Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6492

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200607279/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlist (hierna: het college) aan Woningbouwvereniging Haastrecht-Vlist (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van het woongebouw "Hof van Stein" aan de Veerlaan te Haastrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607279/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/8296 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 augustus 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlist.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlist (hierna: het college) aan Woningbouwvereniging Haastrecht-Vlist (hierna: vergunninghoudster) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van het woongebouw "Hof van Stein" aan de Veerlaan te Haastrecht.

Bij besluit van 6 oktober 2005 heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering wat betreft de aspecten privacy en bezonning.

Bij uitspraak van 14 augustus 2006, verzonden op 24 augustus 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Het college heeft bij besluit van 12 september 2006 opnieuw vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van het woongebouw "Hof van Stein" aan de Veerlaan te Haastrecht.

Tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 augustus 2006 heeft appellant bij brief van 2 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2007, waar appellant, in persoon, bijgestaan door A. van Meijeren, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Zevenhuizen, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster verschenen, vertegenwoordigd door R. Tijssen.

2.    Overwegingen

2.1.     Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen een door de rechtbank ten overvloede gegeven overweging. Van deze overweging kan niet worden gezegd dat deze dragend is voor het dictum van de aangevallen uitspraak. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.

2.2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.3.    Bij besluit van 12 september 2006 heeft het college opnieuw vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van het woongebouw "Hof van Stein". De Afdeling merkt dit besluit aan als nieuwe beslissing op het door appellant tegen het besluit van 4 mei 2005 gemaakte bezwaar. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen, wordt het hoger beroep van appellant, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juli 2000, in zaak no. 199900352/1 (JB 2000/246), kan de omstandigheid dat het hoger beroepschrift van later datum is dan die nieuwe beslissing, niet aan de toepassing van genoemde artikelen in de weg staan. De Afdeling zal derhalve de nieuwe beslissing op bezwaar in haar oordeel betrekken.

2.4.    De gronden die appellant in beroep heeft aangevoerd hebben alle betrekking op de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening die het college heeft verleend van het bestemmingsplan "Stein". Het bestemmingsplan "Stein, herziening Hof van Stein" voorziet in de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling. Dit bestemmingsplan is door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op 20 december 2005 goedgekeurd. Het bouwplan is daarmee in overeenstemming. Het tegen dit goedkeuringsbesluit ingestelde beroep bij de Afdeling is bij uitspraak van 25 oktober 2006, in zaak no. 200601252/1, ongegrond verklaard. Als gevolg hiervan is het bestemmingsplan "Stein, herziening Hof van Stein" onherroepelijk geworden.     Indien het beroep van appellant zou leiden tot vernietiging van het besluit van 12 september 2006, zou het college een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen, waarbij het bouwplan aan dit bestemmingsplan moet worden getoetst. Aangezien het daarmee in overeenstemming is, zou voor het bouwplan bouwvergunning kunnen worden verleend zonder dat daarvoor vrijstelling van het bestemmingsplan nodig is.

   Uit het vorenstaande volgt dat appellant geen belang meer heeft bij de beoordeling van het beroep.

2.5.    Het beroep van appellant is niet-ontvankelijk.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het door appellant tegen het besluit van 12 september 2006 ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

163-494.