Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6502

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200606569/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2004, heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht het uitwerkingsplan "Langerak 2" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606569/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2004, heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht het uitwerkingsplan "Langerak 2" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 november 2004, kenmerk  2004REG003245i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 23 november 2004 bij uitspraak van 8 maart 2006, no. 200502219/1, gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 juli 2006, no. 2006REG001571i, opnieuw beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 6 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2007, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door N.M. van Hattem, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht is niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" betreffende het zogenoemde "Kindercluster Voorn", voor zover daarbij is voorzien in een derde bouwlaag en in een verruiming van het feitelijke gebruik. Appellant vreest dat dit leidt tot een toename van de reeds bestaande ernstige verkeer- en parkeeroverlast in de directe omgeving. Het plaatsen van een derde bouwlaag is volgens appellant bovendien fysiek niet mogelijk, gezien de huidige hoogte van het gebouw. De verruiming van de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" leidt tot een onevenredige verzwaring van de gebruiksmogelijkheden. Appellant stelt voorts dat de motivering van het goedkeuringsbesluit van verweerder tekort schiet in het licht van de eerdere uitspraak van de Afdeling en het daaraan ten grondslag liggende advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of anderszins met het recht geacht en heeft dit goedgekeurd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het uitwerkingsplan niet in strijd is met de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregels. Doordat de gemeente zelf eigenaar is van het voorzieningencluster heeft zij eventuele gebruiksveranderingen geheel in de hand en kan zij erop toezien dat de uitstraling daarvan op de aangrenzende woonomgeving vergelijkbaar is met het huidige gebruik van het cluster. Voorts stelt verweerder dat door het nemen van extra maatregelen ten aanzien van parkeren en ontsluiting, zoals de aanleg van extra parkeerplaatsen op het voorterrein van de school en het plaatsen van extra verkeersborden met betrekking tot de rijrichting en het parkeerregime, kan worden voorkomen dat onevenredige parkeer- en verkeersoverlast zal ontstaan.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    De gronden die het bestreden plandeel betreffen liggen aan de Akkrumerraklaan schuin tegenover de woning van appellant. Op deze gronden staat het zogenoemde "Kindercluster Voorn". Het gebouw biedt ruimte aan twee basisscholen, een kinderdagverblijf, een peuterspeelzaal, een buitenschoolse opvang en een sportzaal. Tevens is er een activiteitencentrum van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Utrecht gevestigd. In het gebouw verblijven dagelijks ongeveer 800 kinderen.

2.5.2.    Aan de gronden is in het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Utrecht 1999" de uit te werken bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid A, onder punt 6 en 7, van de planvoorschriften zijn de gronden met de uit te werken bestemming "Gemengde doeleinden", voor zover hier van belang, bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en voor sport- en recreatievoorzieningen.

   In de in artikel 2 van genoemde planvoorschriften opgenomen begripsbepalingen wordt het begrip "maatschappelijke voorzieningen" als volgt omschreven: educatieve, (sociaal-)medische, (sociaal-)culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen.

2.5.3.    In het uitwerkingsplan hebben de gronden de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" gekregen. Ingevolge artikel 7, lid A, van de planvoorschriften zijn deze gronden daarmee bestemd voor onderwijsvoorzieningen, sociaal-medische voorzieningen, sociaal-culturele voorzieningen, levensbeschouwelijke voorzieningen, overheidsvoorzieningen, nutsvoorzieningen en voorzieningen voor sport en sportieve recreatie.

2.5.4.    De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 13 oktober 2005. In dit deskundigenbericht is vermeld dat er in de huidige situatie al sprake is van verkeersoverlast vanwege het gebruik van het Kindercluster. Het halen en brengen van kinderen met de auto leidt tot grote parkeerproblemen waardoor de doorstroming van het autoverkeer ernstig wordt belemmerd. Voorts is vermeld dat er maatregelen zijn getroffen om de doorstroming van het verkeer te bevorderen, zoals het instellen van een éénrichtingsregime en het plaatsen van trottoirpaaltjes, maar dat deze maatregelen nauwelijks effect hebben gehad. Opgemerkt wordt dat het twijfelachtig is dat de verkeersproblemen rond het Kindercluster afdoende op te lossen zijn door alleen een beter vervoersalternatief te bieden voor het halen en brengen van kinderen met de auto. Geconcludeerd wordt dat de ruimtelijke en functionele uitbreidingsmogelijkheden die op grond van het uitwerkingsplan geboden worden, een verdere verslechtering van de verkeerssituatie tot gevolg kunnen hebben.

2.5.5.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 maart 2006 het beroep van appellant gegrond verklaard. Daartoe heeft de Afdeling het volgende overwogen:

   "2.20. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan "Leidsche Rijn Utrecht 1999" de in het uitwerkingsplan aan de gronden toegekende functies toelaten en dat het plan ook niet in de weg staat aan de oprichting van bebouwing in drie bouwlagen.

   Ten aanzien van de vraag of het plan zich ook verder met een goede ruimtelijke ordening verdraagt, heeft verweerder er geen blijk van gegeven voldoende onder ogen te hebben gezien dat de toegelaten uitbreiding van de bebouwing, mede bezien in samenhang met de ruime gebruiksmogelijkheden daarvan, een verdergaande verslechtering van de reeds bestaande problematische verkeerssituatie met zich zal brengen. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering."

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Het enkele feit dat de gemeente eigenaar is van de gronden waarborgt niet dat de ruimere gebruiksmogelijkheden van de gronden die het plan mogelijk maakt - zowel wat betreft de omvang als het soort gebruik - niet zal leiden tot een verdere verslechtering van de reeds bestaande problematische verkeerssituatie. Voorts heeft verweerder zijn stelling dat een onevenredige parkeer- en verkeersoverlast zal worden voorkomen door het aanleggen van extra parkeerplaatsen op het voorterrein van de school en door het plaatsen van extra verkeersborden om de rijrichting en het parkeerregime duidelijker aan te geven, niet gestaafd met de resultaten van enig verkeerskundig onderzoek. In dit verband wijst de Afdeling op de inhoud van het hiervoor onder 2.5.4. vermelde deskundigenbericht waaruit blijkt dat in het verleden getroffen verkeerskundige maatregelen geen effect hebben gesorteerd. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling nu hij in het bestreden besluit zijn stelling dat het in geding zijnde plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening niet voldoende heeft onderbouwd.

Ter zitting heeft verweerder, daarnaar gevraagd, het standpunt ingenomen dat een betere motivering van de planologische aanvaardbaarheid van dit plandeel niet is te geven. Dit leidt de Afdeling tot het oordeel dat het plandeel in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.6.1.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitwerkingsplan in zoverre, hoewel de invulling past binnen de regels van het bestemmingsplan, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door het desbetreffende plandeel in het uitwerkingsplan niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" voor de gronden aan de Akkrumerraklaan.

Proceskostenveroordeling

2.7.    Verweerder dient op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 4 juli 2006, kenmerk 2006REG001571i;

III.    onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden (M)" voor de gronden aan de Akkrumerraklaan;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 47,77 (zegge: zevenenveertig euro en zevenenzeventig cent); dit bedrag dient door de provincie Utrecht aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de provincie Utrecht aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra                                w.g. Rop

Lid van de enkelvoudige kamer                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

417-548.