Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-05-2007
Datum publicatie
07-06-2007
Zaaknummer
200701833/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep door minderjarige / wettelijk vertegenwoordiger

Omdat de vreemdeling gezien haar leeftijd niet bekwaam is om in rechte te staan, niet tot een redelijke waardering van haar belangen in staat kan worden geacht en uit het hoger-beroepschrift evenmin blijkt dat een wettelijk vertegenwoordiger van de vreemdeling appellant heeft gemachtigd om namens haar hoger beroep in te stellen, is appellant bij aangetekend verzonden brief van 23 april 2007 in de gelegenheid gesteld binnen een week na dagtekening van die brief de door hem gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Voorts is hem in die brief verzocht aan te geven wie de wettelijk vertegenwoordiger is en stukken over te leggen waaruit diens hoedanigheid blijkt.

Appellant heeft bij brief van 26 april 2007 kopieën van een akte van geboorte van de vreemdeling, alsmede van een latere vermelding betreffende erkenning overgelegd. Uit laatstgenoemd document blijkt dat de vreemdeling is erkend door [betrokkene]. Voorts heeft appellant aangegeven dat de moeder van de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, met achterlating van de vreemdeling bij de vader, er geen vermelding in het gezagsregister is met betrekking tot de vreemdeling en dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat [betrokkene] de wettelijk vertegenwoordiger van de vreemdeling is. De Afdeling concludeert hieruit dat het hoger beroep zonder tussenkomst van een wettelijk vertegenwoordiger is ingediend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701833/1.

Datum uitspraak: 24 mei 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant], beweerdelijk handelend namens [de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/31622 en 06/31620 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 15 februari 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag ten behoeve van [de vreemdeling] om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 13 juni 2006 heeft de minister het daartegen namens de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 februari 2007, verzonden op 16 februari 2007, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, voor zover thans van belang, het daartegen namens de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 maart 2007, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 28 maart 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft appellant zich bij brief van 26 april 2007 nader uitgelaten.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover thans van belang, worden natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht.

Ingevolge het tweede lid kunnen de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.

2.2. Appellant, advocaat te Kerkrade, heeft in het hoger-beroepschrift aangegeven dat hoger beroep wordt ingesteld namens de vreemdeling, geboren op 20 januari 2002, en verklaard bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd tot het instellen van het hoger beroep.

Omdat de vreemdeling gezien haar leeftijd niet bekwaam is om in rechte te staan, niet tot een redelijke waardering van haar belangen in staat kan worden geacht en uit het hoger-beroepschrift evenmin blijkt dat een wettelijk vertegenwoordiger van de vreemdeling appellant heeft gemachtigd om namens haar hoger beroep in te stellen, is appellant bij aangetekend verzonden brief van 23 april 2007 in de gelegenheid gesteld binnen een week na dagtekening van die brief de door hem gestelde vertegenwoordiging aan te tonen. Voorts is hem in die brief verzocht aan te geven wie de wettelijk vertegenwoordiger is en stukken over te leggen waaruit diens hoedanigheid blijkt.

Appellant heeft bij brief van 26 april 2007 kopieën van een akte van geboorte van de vreemdeling, alsmede van een latere vermelding betreffende erkenning overgelegd. Uit laatstgenoemd document blijkt dat de vreemdeling is erkend door [betrokkene]. Voorts heeft appellant aangegeven dat de moeder van de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, met achterlating van de vreemdeling bij de vader, er geen vermelding in het gezagsregister is met betrekking tot de vreemdeling en dat uit de overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat [betrokkene] de wettelijk vertegenwoordiger van de vreemdeling is. De Afdeling concludeert hieruit dat het hoger beroep zonder tussenkomst van een wettelijk vertegenwoordiger is ingediend.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk niet ontvankelijk.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

Voorzitter

w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2007

91-553.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak