Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6498

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200601373/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 mei 2005, het bestemmingsplan "Bult van Pars" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601373/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2005 heeft de gemeenteraad van Moerdijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31 mei 2005, het bestemmingsplan "Bult van Pars" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 31 januari 2006, no. 1117456, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 24 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2006, appellanten sub 2 bij brief van 17 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 februari 2006, en appellanten sub 3 bij brief van 13 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 4 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 oktober 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van Zeeman Vastgoed B.V., die als partij tot het geding is toegelaten, en de gemeenteraad van Moerdijk. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Moerdijk. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2007, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellanten sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, en [appellanten sub 3], in persoon en bijgestaan door mr. W.P. Meulblok, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.J.C. Brekelmans-van Aert, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn de gemeenteraad van Moerdijk, vertegenwoordigd door drs. M.O.W. Simons en A.A. van Dongen, ambtenaren van de gemeente en F. van Dorrestein van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V., en tenslotte [partij], vertegenwoordigd door mr. W.J.M. Loomans, advocaat te Hoorn, als partijen daar gehoord.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Procedurele aspecten

2.2.    [appellant sub 1] betwijfelt of voor dit plan de juiste procedure is gevolgd en of niet een procedure ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) had moeten worden gevolgd.

   De Afdeling ziet in de keuze van de gemeenteraad om de voorziene bebouwing op de Bult van Pars via een bestemmingsplan mogelijk te maken in plaats van via een procedure op grond van artikel 19 van de WRO, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hierom goedkeuring aan het plan had moeten onthouden. Hierbij is van belang dat de WRO voorziet in beide mogelijkheden, waarbij de mogelijkheid van (herziening van) een bestemmingsplan zelfs voorop staat. De keuze voor het in procedure brengen van een bestemmingsplan is derhalve niet in strijd met het recht.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

De standpunten van appellanten

2.4.    Appellanten stellen allen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

   [appellant sub 1] voert daartoe aan dat het plan leidt tot een aantasting van de cultuurhistorische waarden van het historisch waardevolle vestingwerk de "Bult van Pars". Bovendien wordt het stratenpatroon aangetast door dit plan. Voorts zijn de hoogteverschillen ten opzichte van het straatniveau ten onrechte niet op de plankaart weergegeven en vreest appellant dat de wateroverlast zal toenemen. De aan de parkeerbalans ten grondslag liggende gegevens zijn onjuist en appellant vreest dan ook een tekort aan beschikbare parkeerplaatsen. Voorts voorziet het appartementencomplex niet in een behoefte en kan voor de toekomstige bewoners geen goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. [appellant sub 1] wijst in dit verband op een alternatieve locatie.  

   [appellanten sub 2] voeren aan dat het plan hun woon- en leefklimaat op onaanvaardbare wijze aantast. Dit komt vooral nu het voorziene appartementencomplex op een heuvel zal worden gebouwd, waardoor hun lagergelegen woning een aanzienlijk deel van de dag in de schaduw zal komen te liggen van het voorziene appartementencomplex. Naar de mening van deze appellanten is verweerder in zijn besluit ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat de in dit plan voorziene bouwmogelijkheden, gelet op de bouwmassa en -hoogte, aanzienlijk groter zijn dan in het voorgaande plan.

   [appellanten sub 3] voeren aan dat de beoogde woningbouw zal leiden tot een beperking van de huidige en toekomstige bedrijfsvoering van hun naastgelegen doe-het-zelf warenhuis Doeland (hierna: Doeland), alsmede dat ter plaatse van de beoogde woningbouw geen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook zijn de door de Regionale Milieudienst West-Brabant (hierna: de RMD) uitgevoerde milieuonderzoeken gebaseerd op onjuiste informatie. Verder is de uitweg voor het appartementencomplex ten onrechte voorzien op de plaats waar thans de bevoorrading van Doeland plaatsvindt. Dit zal leiden tot overlast voor bewoners en tot een beperking in de bedrijfsvoering van Doeland, aldus appellanten. De keuze voor deze uitweg is onvoldoende gemotiveerd. Appellanten wijzen op een alternatieve uitweg op de Oliemolenstraat. Voorts betwijfelen zij de juistheid van de gegevens die ten grondslag liggen aan de parkeerbalans. Naar hun stelling is ten onrechte geen rekening gehouden met het verlies van parkeergelegenheid op de thans onbebouwde Bult van Pars. Daarnaast voeren deze appellanten aan dat de in het plan voorziene mogelijkheid voor de vestiging van 350 m2 vloeroppervlak aan commerciële ruimte in het voorziene appartementencomplex in strijd is met het beleid van de gemeente Moerdijk om buiten het kernwinkelgebied geen nieuwe winkelvestiging toe te staan. Voorts hebben deze appellanten bezwaren tegen artikel 3, lid 2.1, van de planvoorschriften. Ten slotte is het plan volgens hen in strijd met het Besluit luchtkwaliteit 2005.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij stelt dat er geen reden is om aan te nemen dat de onderzoeken van de RMD niet juist zouden zijn. Uit de onderzoeken van de RMD blijkt volgens verweerder dat aan de overschrijding van de geluidsbelasting op het voorziene appartementencomplex tegemoet kan worden gekomen door de plaatsing van een akoestisch scherm. Gelet hierop is volgens verweerder voldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van de in de Brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de Brochure) aanbevolen, minimaal in acht te nemen afstand van 10 meter. Hierbij acht hij voorts van belang dat geen sprake is van een blanco situatie. Ten aanzien van de cultuurhistorische waarden van het plangebied stelt verweerder zich met de gemeenteraad op het standpunt dat het plan geen inbreuk maakt op het historische stratenpatroon dan wel de zichtrelaties op de vestingwerken. Verweerder stelt voorts dat een uitweg op de Oliemolenstraat niet mogelijk is vanwege civieltechnische problemen. De parkeerbalans voldoet aan de aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom. Verweerder heeft geen reden te twijfelen aan de uitkomsten van de parkeerbalans. Dat de huidige parkeergelegenheid op de Bult van Pars buiten beschouwing is gelaten, acht verweerder terecht, nu daaraan geen parkeerbestemming was toegekend.

De vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Het plan voorziet in de bouw van een appartementencomplex met commerciële ruimte en parkeergelegenheid op een plaatselijke terreinverhoging, de zogenoemde Bult van Pars, op de hoek van de Oliemolenstraat en de Westerstraat te Klundert.

   Aan de gronden direct ten zuiden van Doeland met een breedte van 6,5 meter is in het plan de bestemming "Verkeer en Verblijf (VV)" met de nadere aanduiding "parkeervoorzieningen" toegekend. De daarop aansluitende gronden zijn in het plan bestemd tot "Wonen B (WB)" met de nadere aanduiding "gestapelde bebouwing". De afstand van Doeland tot aan de grens van het bebouwingsvlak van de woonbestemming bedraagt 8 meter.

2.6.2.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Wonen B (WB)" aangewezen gronden bestemd voor:

- wonen en aan huis verbonden beroepen;

- detailhandel en dienstverlening tot een maximale vloeroppervlakte van 350 m².

2.6.3.    Op pagina 8 van het deskundigenbericht is vermeld dat ervan mag worden uitgegaan dat de Bult van Pars in het verleden deel heeft uitgemaakt van de vestingwallen of de aanpalende vestingwerken van Klundert.

2.6.4.    Ten behoeve van dit plan is een parkeerbalans opgesteld. Blijkens het deskundigenbericht is de parkeerbalans uitgegaan van een te hoog aantal aanwezige en beschikbare parkeerplaatsen in het onderzoeksgebied. Bij de berekening is het medegebruik van de in het onderzoeksgebied aanwezige parkeerplaatsen door bezoekers van het aangrenzende kernwinkelgebied van Klundert niet betrokken. Gelet hierop is volgens het deskundigenbericht niet uitgesloten dat na de realisering van het plan frequent een tekort aan parkeerplaatsen zal ontstaan.

   De Bult van Pars was in het voorgaande bestemmingsplan "Centrum 1974, 4e herziening" onder meer bestemd als "Parkeerterrein".

2.6.5.    Op het bedrijf van [appellanten sub 3] is tabel I van voorschrift 1.1.1. van bijlage 2, onder B, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven (hierna: het Besluit) van toepassing. Uit dit voorschrift volgt onder meer dat het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten op de gevel van woningen niet meer mag bedragen dan:

50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur

45 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur

40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur

Ten aanzien van het piekniveau op de gevel van woningen is bepaald dat deze niet meer bedragen dan:

70 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur

65 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur

60 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur

Ingevolge voorschrift 1.1.1., onder a, van bijlage 2, onder B, van het Besluit zijn in de periode tussen 07.00 en 19.00 de in de tabel I genoemde piekniveaus niet van toepassing op het laden en lossen.

