Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6481

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200602776/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft de gemeenteraad van Westvoorne, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 juli 2005, het bestemmingsplan "Raadhuislaan/Dwarsweg" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/469
JBO 2007/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602776/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft de gemeenteraad van Westvoorne, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 juli 2005, het bestemmingsplan "Raadhuislaan/Dwarsweg" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 februari 2006, kenmerk DRM/ARB/05/9338A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 10 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2006, en appellanten sub 2 bij brief van 13 april 2006, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 juli 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne en van appellanten sub 1. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 12 oktober 2006 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2007, waar appellanten sub 1, in de persoon van [gemachtigde], en appellanten sub 2 , vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P. Schravendijk, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Westvoorne, vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, ir. J.S. Bennema, L.J.W.J.M. de Backker, mr. drs. S.A.B. Boer en G.H. Groeneveld, ambtenaren van de gemeente.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van de gemeenteraad van Westvoorne. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. Bij brief van 17 april 2007, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, is van de zijde van appellanten sub 2 een reactie ingediend. Bij brief van 30 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2007, is van de zijde van appellanten sub 1 een reactie ingediend. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2.    [appellant sub 1B] heeft tegen het plan geen bedenkingen ingebracht bij verweerder.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college van gedeputeerde staten. Dit is slechts anders voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest bedenkingen in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

   Het beroep van [appellanten sub 1] is, voor zover het is ingediend door [appellant sub 1B], dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formeel aspect

2.4.    Appellante sub 1 heeft als formeel bezwaar aangevoerd dat de publicatie van het bestreden besluit te laat heeft plaatsgevonden en dat zij te laat op de hoogte is gesteld van de terinzagelegging van het goedgekeurde plan.

2.4.1.    Het bezwaar heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het plan

2.5.    Het plan voorziet in de nieuwbouw van woon- en zorgcentrum de Swinshoek op de locatie Raadhuislaan/Dwarsweg. Het betreft een woon- en zorgcentrum met zorgappartementen in de sociale huursector, woningen in de sociale en middendure huur- en koopsector en zorgunits met de bijbehorende ruimten voor zorg- en commerciële dienstverlening.

Het standpunt van appellanten

2.6.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voeren hiertoe aan dat de locatie aan de Raadhuislaan/Dwarsweg te klein is voor het woon- en zorgcentrum en dat de voorziene bebouwing te groot en te hoog is in vergelijking met de kleinschalige bebouwing in de omgeving. De realisering van het plan op voornoemde locatie leidt bovendien tot schade aan de nabijgelegen woningen; door rioleringswerkzaamheden is reeds schade ontstaan.

   Volgens appellanten wordt de verkeerssituatie door de bouw van het woon- en zorgcentrum onveiliger. Daarnaast vrezen zij voor verkeer- en parkeeroverlast. De in het plan opgenomen parkeernorm is ontoereikend, aldus appellanten. Appellante sub 1 is bovendien van mening dat de zogenoemde natuurtoets die aan het plan ten grondslag is gelegd zeer beperkt en onvolledig is geweest, omdat uitsluitend in november een veldonderzoek heeft plaatsgevonden. Volgens appellante sub 1 had jaarrond een natuuronderzoek dienen plaats te vinden. Appellanten zijn voorts van mening dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit onvolledig is en dat het plan in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005. Appellanten sub 2 voeren hiertoe aan dat in het onderzoek de emissie van zwevende deeltjes (PM10) niet is meegenomen en dat geen rekening is gehouden met de verkeersaanzuigende werking van het woon- en zorgcomplex. Daarnaast stellen appellanten dat niet wordt voldaan aan de in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering", uitgave 1999 (hierna: de VNG-brochure) genoemde afstanden. Appellante sub 1 voert hiertoe aan dat de nieuwbouw binnen tien meter van een begraafplaats wordt opgericht terwijl appellanten sub 2 betogen dat binnen 30 meter van de omliggende woningen wordt gebouwd. Appellanten sub 2 stellen voorts dat de in artikel 7 van de planvoorschriften opgenomen regeling de archeologische waarden in het plangebied onvoldoende beschermt. Daarnaast zijn appellanten van mening dat de bouw van het woon- en zorgcentrum zal leiden tot aantasting van het woon- en leefklimaat ten gevolge van aantasting van de privacy, schaduwwerking en vermindering van het uitzicht en hierdoor ook tot een waardevermindering van hun woningen. Voorts is volgens appellanten in het plan onvoldoende rekening gehouden met de waterhuishoudkundige situatie. Appellante sub 1 voert hiertoe aan dat in het plan ten onrechte niet wordt voorzien in een waterberging.

