Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200604719/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2005 heeft de gemeenteraad van Veendam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 augustus 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied Veendam, herziening 2004" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604719/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2005 heeft de gemeenteraad van Veendam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 augustus 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied Veendam, herziening 2004" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 april 2006, no. 2005-19.940/17/B.4, RP, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 27 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 juni 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 september 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 17 november 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 april 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door E.J. van der Kooi en J. Kamphuis, ambtenaren van de provincie, is verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan dat mede is opgesteld om te voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het onderhavige plan is tot stand gekomen naar aanleiding van het onthouden van goedkeuring aan een aantal planonderdelen van de herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 1997". Naast het voldoen aan artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, is er voor gekozen om enkele ontwikkelingen, die zich in de jaren na de vaststelling van vorengenoemd plan hebben voorgedaan, mee te nemen bij de onderhavige herziening. Tot die ontwikkelingen behoort het aanleggen van een nieuwe vaarverbinding tussen het Zuidlaardermeer en het Oost-Groninger vaarcircuit.

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Water" en de bij de Kielsterachterweg op de plankaart aangebrachte aanduiding "brug". Deze elementen zien op de beoogde vaarverbinding tussen het Zuidlaardermeer en het Oost-Groninger vaarcircuit.

2.4.1.    Appellant stelt dat de noodzaak voor de vaarverbinding niet aanwezig is nu er al een andere vaarroute bestaat. Verder is het in het plan vastgelegde tracé voor de vaarverbinding landschappelijk ongewenst omdat het open veenkoloniale landschap zal worden verstoord, aldus appellant. Voorts vreest appellant nadelige gevolgen in de vorm van vermindering van uitzicht en geluidsoverlast. Appellant stelt dat er onvoldoende onderzoek is gedaan en onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. Verder stelt appellant dat niet is gebleken dat de ecologische waarden die door het oorspronkelijke tracé zouden worden geschaad, beschermde waarden zijn. Voorts had volgens appellant een door hem gewenst alternatief, waaraan volgens hem minder bezwaren zijn verbonden, in het onderzoek meegenomen moeten worden. Appellant vreest dat door de voorziene brug, en met name de situering daarvan ten opzichte van zijn eigen uitweg op de provinciale weg, de verkeersveiligheid in gevaar komt. Tenslotte zal volgens appellant door de verwezenlijking van het plan de waarde van zijn woning dalen.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft het plandeel en de aanduiding niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft deze goedgekeurd.

Verweerder stelt hiertoe dat het aanleggen van de vaarverbinding onderdeel uitmaakt van een provinciaal project om Oost-Groningen aantrekkelijk en toegankelijk te maken voor recreatieve scheepvaart. De vaarverbindingen tussen het Zuidlaardermeer en Oost-Groningen maken het mogelijk om via het Zuidlaardermeer door te varen en zorgen ervoor dat er verschillende rondvaartroutes in de Veenkoloniën ontstaan. De onderhavige vaarverbinding zal naast de vaarroute via Bareveld bestaan en vervangt deze niet. Volgens verweerder zijn de negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat van appellant niet zodanig dat van het tracé moet worden afgezien. De hoogte van de dijklichamen bedraagt slechts circa een meter, aldus verweerder. De meerkosten van het door appellant gewenste alternatief zijn volgens verweerder € 400.000,- als gevolg van het moeten aanpassen van vijf gasleidingen in plaats van twee in het geval van het gekozen alternatief.

Verweerder stelt dat gelet op de te nemen verkeersmaatregelen en het feit dat het wegontwerp een zichtafstand garandeert die gelijk is aan het benodigde stopzicht, er geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid. Bij de verdere uitwerking van het plan zullen aanvullende maatregelen, zoals het herkenbaar maken van de erfontsluitingen als zijweg door middel van bebording en markering, het gedeeltelijk verharden van het kavelpad om besmeuring met grond door landbouwvoertuigen te voorkomen, een snelheidsbeperking en een getrokken middenlijn, de aandacht krijgen, aldus verweerder.

De vaststelling van de feiten

2.6.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.1.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor kanalen, vaarten, sloten, en andere watergangen met daarbij behorende natuurlijke en landschappelijke waarden, gebouwen voor de waterbeheersing, oeverstroken, andere bouwwerken en andere werken.

Ter plaatse van de aanduiding "brug" zijn de gronden tevens bestemd voor een brug.