In het Besluit is voor de geluidsbelasting vanwege verkeer van en naar de inrichting, de zogenoemde indirecte hinder, geen norm opgenomen.

2.6.6.    In de Brochure wordt, voor zover hier van belang, met het oog op het binnen aanvaardbare grenzen houden van geluidhinder een afstand van minimaal 10 meter aanbevolen tussen in een rustige woonwijk met weinig verkeer gelegen woningen en bouwmarkten. De Brochure gaat voor de genoemde woningen uit van een richtwaarde voor de dagperiode van 45 dB(A). In de hieronder genoemde akoestische onderzoeken is voor het voorziene appartementencomplex eveneens uitgegaan van een richtwaarde van 45 dB(A). De Brochure bevat geen aanbevelingen omtrent piekgeluid en de geluidbelasting vanwege verkeer van en naar de inrichting.

2.6.7.    In de circulaire van het Ministerie van VROM van 29 februari 1996 getiteld "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet Milieubeheer" geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) voor de   geluidsbelasting op gevels van woningen vanwege het verkeer van en naar de inrichting.

2.6.8.    Ten behoeve van de planvaststelling heeft de RMD twee onderzoeken naar de geluidsbelasting op de gevels van het voorziene appartementencomplex uitgevoerd.

   In het onderzoek van februari 2004 staat dat het equivalente geluidsniveau vanwege Doeland op de gevel van het voorziene appartementencomplex maximaal 53 dB(A) bedraagt. Het piekniveau bedraagt gedurende de dagperiode 82 dB(A) als gevolg van het laden en lossen ten behoeve van Doeland. De geluidsbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting bedraagt gedurende de dagperiode maximaal 58 dB(A).

De RMD concludeert dat er bij Doeland geluidwerende maatregelen getroffen kunnen worden die de overschrijding teniet zullen doen. In dit verband worden onder meer een verplaatsing van de laad- en loslocatie genoemd en de oprichting van een akoestisch scherm van 1,8 meter op de perceelsgrens van Doeland.

   In het aanvullende onderzoek van februari 2005 wordt uitgegaan van het voornemen het appartementencomplex 2 meter naar het zuidoosten te verplaatsen om te voorzien in een ruimere laad- en loslocatie voor Doeland. Uit het onderzoek volgt dat in deze situatie het equivalente geluidsniveau vanwege Doeland maximaal 51 dB(A) bedraagt. Het piekniveau als gevolg van het laden en lossen bedraagt in deze situatie gedurende de dagperiode 74 dB(A). Voor de geluidsbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting wordt in deze situatie voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

Ten aanzien van de geluidwerende maatregelen wordt in dit onderzoek opgemerkt dat enkel geluidwerende maatregelen in de overdrachtsfeer mogelijk zijn en dat met de oprichting van een akoestisch scherm van 2 meter op de grens van de inrichting (behoudens de in- en uitrit) aan de geluidsnorm kan worden voldaan.

2.6.9.    Naar aanleiding van de uitspraak van de Voorzitter van 30 mei 2006 in de zaak 200601373/2, waarin twijfel is uitgesproken over de uitvoerbaarheid van het plaatsen van een akoestisch scherm en het goedkeuringsbesluit is geschorst, heeft de RMD de geluidsbelasting vanwege Doeland nogmaals beoordeeld.

In de aanvullende notitie van juli 2006 staat dat in de voorgaande onderzoeken met onjuiste immissiehoogten is gewerkt en dat een akoestisch scherm met een hoogte van 2 meter nimmer effectief kan zijn, omdat de middenhoogte van de eerste bouwlaag met appartementen 5,8 meter bedraagt. Bovendien vermeldt de notitie dat geen rekening is gehouden met de werkelijke laad- en losactiviteiten bij Doeland op een representatieve dag.

De notitie vermeldt dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat bij een afstand van 8 meter tussen Doeland en het voorziene appartementencomplex een geluidsbelasting van maximaal 53 dB(A) op de gevel van het complex optreedt. Het piekniveau bedraagt in deze situatie maximaal 78 dB(A). Verder staat in de notitie dat de geluidsbelasting vanwege het verkeer van en naar Doeland bij een afstand van 8 meter tot Doeland maximaal 55 dB(A) bedraagt.

   Bij het opschuiven van het appartementencomplex, zodat een afstand van ongeveer 10 meter tot het betreffende bedrijf wordt aangehouden, bedraagt de geluidsbelasting vanwege Doeland maximaal 51 dB(A) met een piekniveau van 77 dB(A). De geluidsbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting bedraagt in dat geval maximaal 52 dB(A).