   Appellanten voeren aan dat de gemeenteraad zich bij de locatiekeuze uitsluitend heeft laten leiden door financiële belangen. In dit verband hebben zij aangevoerd dat voor de verwezenlijking van het plan wordt uitgegaan van het verkrijgen van een subsidie van de Rijksoverheid, doch dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat voor 1 januari 2007 met de bouw van het woon- zorgcomplex is begonnen. Volgens appellanten is alleen voor deze locatie gekozen, omdat op deze locatie aan laatstgenoemde voorwaarde zou kunnen worden voldaan. Bovendien twijfelen appellanten of de benodigde subsidie zal worden verleend.

Het standpunt van verweerder

2.7.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft het plan goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.8.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1.    Het gebied waarop het plan betrekking heeft, is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, dicht tegen de dorpskern van Rockanje aan. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de Raadhuislaan/Zeeweg, aan de oostzijde door een begraafplaats, aan de zuidzijde door de Bijlaardhof en aan de westzijde door de Dwarsweg.

   Appellanten wonen rond het plangebied.

2.8.2.    Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in één bouwvlak met de bestemming "Maatschappelijke doeleinden en Woondoeleinden", waarop de nieuwbouw is geprojecteerd. De oppervlakte van het bouwvlak bedraagt ongeveer 10.200 m2 en het vlak mag voor 75% worden bebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte van de nieuwbouw varieert van 12 tot 15,5 respectievelijk van 8,5 tot 13 meter.

   Aan de noord- en westzijde van het plangebied staan woningen met een maximale hoogte van 10 respectievelijk 9 meter. De afstand van de nieuwbouw tot de bestaande bebouwing bedraagt aan de noordzijde van het plangebied ten minste 25 meter en aan de westzijde ten minste 32 meter.

2.8.3.    Door Akertech is in opdracht van het gemeentebestuur onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de verkeersintensiteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkeerskundige toets "Nieuwe Swinshoek" Rockanje", gedateerd 12 mei 2005. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de toename van de verkeersbewegingen als gevolg van de voorziene nieuwbouw beperkt is en dat de huidige capaciteit van de wegvakken de beperkte verkeerstoename eenvoudig kunnen verwerken zonder dat er capaciteitsproblemen optreden.

   Voorts is door Akertech een aanvullend rapport "Verkeerskundige toets "Nieuwe Swinshoek" Rockanje - aanvulling notitie verkeerskundige toets" opgesteld, gedateerd augustus 2006. Hierin staat met betrekking tot de berekende verkeersintensiteiten ten gevolge van het plan dat is uitgegaan van algemeen gehanteerde kencijfers en vuistregels, waarbij rekening is gehouden met het bij een woon- en zorgcentrum behorende autogebruik en verplaatsingsgedrag.

   In het deskundigenbericht staat dat de restcapaciteit op de wegen zodanig groot is dat, naast de toename van het verkeer ten gevolge van het plan, ook een forse autonome groei en zelfs enige pieken als gevolg van strand- en recreatief verkeer verwerkt kunnen worden. Voorts staat in het deskundigenbericht dat, wanneer het te bouwen complex in zijn eigen parkeerbehoefte kan voorzien, de verwezenlijking van het plan weinig toe- of afdoet aan de eventuele parkeerdrukte op drukke stranddagen.