2.6.2.    Op de plankaart heeft het geplande tracé een breedte van circa 48 meter. De vaarverbinding zelf zal volgens de bestektekeningen een breedte hebben van circa 20 meter en aan beide zijden worden voorzien van een kwelsloot met een breedte van circa 6 meter.

   De afstand tussen de woning van appellant en de voorziene vaarverbinding bedraagt circa 160 meter. De woning van appellant is op het zuiden georiënteerd, aan welke zijde zich de meeste ramen en de tuin bevinden. De vaarverbinding is ten noorden van de woning voorzien.

2.6.3.    In het rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: het deskundigenbericht) is aangegeven dat zich in de huidige situatie op het Oosterdiep circa 1200 vaarbewegingen per jaar voordoen. Als wordt aangenomen dat op het onderhavige tracé zich een gelijk aantal vaarbewegingen zal voordoen, welke aanname wellicht hoog is gezien de geïsoleerde ligging van het onderhavige tracé in vergelijking met de ligging van het Oosterdiep, en wordt uitgegaan van een vaarseizoen van 16 weken, komt het aantal vaarbewegingen neer op maximaal gemiddeld 75 per week. Verder heeft het tracé een doorgaand karakter, waardoor eventuele geluidsbelasting slechts van tijdelijke aard is.

2.6.4.    In het deskundigenbericht is vermeld dat het hoogste punt van de brug op de kruising van de vaarverbinding met de Kielsterachterweg op circa 160 meter van de uitrit van appellant ligt. Voor de Kielsterachterweg geldt een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Met deze snelheid doet een auto er circa 7 seconden over om de uitrit van appellant te bereiken. De gemiddelde reactiesnelheid van een mens ligt aanzienlijk lager. Volgens de deskundige zal, mede gelet op de door verweerder genoemde maatregelen, geen sprake zijn van een onoverzichtelijke verkeerssituatie.

2.6.5.    In het rapport van Buro Bakker Adviesbureau voor de Ecologie van 9 december 2003 is gesteld dat ter plaatse van het oorspronkelijk voorziene tracé drijvende waterweegbree voorkomt.

Drijvende waterweegbree is een strikt beschermde soort die is vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Het voorkomen van deze strikt beschermde soort duidt, zo wordt in dit rapport gesteld, op specifieke, zeer moeilijk vervangbare omgevings- en milieufactoren waardoor compensatie nauwelijks mogelijk is.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.    Wat betreft de stelling van appellant dat door de voorziene brug de verkeersveiligheid zal verminderen, overweegt de Afdeling dat, zoals in overweging 2.6.4. is weergegeven, de deskundige heeft gesteld dat geen sprake zal zijn van een onoverzichtelijke verkeerssituatie. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene brug niet tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid op de Kielsterachterweg leidt.

   Voor zover appellant stelt dat de noodzaak voor de vaarverbinding niet aanwezig is omdat reeds een vaarroute bestaat, overweegt de Afdeling dat met de aanleg van de vaarverbinding een verbetering van de toeristische condities en daarmee van de economie van het gebied wordt nagestreefd. Het standpunt van verweerder dat het bestaan van meerdere vaarroutes de aantrekkelijkheid van het gebied voor toeristen vergroot en dat daarom onderhavige vaarroute van belang is voor het gebied, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk.

   Voor zover appellant stelt dat het onderhavige gebied in de huidige situatie rust en vrijheid biedt en dat door de aanleg van de vaarverbinding het landschap en daarmee zijn uitzicht wordt aangetast en hij geluidsoverlast zal ondervinden, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Mede gelet op hetgeen in overwegingen 2.6.2 en 2.6.3. is weergegeven, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij meer dan beperkte geluidsoverlast zal ondervinden vanwege de vaarverbinding. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat door de vaarverbinding de openheid van het landschap en daarmee zijn uitzicht in meer dan beperkte mate wordt aangetast. Verweerder heeft in zoverre in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met de aanleg van de vaarverbinding dan aan het door appellant genoemde belang.

   Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellant betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

   Wat betreft de stelling van appellant dat het door hem gewenste alternatief de voorkeur verdient boven het in geding zijnde tracé, overweegt de Afdeling tenslotte dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. Overigens heeft appellant, mede gelet op overweging 2.6.5., niet aannemelijk gemaakt dat de nadelen die volgens verweerder verbonden zijn aan het door appellant genoemde alternatief niet bestaan.

2.7.1.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel en de aanduiding niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Water" en de in overweging 2.4. bedoelde aanduiding.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Van Dorst

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

357-535.