2.6.10.    In het deskundigenbericht wordt gesteld dat uit de onderzoeken blijkt dat de geluidsnorm en de richtwaarde nog altijd worden overschreden en dat geen rekening is gehouden met mogelijke, uitstekende balkons aan de noordgevel van het appartementencomplex.

2.6.11.    De gemeenteraad heeft zich naar aanleiding van het deskundigenbericht op het standpunt gesteld dat de geluidsbelasting op het appartementencomplex beoordeeld dient te worden aan de hand van het Besluit en de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening. Volgens de gemeenteraad moet in dit verband dan ook onderscheid worden gemaakt in directe en indirecte geluidhinder en behoeven de piekniveaus vanwege het laden en lossen ingevolge het Besluit niet getoetst te worden. Indien de voorziene woningbouw op ongeveer 10 meter van Doeland wordt gebouwd en de aan de directe- en indirecte hinder toe te delen activiteiten worden gesplitst, wordt aan de geluidsnormen voldaan, aldus de gemeenteraad. Daaraan voegt de gemeenteraad toe dat voor deze nieuwbouwwoningen nabij een bestaand bedrijf een richtwaarde van 50 dB(A) geldt, welke na een bestuurlijk afwegingsproces verhoogd kan worden naar 55 dB(A) etmaalwaarde. Ten slotte stelt de gemeenteraad dat geluidwerende maatregelen de geluidsbronnen binnen Doeland niet of nauwelijks kunnen reduceren.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Ten aanzien van de cultuurhistorische waarde van de Bult van Pars overweegt de Afdeling dat, ondanks hetgeen [appellant sub 1] hierover in beroep naar voren heeft gebracht en hetgeen in het deskundigenbericht op dit punt is vermeld, verweerder noch de gemeenteraad ter zitting een standpunt hebben ingenomen omtrent de vraag of de Bult van Pars vroeger deel uitmaakte van de vestingwerken. De stukken geven hierover evenmin uitsluitsel. Derhalve is niet duidelijk of en in hoeverre de Bult van Pars cultuurhistorische waarden vertegenwoordigt. Uit nader onderzoek zal moeten blijken of dit het geval is, en zo ja, of en in hoeverre dit in het bestemmingsplan tot uitdrukking zou moeten komen. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.8.    Wat betreft de door [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] gevreesde parkeeroverlast in het plangebied overweegt de Afdeling allereerst dat uit de parkeerbalans volgt dat bij het berekenen van de vraag naar parkeerplaatsen in het onderzoeksgebied geen rekening is gehouden met de parkeervraag als gevolg van de in het plan voorziene detailhandelsruimte met een vloeroppervlak van 350 m2. Voorts is niet uitgesloten dat de in het onderzoeksgebied aanwezige parkeerplaatsen niet altijd beschikbaar zullen zijn vanwege het medegebruik van deze parkeerplaatsen door bezoekers van het kernwinkelgebied. Ten slotte heeft verweerder zich wat betreft het huidige gebruik van de Bult van Pars voor parkeerdoeleinden op een onjuist standpunt gesteld. Uit het voorgaande plan volgt immers, anders dan verweerder in zijn besluit stelt, dat de Bult van Pars in dat plan gedeeltelijk was bestemd als "Parkeerterrein". Omtrent de vraag in hoeverre dit gevolgen heeft voor de parkeerbalans kan thans geen uitspraak worden gedaan. Dit zal, in samenhang met hetgeen hierboven is overwogen, opnieuw moeten worden onderzocht. Gelet hierop kon verweerder zich zonder aanvullend onderzoek niet op het standpunt stellen dat aan de uitkomsten van het parkeeronderzoek niet behoefde te worden getwijfeld. Gelet hierop is het besluit ook in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.9.    Wat betreft het in het plan voorziene appartementencomplex stelt de Afdeling voorop dat er weliswaar een voornemen bestaat dit complex in zuidoostelijke richting te verschuiven, zodanig dat een afstand van ongeveer 10 meter zal zijn gelegen tussen Doeland en het appartementencomplex, maar dat dit niet afdoet aan het feit dat het plan de bouw van een appartementencomplex op 8 meter van Doeland mogelijk maakt.