2.8.4.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van het plan, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Maatschappelijke doeleinden en woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor:

c. gebouwde parkeervoorzieningen, met dien verstande dat deze uitsluitend zijn toegestaan in de kelder en in het souterrain en met dien verstande dat bijbehorende in- en uitritten (de toegangsdeur van de gebouwde parkeervoorziening voor auto’s) op minimaal 25 meter vanaf de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan bestaande woningen worden gesitueerd;

d. tuinen, groenvoorzieningen, water, oevervoorzieningen, openbare ruimte en in- en uitritten ten behoeve van parkeervoorzieningen.

   Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de voorschriften, voor zover hier van belang, geldt dat uitsluitend maatschappelijke voorzieningen en woningen zijn toegestaan indien binnen het plangebied wordt voldaan aan de volgende parkeernormen:

a. zelfstandige woningen: minimaal 1 parkeerplaats per woning;

b. niet zelfstandige woningen: minimaal 0,5 parkeerplaats per woning;

c. maatschappelijke voorzieningen: minimaal 1 parkeerplaats per 200 m2 bvo.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart als "Openbare ruimte" aangewezen gronden bestemd voor:

e. ongebouwde parkeervoorzieningen.

2.8.5.    In de nota "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom 2004" (hierna: ASVV 2004) wordt een norm van 1,3 tot 1,5 parkeerplaats per zelfstandige woning geadviseerd, inclusief een aandeel van 0,3 plaats per woning voor bezoekers.  

   In het deskundigenbericht staat dat het hanteren van een lagere norm per zelfstandige woning dan aanbevolen in de ASVV 2004 aanvaardbaar is wanneer deze woningen door bejaarden worden bewoond, omdat zij gemiddeld minder autobezit hebben.

2.8.6.    Naar de in het plangebied voorkomende dier- en plantensoorten is door Grontmij in opdracht van het gemeentebestuur een zogenoemde natuurtoets uitgevoerd, bestaande uit veld- en bronnenonderzoek. De resultaten van deze toets zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets Raadhuislaan/Dwarsweg", gedateerd 9 februari 2005. Hierin wordt geconcludeerd dat het plan geen onaanvaardbare aantasting van de eventueel aanwezige natuurwaarden inhoudt. Ter onderbouwing van de zorgvuldigheid van de verrichte natuurtoets is door Grontmij bij brief van 2 augustus 2006 aangegeven dat op basis van literatuurstudie en met gebruikmaking van verschillende bronnen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de provincie Zuid-Holland een beeld is verkregen van de mogelijk aanwezige natuurwaarden in het plangebied. Tevens is met het brengen van een veldbezoek op 19 november 2004 bepaald of het plangebied geschikt is voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij de beoordeling van de geschiktheid van het plangebied zijn de verschillende kenmerken van het gebied betrokken.

   Voorts is door Grontmij een aanvullend rapport "Actualisatie natuurtoets Raadhuislaan/Dwarsweg" opgesteld, gedateerd 30 augustus 2006. Hierin staat onder meer dat op 27 juli 2006 een aanvullend veldbezoek aan het plangebied is gebracht. Daarnaast is een amfibieën-, vissen- en flora-inventarisatie verricht op 11 en 14 augustus 2006. Ook in het aanvullend rapport wordt geconcludeerd dat het plan geen onaanvaardbare aantasting van de eventueel aanwezige natuurwaarden inhoudt.

   In het deskundigenbericht staat dat in de rapporten door de combinatie van literatuuronderzoek, herhaald locatiebezoek en expert-judgement een betrouwbaar beeld van de natuurwaarden in het plangebied kan worden gegeven en dat er geen redenen zijn om aan de conclusies van de natuurtoets te twijfelen.

