Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200702353/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om de afvalstoffen met kenmerk NL119245 uit te voeren naar China.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2007/48 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702353/1.

Datum uitspraak: 1 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Europe Metals B.V.", gevestigd te Heeze,

verzoekster,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, thans de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om de afvalstoffen met kenmerk NL119245 uit te voeren naar China.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 mei 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen, ambtenaar van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 19 januari 2007 heeft verweerder op grond van Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en vanuit de Europese Gemeenschap (hierna: de Verordening) bezwaar gemaakt in het kader van een door verzoekster gedane kennisgeving om afvalstoffen voor nuttige toepassing uit te voeren naar China.

   Aan dat bezwaar heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de gegevens die bij de kennisgeving zijn verstrekt onvoldoende duidelijkheid verschaffen over de verhouding tussen het als ontvanger aangemerkte bedrijf in de Verenigde Staten en de verwerker in China, waardoor ook niet duidelijk is op wie de uit de Verordening voortvloeiende verplichtingen rusten en of die verplichtingen ook kunnen worden nagekomen.

2.2.    Verzoekster betoogt primair dat de kennisgevingsprocedure in dit geval niet behoeft te worden gevolgd. Zij beroep zich daarbij met name op twee uitspraken van de Voorzitter van 9 januari 2007, nr. 200608808/1 en 14 maart 2007, nr. 200700742/1. Volgens haar volgt uit die uitspraken dat geen kennis hoeft te worden gegeven van de uitvoer van afvalstoffen indien die zijn samengesteld uit afvalstoffen die afzonderlijk zijn opgenomen op de zogeheten groene lijst en die in China nuttig worden toegepast. Subsidiair betoogt zij dat het niet in strijd is met de Verordening dat de verwerking in China plaatsvindt bij een dochterbedrijf van het als ontvanger aangemerkte moederbedrijf in de Verenigde Staten, aangezien het moederbedrijf volledige zeggenschap heeft over het dochterbedrijf.

2.3.    De Voorzitter overweegt het volgende.

2.4.    Evenals in de uitspraken van 9 januari 2007 en 14 maart 2007 is overwogen, leent deze procedure zich niet voor beantwoording van de vraag hoe volgens de Verordening samengestelde afvalstoffen ingedeeld dienen te worden en daarmee niet voor beantwoording van de vraag of voor uitvoer van de nu in geding zijnde afvalstoffen kan worden afgezien van de in de Verordening voorgeschreven kennisgevingsprocedure. Evenmin leent deze procedure zich voor een beantwoording van principiële vragen over de reikwijdte van het begrip ontvanger in artikel 2, onder h van de Verordening.

   Op grond van mededelingen van verweerder ter zitting is de Voorzitter er op voorhand niet van overtuigd dat de in de Verenigde Staten gevestigde onderneming die op het aanvraagformulier als ontvanger staat vermeld, een zodanige mate van zeggenschap kan uitoefen over de in China gevestigde verwerkende onderneming dat beide voor de toepassing van de Verordening, en in het bijzonder artikel 2 onder h daarvan, met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. Deze procedure leent zich er verder niet voor om vast stellen of de gestelde moeder/dochterverhouding naar het recht van de Chinese onderneming impliceert dat deze onderneming dient te handelen overeenkomstig de aanwijzingen van de Amerikaanse onderneming als aandeelhoudster of anderszins. In het licht daarvan is er thans onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat het door verweerder tegen de overbrenging gemaakte bewaar niet terecht zou zijn. De Voorzitter ziet daarom, na afweging van de betrokken belangen, onvoldoende reden om in afwachting van de beslissing op bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.

2.5.    Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door Mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van Mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll                                                     w.g. Stolker

Voorzitter                                                ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007

157