Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6490

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200606946/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 25 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (hierna: het college) geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het vervangen van een stacaravan door een chalet op het perceel, plaatselijk bekend als Ballingbuer 7A te Goingarijp, gemeente Skarsterlân (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/313
JOM 2008/843
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606946/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rujomiphi B.V.", gevestigd te Deurne,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1692 van de rechtbank Leeuwarden van 21 augustus 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân.

1.    Procesverloop

Bij brief van 25 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân (hierna: het college) geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het vervangen van een stacaravan door een chalet op het perceel, plaatselijk bekend als Ballingbuer 7A te Goingarijp, gemeente Skarsterlân (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 augustus 2006, verzonden op 23 augustus 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en de bezwaren van appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 18 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 september 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 8 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], en mr. M.R. Molenaar, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door E.G. Buurstra, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat de beslissing van 25 oktober 2004 niet is te beschouwen als een besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt, buiten de grenzen van het geschil is getreden. Hiertoe voert appellante aan dat het aan deze beslissing ten grondslag liggende verzoek niet een verzoek tot verruiming van een gedoogbeschikking betrof, maar een verzoek tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning.

2.1.1.    Door te toetsen of het bij haar ingestelde beroep gericht was tegen een beslissing op een ontvankelijk bezwaar is de rechtbank niet buiten de grenzen van het geding getreden. De vraag naar de ontvankelijkheid van het tegen een primair besluit ingesteld bezwaar en het rechtskarakter van het primaire besluit behoort door de rechtbank ambtshalve te worden getoetst.

   Het betoog van appellante dat de rechtbank heeft miskend dat de beslissing van 25 oktober 2004 moet worden beschouwd als een besluit omtrent de vrijstelling en bouwvergunning, slaagt.

Bij brief van 18 augustus 2004 heeft het college in reactie op een daartoe strekkend verzoek van appellante van 20 november 2003 te kennen gegeven geen planologische medewerking te zullen verlenen aan vervanging van de stacaravan op het perceel. In deze brief heeft het college appellante erop gewezen dat zij binnen twee weken kenbaar dient te maken of zij een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing wenst. Bij brief van 10 augustus 2004 heeft appellante daar expliciet om verzocht. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat dit verzoek, in samenhang met het verzoek van 20 november 2003, niet is te beschouwen als een aanvraag tot, en de beslissing daarop niet als een beslissing omtrent het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning, waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat bij het besluit van 10 augustus 2005 het bezwaar ten onrechte ontvankelijk is geacht.

2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante beoordelen.

2.3.    In beroep heeft appellante betoogd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Skasterlân" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor wonen aangewezen gronden bestemd voor wonen, aan huis gebonden beroepen en bestaande recreatieve bewoning. In artikel 8, tweede lid, onder a, aanhef en sub 3, van de voorschriften is bepaald dat het aantal woningen per bestemmingsvlak niet meer dan het bestaande aantal bedraagt, dan wel het op de plankaart aangegeven aantal. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder o, van de planvoorschriften wordt onder 'woning' verstaan: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.                

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder p, van de planvoorschriften wordt onder 'recreatiewoning' verstaan: een gebouw dat dient als recreatiewoonverblijf, waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.                                        

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder t, van de planvoorschriften wordt onder 'bestaand gebruik' verstaan: het gebruik dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van het desbetreffende gebruiksverbod.        

2.5.    De bestaande stacaravan werd ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds recreatief bewoond. Gelet op het bepaalde in artikel 8, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 1, onder t, van de planvoorschriften is op het perceel derhalve sprake van bestaande recreatieve bewoning. Ten behoeve van bestaande recreatieve bewoning mag ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften op het perceel worden gebouwd. Het vervangen van de stacaravan door een chalet is derhalve niet in strijd met dit planvoorschrift. Van strijd met artikel 8, tweede lid, onder a, aanhef en sub 3, van de planvoorschriften is evenmin sprake. Nu zowel de stacaravan als het chalet - naar tussen partijen ook niet in geschil is - recreatiewoningen als omschreven in artikel 1, aanhef en onder o, van de planvoorschriften zijn, is van een toename van het bestaande aantal woningen op het bestemmingsvlak geen sprake. Het betoog van appellante slaagt.

2.6.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 10 augustus 2005 dient te worden vernietigd. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 augustus 2006 in zaak no. 05/1692;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân van 10 augustus 2005;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Skarsterlân aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Skarsterlân aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 422,00 (zegge: vierhonderdtweeëntwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Heusden

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

163-494.