2.8.7.    Op 5 augustus 2005 is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) in werking getreden. Uit artikel 37 van het Blk 2005 volgt dat het Blk 2005 op dit geding van toepassing is.

2.8.8.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

2.8.9.    Ten behoeve van het plan is door Grontmij onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 mei 2005 (hierna: het luchtkwaliteitrapport).

   In het luchtkwaliteitrapport wordt geconcludeerd dat voor alle getoetste stoffen, waaronder zwevende deeltjes (PM10), de norm wordt gehaald zowel bij autonome groei als bij realisatie van de projectlocatie Raadhuislaan/Dwarsweg. Er zijn geen overschrijdingen van de jaargemiddelden, noch van de vierentwintig-uurgemiddelden.

   In de plantoelichting staat dat in het onderzoek rekening is gehouden met de verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van het plan.

   In het deskundigenbericht staat dat er geen reden bestaat om aan de conclusie van voornoemd onderzoek te twijfelen.

2.8.10.    Volgens de plantoelichting is bij het opstellen van het plan gebruik gemaakt van de VNG-brochure. In de VNG-brochure wordt ter voorkoming van hinder een afstand van 10 meter aanbevolen tussen een rustige woonwijk en een begraafplaats en een afstand van 30 meter tussen een rustige woonwijk en een verpleeghuis.

   De afstand van de grens van de begraafplaats tot aan de dichtstbijzijnde gevel van de nieuwbouw bedraagt ongeveer 5,5 meter. De afstand tussen de dichtstbij staande woning en het woon- en zorgcentrum bedraagt ongeveer 15 meter. De afstand tot aan de overige woningen in de directe omgeving van het woon- zorgcomplex bedraagt ongeveer 25 meter of meer.

2.8.11.    Door het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam is in opdracht van het gemeentebestuur een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Westvoorne Rockanje Swinshoek - Een archeologische inventarisatie door middel van grondboringen" (hierna: het archeologisch rapport). Hierin wordt geconcludeerd dat in boring 26 een archeologische indicator is aangetroffen. Aanbevolen wordt om het areaal van boring 26 bij de komende inrichting van het plangebied te onderzoeken door middel van proefsleuven om de archeologische waarde vast te stellen. De overige boringen leverden geen archeologische indicatoren op. Als aanbeveling wordt gesteld dat buiten het areaal van boring 26 geen voorzieningen behoeven te worden getroffen om archeologische waarden te behouden of te ontzien.

2.8.12.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften is, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 6 van de voorschriften, ter plaatse van het plan uitsluitend bebouwing toegestaan voor zover geen bouwwerkzaamheden dienen te worden verricht die dieper reiken dan 0,5 meter beneden het peil.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, van de voorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het eerste lid mits de archeologische waarden dit gedogen. Alvorens vrijstelling te kunnen verlenen dient de aanvrager van de bouwvergunning aan het college een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van het desbetreffende terrein, naar het oordeel van het college, in voldoende mate zijn vastgesteld. Aan een vrijstelling kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen;

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een door de gemeente aan te stellen deskundige adviseur.

   Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de voorschriften is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke aanlegvergunning van het college van burgemeester en wethouders graafwerkzaamheden, geen bouwwerkzaamheden zijnde, uit te voeren of te doen c.q. laten uitvoeren, die dieper reiken dan 0,5 meter beneden het peil.

   Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de voorschriften geldt het bepaalde in het vierde lid niet voor werken en werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en evenmin voor werken en werkzaamheden die in uitvoering waren ten tijde van het inwerkingtreden van dit plan.

   Ingevolge artikel 7, zesde lid, van de voorschriften dient de aanvrager van de aanlegvergunning, alvorens de aanlegvergunning kan worden verleend, aan het college van burgemeester en wethouders een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van het desbetreffende terrein, naar het oordeel van dit college, in voldoende mate zijn vastgesteld. Aan een aanlegvergunning kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen;

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een door de gemeente aan te stellen deskundige adviseur.

