Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200700203/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2006 heeft verweerder enkele voorschriften van de voor de inrichting van appellante verleende vergunning van 29 april 2003 gewijzigd en enkele nieuwe voorschriften aan die vergunning verbonden. Dit besluit is op 7 december 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2007/49 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700203/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2006 heeft verweerder enkele voorschriften van de voor de inrichting van appellante verleende vergunning van 29 april 2003 gewijzigd en enkele nieuwe voorschriften aan die vergunning verbonden. Dit besluit is op 7 december 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 8 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 januari 2007.

Bij brief van 13 februari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 mei 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.B.J. Reijnders en H. Beckers, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.H.M.M. de Jongh en ing. G.G.A.T. Soons, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante kan zich niet met de voorschriften inzake de financiële zekerheidsstelling verenigen. Zij voert hiertoe - kort weergegeven - aan dat verweerder alle vrachtwagenbanden die in de inrichting worden opgeslagen ten onrechte als afvalstoffen heeft aangemerkt en dat het bedrag waarvoor de financiële zekerheidsstelling moet worden gesteld te hoog is.

2.2.    Bij uitspraak van 22 februari 2007, in zaak no. 200700203/2, heeft de Voorzitter het verzoek van appellante om een voorlopige voorziening ten aanzien van het bestreden besluit afgewezen. Daarbij heeft de Voorzitter geoordeeld - kort weergegeven - dat alle in de inrichting opgeslagen banden moeten worden aangemerkt als afvalstof en dat verweerder niet is uitgegaan van te hoge verwijderingskosten.

2.3.    De Afdeling ziet op basis van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen aanleiding om over de beroepsgronden van appellante anders te oordelen dan de Voorzitter bij de uitspraak van 22 februari 2007 heeft gedaan. Daarbij is in aanmerking genomen dat de opslag van nieuwe banden niet is aangevraagd en vergund en dat de aanwezigheid van een bandenmuur binnen de inrichting noch de voorgenomen compartimentering   relevant is voor de vraag of het hier gaat om afvalstoffen. De Afdeling is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de voorschriften inzake de financiële zekerheidsstelling aan de vergunning heeft kunnen verbinden.

2.4.    Het beroep is ongegrond.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van der Maesen de Sombreff

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

190-542.