van het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2007/3363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702717/2.

Datum uitspraak: 4 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de vereniging "Chr. Muziekvereniging DAP", gevestigd te Apeldoorn,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2006 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het overtreden van de geluidvoorschriften uit voorschrift 1.1.1 van het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer.

Bij besluit van 9 maart 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 16 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2007, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 mei 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door A.J. Westerveld en S. van der Meulen, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door R.A. Feber en H.J.M. Langes, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Bij het besluit van 3 oktober 2006 heeft verweerder aan verzoekster een dwangsom opgelegd wegens het volgens verweerder bij het uitvoeren van buitenrepetities overschrijden van de in voorschrift 1.1.1 van het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer voorgeschreven maximaal toegestane geluidniveaus. Dit besluit is gebaseerd op een op 8 april 2004 uitgevoerd geluidonderzoek.

2.3.    Verzoekster voert aan dat het geluidonderzoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd, omdat dit onderzoek niet onder representatieve weersomstandigheden heeft plaatsgevonden en bovendien niet meer actueel is, omdat ter plaatse een uit meerdere bouwlagen opgetrokken sportschool en een eveneens uit meerdere bouwlagen bestaand appartementengebouw zijn gebouwd. Tevens wordt volgens verzoekster thans op een ander deel van de inrichting geoefend en niet meer in de richting van de bebouwing gespeeld. Volgens verzoekster staat daarom geenszins vast dat ten tijde van het bestreden besluit nog steeds een overtreding van genoemd voorschrift plaatsvond.

2.4.    Verweerder betoogt dat hij het geluidonderzoek uit 2004 aan het bestreden besluit ten grondslag kon leggen, omdat de buiten gehouden repetities sindsdien niet wezenlijk zijn veranderd.

2.5.    De Voorzitter stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat sinds het op 8 april 2004 uitgevoerde geluidonderzoek geen geluidmetingen hebben plaatsgevonden. Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat verweerder niet heeft vastgesteld dat er ten tijde van het bestreden besluit een overtreding van voorschrift 1.1.1 van het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer plaatsvond. Verweerder was dan ook niet bevoegd ter zake handhavend op te treden. Het verzoek komt voor inwilliging in aanmerking. Het bestreden besluit en het besluit van 3 oktober 2006 dienen te worden geschorst.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 3 oktober 2006, kenmerk 3768800, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 9 maart 2007, kenmerk PD/JAV/CK/ 003803206;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 48,59 (zegge: achtenveertig euro negenenvijftig), het dient door de gemeente Apeldoorn aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Apeldoorn aan verzoekster het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld                                      w.g. Klap

Voorzitter                                         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2007

315