2.8.13.    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 gaat een bestemmingsplan vergezeld van een toelichting waarin een beschrijving is gegeven van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

2.8.14.    In de plantoelichting is vermeld dat in en buiten het plangebied reeds langere tijd problemen bestaan met de waterhuishouding. In verband hiermee zijn in en buiten het plangebied grootschalige ingrepen aan het rioleringsstelsel uitgevoerd. Tevens is een bergbezinkbassin aangelegd ten noorden van de Zeeweg.

   Voorts is in de plantoelichting vermeld dat binnen het bouwvlak de watergang in het perceel wordt gedempt en dat de watergang langs de begraafplaats blijft bestaan. Omdat binnen het bouwvlak geen ruimte is om het door het gemeentebestuur gehanteerde percentage van 10% oppervlaktewater te realiseren, is in overleg met het waterschap voor het realiseren daarvan in de aanliggende polder "Drenkeling" gekozen. Het watersysteem van het woon- en zorgcentrum staat via een duiker in verbinding met het oppervlaktewater in voornoemde polder en met de nieuw gegraven waterpartij bij het bergbezinkbassin. Het regenwater wordt direct geloosd op de duiker en de watergang langs de begraafplaats. Bij hevige regenval zal de gerealiseerde bergingscapaciteit in de polder "Drenkeling" worden benut en zal de neerslag ook via de polder worden afgevoerd.

2.8.15.    Ten behoeve van de voorbereiding van het plan is onderzoek gedaan naar de schaduwwerking van de met het plan mogelijk gemaakte bebouwing waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Schaduwstudie Raadhuislaan/Dwarsweg" van 14 juli 2005 (hierna: de schaduwstudie). In dit rapport is vermeld dat de schaduw ten gevolge van de verwezenlijking van het plan slechts beperkt toeneemt.

2.8.16.    In de plantoelichting is onder het kopje "Economische uitvoerbaarheid" het volgende vermeld:

"De nieuwbouw van het woonzorgcentrum geschiedt op initiatief van de Catharina stichting. De voor de nieuwbouw benodigde gronden zijn in eigendom van de gemeente Westvoorne, die destijds tot aankoop daarvan heeft besloten met het oog op vervangende nieuwbouw van het verzorgingshuis "Swinshoek". De gemeente is voornemens de gronden voor dit doel te verkopen aan de Catharina Stichting, die vervolgens als opdrachtgever voor het plan zal fungeren.

   Tussen de Catharina Stichting en de gemeente vindt overleg plaats over de realisatie van het bouwplan. Dit overleg dient te resulteren in een tussen partijen te sluiten ontwikkelingsovereenkomst, waarin onder andere afspraken worden vastgelegd over de voor elk van de partijen vast te stellen kosten. Op basis van een berekening van kosten en baten is vastgesteld dat er voor beide partijen sprake is van een verantwoorde en haalbare exploitatie, zowel in het kader van de grondverkoop (gemeente) als in het kader van de bouwexploitatie (Catharina Stichting)."

Het oordeel van de Afdeling

2.9.    Het plan maakt bebouwing mogelijk die groter en hoger zal zijn dan de bebouwing in de directe omgeving van het plangebied, zodat in zoverre sprake is van een afwijking van de reeds bestaande bebouwing. Gelet op de genoemde maximale bouw- en goothoogte en de afstanden tot de bestaande bebouwing heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mogelijke nieuwbouw niet zodanig afwijkend van de gebouwen in de omgeving zal zijn dat deze vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet passend is.

2.9.1.    De stelling van appellanten dat bij de realisering van het plan schade aan de nabijgelegen woningen zal optreden heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Dit bezwaar kan derhalve buiten beschouwing blijven. Overigens hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de grond van en rondom het plangebied niet geschikt is voor bebouwing in een omvang als met het plan mogelijk gemaakt.

