Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6506

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200605887/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2006:AY5426, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel, plaatselijk bekend Broeksteeg 12 te Lunteren (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605887/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gejari Beheer B.V., gevestigd te Lunteren, gemeente Ede,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/141 van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een woning op het perceel, plaatselijk bekend Broeksteeg 12 te Lunteren (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 december 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college en appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], en T. van Veldhuizen, bijgestaan door mr. drs. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door G.G.H. Rijkse, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het oprichten van een burgerwoning op het perceel, ter vervanging van een te slopen voormalige dienstwoning elders op het perceel.

2.2.    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan in strijd is met de op het perceel rustende bestemming. Daartoe voert zij aan dat de letters "w", zoals aangegeven op de bij het bestemmingsplan behorende inventarisatiekaart, betekenen dat wonen op het perceel is toegestaan.

2.2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Artikel 30-herziening Agrarisch Buitengebied" (hierna: het  bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch ontginningslandschap Ede - Meulunteren" met de nadere aanduidingen "agrarisch bedrijf", "middelgroot".

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de als zodanig op de plankaart aangegeven gronden als hoofddoel bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf en als ondergeschikt doel bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met kantoor of praktijk aan huis. Het doel wonen is uitsluitend toegestaan op de als zodanig op de inventarisatiekaart aangegeven gronden, met dien verstande dat het aantal woningen is beperkt tot het op de plankaart of bijlagekaart aangegeven aantal.

   Ingevolge artikel 5, derde lid, onder b, voor zover thans van belang, is ten behoeve van agrarische bedrijven bebouwing toegestaan uitsluitend voor zover noodzakelijk voor de uitoefening van de op de plankaart of bijlagekaart met "agrarisch bedrijf" aangegeven bestaande bedrijven. Met uitzondering van de bedrijven op de plankaart aangegeven met "geen dienstwoning", is per bedrijf ten hoogste één dienstwoning toegestaan, dan wel het bestaande aantal.

2.2.2.    Op de inventarisatiekaart heeft het perceel een rode kleur, hetgeen volgens de legenda van deze kaart betekent dat op het perceel agrarische activiteiten zijn toegestaan. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het doel wonen op het perceel niet is toegestaan. Voor dit oordeel wordt voorts steun gevonden in de plankaart, waar cirkels van een klein formaat- die de aantallen burgerwoningen weergeven die volgens de inventarisatiekaart zijn toegestaan - op het perceel ontbreken.

    Op de inventarisatiekaart is bij twee van de op het perceel aanwezige bouwwerken de letter "w" opgenomen. Anders dan appellante betoogt, betekent de letter "w" niet dat het perceel als ondergeschikt doel bestemd is voor wonen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het zich niet met het systeem van de inventarisatiekaart, bezien in samenhang met de plankaart, zou verdragen, indien de letter "w" eveneens de betekenis heeft dat op het perceel een woonbestemming rust, nu de bestemming van het perceel op de inventarisatiekaart reeds met een kleur is aangegeven. Voormelde letters staan, naar de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, voor het aantal op het agrarische perceel ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geïnventariseerde, bestaande dienstwoningen. Dat deze woningen in het verleden, naar appellante betoogt, in strijd met de bestemming in gebruik zijn genomen als burgerwoning, betekent niet dat ze als zodanig zijn bestemd.

    Het bouwplan voorziet in het vervangen van één van de twee op het perceel aanwezige dienstwoningen door een burgerwoning, hetgeen zich niet met de agrarische bestemming verdraagt. De verwijzing door appellante naar de verleende bouwvergunningen voor twee woningen aan de Meulunterseweg 72 leidt niet tot een ander oordeel nu het daarbij zoals het college onweersproken heeft gesteld om bedrijfswoningen gaat.

    Gelet op het vorenstaande is de rechtbank terecht en op goede gronden tot de conclusie gekomen dat het bouwplan in strijd is met de op het perceel rustende bestemming. Het betoog faalt.

2.3.    Het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan niet onder het overgangsrecht kan worden gebracht, faalt eveneens.

   Ingevolge artikel 23, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften mag een bouwwerk dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan bestond en dat afwijkt van het in het bestemmingsplan bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van bebouwing, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot en behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van het in de aanhef bedoelde bouwwerk tot gevolg heeft. Uitsluitend indien het bouwwerk door een calamiteit is teniet gegaan, mag het geheel worden vernieuwd.

    Vast staat dat de voormalige dienstwoning onder het bouwovergangsrecht valt. Nu op grond hiervan slechts een gedeeltelijke vernieuwing van die woning is toegestaan, waarbij de aard van de afwijking niet mag worden vergroot, en het bouwplan in strijd hiermee voorziet in vervangende nieuwbouw door een burgerwoning, is de conclusie van de rechtbank dat het bouwovergangsrecht niet van toepassing is, juist. Dat, naar appellante betoogt, de dienstwoning in gebruik was als burgerwoning, betekent niet dat ten behoeve van dat gebruik mag worden gebouwd in afwijking van de beperkingen van het bouwovergangsrecht.

2.4.    Appellante betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat, nu het college niet bevoegd was op het in de bouwaanvraag besloten verzoek om vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te beslissen, het dit verzoek voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning had moeten voorleggen aan de gemeenteraad.

2.4.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad de vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.4.2.    Vast staat dat zowel ten tijde van het primaire besluit als ten tijde van de beslissing op bezwaar de bevoegdheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO niet door de gemeenteraad van Ede (hierna: de gemeenteraad) aan het college was gedelegeerd. Het college was dan ook gehouden het verzoek om vrijstelling ter besluitvorming voor te leggen aan de gemeenteraad alvorens op de aanvraag te beslissen. Dat is niet gebeurd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 december 2005 in zaak no. 200501386/1 is de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning afhankelijk van de beslissing van de gemeenteraad omtrent het verzoek om vrijstelling. Aldus heeft het college de beslissing op bezwaar genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt.

2.5.    Appellante betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in het onderhavige geschil niet aan de orde is of het college van zijn wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften gebruik had moeten maken.

2.5.1.    Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 11 van de WRO het bestemmingsplan, voor zover het betreft agrarische bedrijfsgebouwen, op de plankaart aangeduid met "groot" of "middelgroot" wijzigen ten behoeve van wonen, met dien verstande dat het bestaande aantal woningen niet mag toenemen.

2.5.2.    De procedure omtrent het wijzigen van een bestemmingsplan is een andere dan de procedure omtrent het beslissen op een aanvraag om bouwvergunning. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft het college, gelet op artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning niet op de eerst in de bezwaarfase opgekomen vraag om wijziging van het bestemmingsplan een besluit behoeven te nemen. Het betoog faalt.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 8 december 2005 vernietigen.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2006, AWB 06/141;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 8 december 2005, kenmerk AJZ 2005/2299;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Ede aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Ede aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 698,00 (zegge: zeshonderdachtennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Boermans

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

429-531.