Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200702238/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2007 heeft verweerder aan Brassto B.V. (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het (glasparel)stralen en poedercoaten van metalen. Dit besluit is op 29 maart 2007 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 282 met annotatie van dr. mr. A.B. Blomberg
Milieurecht Totaal 2007/1983
JOM 2009/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702238/2.

Datum uitspraak: 1 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "De Rivierendriesprong Handelsbedrijf B.V.", gevestigd te Kerkdriel,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Papendrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2007 heeft verweerder aan Brassto B.V. (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het (glasparel)stralen en poedercoaten van metalen. Dit besluit is op 29 maart 2007 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 28 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2007, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. drs. J.G.M. van Mierlo, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. S. Hartog, ir. N. Cools en drs. E.D. Kamsteeg, ambtenaren van de gemeente, en G. van Dijk en D.P. Nelemans, medewerkers van de Milieudienst Zuid-Holland Zuid, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. E. van der Hoeven en ing. E.H.A. de Beer.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verweerder en vergunninghoudster voeren aan dat verzoekster geen belanghebbende bij het bestreden besluit is, omdat niet aannemelijk is dat ter plaatse van haar inrichting milieugevolgen worden ondervonden van de inrichting van vergunninghoudster.

2.2.1.    Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2.    De inrichtingen van verzoekster en vergunninghoudster zijn gelegen op hetzelfde, krachtens de Wet geluidhinder gezoneerde, industrieterrein. Rond het industrieterrein is een geluidzone vastgesteld, waarbuiten de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. De verlening van de vergunning aan vergunninghoudster kan van invloed zijn op de geluidemissie die de inrichting van verzoekster mag veroorzaken. Het belang van verzoekster is daarom rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken. Gelet hierop verwacht de Voorzitter dat de Afdeling geen aanleiding zal zien het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De Voorzitter ziet daarom geen aanleiding om het verzoek niet inhoudelijk te beoordelen.

2.3.    Op 1 januari 2007 zijn de wet van 5 juli 2006, houdende wijziging van de Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase, Stb. 350) en het Besluit geluidhinder in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wet en dit besluit doorgevoerde wijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.4.    Verzoekster voert aan dat de vergunning niet had mogen worden verleend, omdat de zonegrenswaarde reeds wordt overschreden en de inrichting van vergunninghoudster een bijdrage levert aan de geluidbelasting op de zonegrens.

2.4.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op het akoestisch rapport bij de aanvraag, de inrichting van vergunninghoudster geen toename van de totale geluidbelasting op de zonegrens tot gevolg heeft. Dit standpunt is ter zitting door de opsteller van het akoestisch rapport bevestigd.

2.4.2.    Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a, zoals dat vóór 1 januari 2007 luidde, van de Wet milieubeheer, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 dan wel voortvloeit uit de artikelen 41, 46 tot en met 50, 53, 65 tot en met 68 of 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder.

   Ingevolge artikel 53, eerste lid, zoals dat vóór 1 januari 2007 luidde, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad binnen twee jaar na het tijdstip van in werking treden van dit hoofdstuk voor elk binnen zijn gemeente gelegen terrein dat op dat tijdstip reeds een bestemming heeft, die de mogelijkheid van vestiging van inrichtingen, behorende tot een krachtens artikel 41 aangewezen categorie, insluit, een rond dat terrein gelegen zone vast, waarbuiten de geluidbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan.

2.4.3.    Niet in geschil is dat reeds in de vóór het nemen van het bestreden besluit bestaande situatie aan de inrichtingen op het industrieterrein een zodanige geluidruimte was toegekend, dat de geluidbelasting vanwege dat terrein de daarvoor in artikel 53, eerste lid (oud), van de Wet geluidhinder gestelde grenswaarde van 50 dB(A) op de zonegrens overschreed. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de geluidbelasting van de inrichting van vergunninghoudster een toename veroorzaakt van de totale geluidbelasting op de zonegrens. De Voorzitter stelt voorop dat een voorlopige voorzieningsprocedure zich niet leent voor een uitgebreide beoordeling van deze vraag. Deze beoordeling kan eerst in de bodemprocedure plaatsvinden. Thans dient te worden beoordeeld of, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening is aangewezen. Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord, nu, naar de Voorzitter op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voorshands meent, de inrichting van Brassto B.V. niet een geluidbijdrage levert die in de weg staat aan vergunningverlening.

2.5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.C. Leemans, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink                                                 w.g. Leemans

Voorzitter                                             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2007

442