   Ten aanzien van de geluidsbelasting op het appartementencomplex overweegt de Afdeling dat blijkens het in overweging 2.6.9. genoemde, meest recente akoestische onderzoek, alsmede het deskundigenbericht, niet aan de geluidsnorm voor het equivalente geluidsniveau zoals neergelegd in het Besluit kan worden voldaan. Evenmin kan worden voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) die, gegeven de typering van het plangebied, voor de gevel van het voorziene appartementencomplex geldt. Wat betreft de typering van het plangebied ziet de Afdeling geen grond de stelling van de gemeenteraad te volgen dat het plangebied bij nader inzien zou moeten worden getypeerd als een woonwijk in een stad waarvoor een richtwaarde van 50 dB(A) geldt. Weliswaar is in het akoestische onderzoek van februari 2004 vermeld dat voor de gevels van de appartementen aan de Oliemolenstraat en de Westerstraat een richtwaarde van 50 dB(A) geldt, maar in het vervolg van dat onderzoek alsook in de daarop volgende onderzoeken is voor de voor Doeland relevante gevels van het appartementencomplex consequent uitgegaan van een richtwaarde van 45 dB(A). Mede gelet op het inwoneraantal van Klundert komt een typering van de naaste omgeving als "rustige woonwijk met weinig verkeer" de Afdeling niet onjuist voor.  

Voorts blijkt uit het meest recente akoestische onderzoek dat de geluidsbelasting vanwege het verkeer van en naar Doeland de in overweging 2.6.7. vermelde voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overschrijdt. Tevens leidt het laden en lossen ten behoeve van Doeland tot een overschrijding van de richtwaarde van 70 dB(A) voor piekgeluid op de gevel van het appartementencomplex. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat geluidwerende maatregelen, zoals de oprichting van een akoestisch scherm, zo dit al te plaatsen is, niet of nauwelijks effectief zullen zijn. Bovendien wordt, gelet op de geconstateerde overschrijdingen van de geluidsnormen op de gevel van het appartementencomplex, aannemelijk geacht dat de geluidsbelasting op de aldaar voorziene balkons nog hoger zal zijn.

   Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het plan thans niet meer voor volledige goedkeuring in aanmerking zou komen, maar slechts voor zover tussen het appartementencomplex en Doeland een afstand van ongeveer 10 meter is gelegen. De Afdeling overweegt echter dat uit het laatste akoestische onderzoek blijkt dat zelfs indien het appartementencomplex op ongeveer 10 meter afstand van Doeland zal worden gebouwd, niet aan de geluidsnormen kan worden voldaan.

   Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk is dat bij het voorziene appartementencomplex een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd dan wel dat de bedrijfsvoering van Doeland door het plan niet wordt beperkt.

   Het standpunt van de gemeenteraad zoals weergegeven in overweging 2.6.11. leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling overweegt in dit verband dat met het voldoen aan de geluidnormen uit het Besluit - waarvan in dit geval echter geen sprake is - niet zonder meer vaststaat dat van een goede ruimtelijke ordening kan worden gesproken. Hoewel de geluidsnormen uit het Besluit als aanknopingspunt kunnen worden gebruikt bij deze beoordeling, dient in het kader van een bestemmingsplanprocedure tevens rekening te worden gehouden met geluidhinder die op grond van het Besluit buiten beschouwing kan of moet worden gelaten.  

2.10.    Gelet op hetgeen in overweging 2.7. en 2.8. is overwogen dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Bovendien heeft verweerder zich, gelet op overweging 2.9., niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan goed te keuren, eveneens heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepen van [appellanten sub 3] en [appellant sub 1] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

   Nu het beroep van [appellanten sub 2] eveneens is gericht tegen de goedkeuring van dit plandeel is ook dit beroep gegrond.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellanten sub 3] en [appellant sub 1], alsmede de beroepsgronden van [appellanten sub 2] geen bespreking meer.

   Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om zelf in de zaak voorziend goedkeuring aan het plan te onthouden.

Proceskostenveroordeling

2.11.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 31 januari 2006, no. 1117456;

III.    onthoudt goedkeuring aan het plan;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1350,35 (zegge: duizend driehonderdvijftig euro en vijfendertig cent), waarvan een gedeelte groot € 1244,00 (zegge: duizend tweehonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient als volgt door de provincie Noord-Brabant aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

- [appellant sub 1]: een bedrag van € 40,32

- [appellanten sub 2]: een bedrag van € 666,03

- [appellanten sub 3]: een bedrag van € 644,00

VI.    gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor  appellant [appellant sub 1], € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro), voor [appellanten sub 2] en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellanten sub 3], vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van E.J. Nolles, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                                    w.g. Nolles

Voorzitter                                       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

291-461.