2.9.2.    Ten behoeve van de voorbereiding van het plan zijn de hiervoor in overweging 2.8.3. genoemde verkeersonderzoeken uitgevoerd. In deze onderzoeken is geconcludeerd dat de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwbouw beperkt is en dat de huidige capaciteit van de wegvakken de extra verkeersbewegingen kan verwerken. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat deze onderzoeken onjuistheden bevatten of leemten in kennis vertonen. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de toename van de verkeersbewegingen als gevolg van de voorziene nieuwbouw beperkt is en dat de bestaande infrastructuur toereikend is voor de huidige verkeersintensiteit en de verwachte toename daarvan. Tevens heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toename van het aantal verkeersbewegingen niet zal leiden tot een verslechtering van de verkeersveiligheid.

2.9.3.    Niet in geschil is dat de in de voorschriften van het plan gehanteerde parkeernorm voor zelfstandige woningen lager is dan de in de ASVV 2004 aanbevolen norm. In het deskundigenbericht staat dat dit aanvaardbaar is wanneer deze woningen door bejaarden worden bewoond, omdat zij gemiddeld minder autobezit hebben. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het voldoende aannemelijk dat het woon- en zorgcentrum niet voor een andere doelgroep dan voor ouderen zal worden gebruikt. Voorts is gebleken dat in de verkeerskundige toets van 12 mei 2005 rekening is gehouden met het verplegend personeel. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling de in het plan gehanteerde parkeernormen aanvaardbaar.

   Het plan voorziet in een (half-) ondergrondse parkeergarage en in parkeerplaatsen op maaiveldniveau. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiermee kan worden voorzien in de parkeerbehoefte, zodat niet behoeft te worden gevreesd voor parkeeroverlast.

2.9.4.    Voor zover appellante sub 1 aanvoert dat onvoldoende rekening wordt gehouden met in het plangebied voorkomende beschermde diersoorten overweegt de Afdeling het volgende. Vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in de procedure op grond van de Flora- en faunawet. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In de in overweging 2.8.6. genoemde rapporten is geconcludeerd dat het plan geen onaanvaardbare aantasting van de eventueel aanwezige natuurwaarden inhoudt. In hetgeen appellante heeft gesteld bestaat geen grond voor het oordeel dat de rapporten onjuistheden bevatten dan wel leemten in kennis vertonen. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.9.5.    In het luchtkwaliteitrapport is vermeld dat er geen overschrijdingen zijn van de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor de concentraties van de getoetste stoffen, waaronder zwevende deeltjes (PM10). Voorts blijkt uit het luchtkwaliteitrapport dat rekening is gehouden met de te verwachten verkeersintensiteiten in het plangebied als gevolg van de realisering van het woon- en zorgcentrum. In hetgeen appellanten hebben gesteld bestaat geen grond voor het oordeel dat het luchtkwaliteitrapport onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met het Blk 2005.

2.9.6.    De VNG-brochure heeft een indicatief en globaal karakter, waarin afstanden worden genoemd die bij bepaalde functies tot woningen gelegen in een rustige woonwijk aanbevolen worden. In de VNG-brochure is aangegeven dat een afwijking van de aanbevolen afstanden mogelijk is, maar deze voldoende gemotiveerd dient te worden en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze normen, namelijk het voorkomen van milieuhinder in nieuwe situaties.

   Niet in geschil is dat aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden tussen een begraafplaats respectievelijk een verpleeghuis en een rustige woonwijk in het onderhavige geval niet kan worden voldaan.

   Verweerder heeft zich, gelet op de omstandigheid dat de begraafplaats zeer extensief wordt gebruikt voor begravingen en weinig wordt bezocht, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afstand vanaf het met het plan mogelijk gemaakte verzorgingshuis tot de begraafplaats aanvaardbaar is. Daarbij heeft verweerder in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat er ten gevolge van de begraafplaats nauwelijks sprake zal zijn van geluids- of verkeershinder en dat de visuele hinder wordt beperkt door het woon- en zorgcentrum niet op de begraafplaats te oriënteren en de tussen het plangebied en de begraafplaats gelegen sloot en haag te behouden.

   Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in acht te nemen afstand tussen de nieuwbouw en de woningen aanvaardbaar is. Daarbij heeft verweerder in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat de feitelijke hinder voor omwonenden beperkt zal blijven door bij het plaatsen van geluidsproducerende installaties in de bouwplanfase zoveel mogelijk rekening te houden met het beperken van geluidshinder en door in- en uitritten op minimaal 25 meter afstand van de bestaande woningen te realiseren.

2.9.7.    In het archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied één archeologische indicator is aangetroffen. In hetgeen appellanten sub 2 hebben aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat dit onderzoek onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont. Naar aanleiding van de conclusie van het onderzoek is in het plan een regeling is opgenomen voor het uitvoeren van (bouw-) werkzaamheden in het plangebied die dieper reiken dan 0,5 meter. In hetgeen appellanten sub 2 hebben gesteld bestaat geen grond voor het oordeel dat deze regeling onvoldoende bescherming biedt voor de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied.

2.9.8.    Gelet op de afstanden tussen het woon- en zorgcomplex en de bestaande woningen, de toegestane bouwhoogten van de nieuwbouw en de uitkomsten van de schaduwstudie, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de privacy, de vermindering van het uitzicht van appellanten en de schaduwwerking ten gevolge van de verwezenlijking van de nieuwbouw niet ernstig zullen zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat de woningen van appellanten in een woonwijk liggen. In die situatie moet een zekere beperking van privacy, uitzicht en schaduwwerking worden aanvaard. Wat betreft de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van appellanten, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

2.9.9.    In de plantoelichting is aandacht besteed aan de problemen met de waterhuishouding in en buiten het plangebied. Voorts blijkt uit de toelichting dat maatregelen zijn getroffen voor de waterafvoer van het woon- en zorgcomplex.

   Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan zal leiden tot wateroverlast.

2.9.10.    Uit de stukken is gebleken dat het gemeentebestuur de tijdsdruk van de gereserveerde subsidie heeft laten meespelen bij de locatiekeuze.

   Uit de plantoelichting kan niet worden opgemaakt dat onderzoek heeft plaatsgevonden naar de financiële uitvoerbaarheid. Ter zitting is gebleken dat voor de bouw van het woon- zorgcomplex door de Catharina Stichting een subsidie is aangevraagd ten behoeve van de bouw van dit complex maar dat deze subsidie (nog) niet verleend is. Voorts is gebleken dat de verwezenlijking van het met het bestemmingplan mogelijk gemaakte woon- zorgcomplex niet zal plaatsvinden indien de aangevraagde subsidie niet wordt verleend.

   Ten tijde van de vaststelling van het plan bestond nog geen zekerheid over het verkrijgen van de subsidie. Verweerder heeft evenmin onderzocht in hoeverre aannemelijk is dat de door de Catharina Stichting gevraagde subsidie zal worden verleend. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende inzicht bestond in de financiering van het woon- zorgcomplex en de gevolgen daarvan voor de verwezenlijking van het plan dat geheel is toegespitst op het voorziene woon- zorgcomplex.

   Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

Proceskostenveroordeling

2.10.    Verweerder dient ten aanzien van appellante sub 1 en appellanten sub 2 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 1, voor zover het is ingediend door Th.A. Konijnendijk, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van appellanten sub 1 voor het overige en het beroep van appellanten sub 2 geheel gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 februari 2006, kenmerk DRM/ARB/05/9338A;

IV.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellante sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 10,93 (zegge: tien euro en drieënnegentig cent); het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellante sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellante sub 1 en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. J.C.K.W. Bartel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                  w.g. Van Dorst

Voorzitter                          ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

325-464.