Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200606713/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) geweigerd aan appellant een paspoort te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module GBA 2007/588
ABkort 2007/393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606713/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2173 van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2004 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) geweigerd aan appellant een paspoort te verstrekken.

Bij besluit van 11 maart 2005 heeft de burgemeester het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2006, verzonden op 31 juli 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 oktober 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 23 november 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nadere memorie ontvangen van de burgemeester. Deze is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam, de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.C. Tomson, ambtenaar der gemeente, en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Minister), vertegenwoordigd door mr. R.M.M. de Jong en drs. J.M.D. van der Krabben, beiden ambtenaar bij het Agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet kan weigering of vervallenverklaring van een reisdocument geschieden op verzoek van de Minister die het aangaat, onderscheidenlijk een met uitvoering van deze wet belaste autoriteit die het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat betrokken persoon handelingen heeft verricht of zal verrichten met of met betrekking tot reisdocumenten die het vertrouwen in reisdocumenten hebben geschaad of zullen schaden dan wel opzettelijk een ander in de gelegenheid heeft gesteld of zal stellen om zulke handelingen te verrichten met of met betrekking tot een aan de betrokken persoon verstrekt reisdocument. Ingevolge artikel 25, eerste lid, richten de autoriteiten, voor zover hier van belang, het verzoek tot weigering onder vermelding van de bezwaren die tegen een persoon bestaan en de gronden die hebben geleid tot het vermoeden, bedoeld in artikel 18 en de artikelen 20 tot en met 24, aan de Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur.

   Ingevolge het derde lid vermeldt de Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden van een van de artikelen 18 tot en met 24, de persoon op wie het verzoek betrekking heeft dan wel de persoon ten aanzien van wie bij hem, onderscheidenlijk de Gouverneur, gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan, in een door de Minister bij te houden register.    Ingevolge het vierde lid deelt de Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, de autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken dan wel in te houden, mede, aan welke personen die ingevolge het bepaalde in het derde lid in het register zijn vermeld, een reisdocument kan worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument moet worden ingehouden.    Ingevolge artikel 44, tweede lid, overtuigt een tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit zich ervan of de gronden tot weigering of vervallenverklaring ten aanzien van de betrokkene nog bestaan, zodra hij een aanvraag in behandeling neemt betreffende een persoon ten aanzien van wie, voor zover hier van belang, een mededeling als bedoeld in artikel 25, vierde lid, is gedaan.

2.2.    Op 22 juni 2004 heeft appellant een nieuw paspoort aangevraagd. Zijn oude paspoort was ingenomen in verband met de beschadiging hiervan. De burgemeester heeft de afgifte van een nieuw paspoort geweigerd. Aan deze weigering aan appellant een paspoort te verstrekken heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat appellant sinds 23 februari 2004 was opgenomen in het register Paspoortsignaleringen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (hierna: het register).

   Bij de beslissing op bezwaar van 11 maart 2005 heeft de burgemeester de motivering van het besluit in zoverre aangevuld dat de weigering is gebaseerd op het vermoeden dat appellant handelingen heeft verricht of zal verrichten met of met betrekking tot reisdocumenten die het vertrouwen in reisdocumenten hebben geschaad of zullen schaden dan wel opzettelijk een ander in de gelegenheid heeft gesteld of zal stellen om zulke handelingen te verrichten met of met betrekking tot een aan de betrokken persoon verstrekt reisdocument. Hierbij heeft de burgemeester onder andere overwogen dat appellant binnen vier jaar negen aanvragen heeft ingediend voor nieuwe reisdocumenten.

2.3.    Met betrekking tot de vermelding in het register overweegt de Afdeling ambtshalve als volgt. Volgens de Memorie van Toelichting bij artikel 26, thans artikel 25, van de Paspoortwet heeft de mededeling van registratie op het moment dat een geregistreerde een aanvraag doet voor een reisdocument pas gevolgen, indien blijkt dat de gronden tot weigering of vervallenverklaring na een hernieuwde marginale toetsing zodanig zijn dat, naar de mening van de verstrekkende autoriteit, tot weigering zou moeten worden overgegaan. Met betrekking tot deze marginale toetsing wordt in de Memorie van Toelichting tevens vermeld dat de verstrekkende autoriteit hiervoor in een beroep bij de rechter de volle verantwoordelijkheid draagt (TK 1987-1988, 20 393, nr. 3, p. 49-50).

   Gelet op het vorenstaande is de vermelding van appellant in het register door de Minister niet gericht op enig rechtsgevolg. Derhalve is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat hiertegen geen bezwaar en beroep openstaat. De vraag naar de juistheid van de vermelding dient betrokken te worden bij de beoordeling van de aanvraag van een nieuw reisdocument. De burgemeester heeft in de beslissing op bezwaar terecht getoetst of de gronden van de vermelding in het register voor appellant nog aanwezig waren.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van drie vermissingen in één jaar. Hiertoe stelt appellant zich op het standpunt dat slechts twee paspoorten als vermist zijn opgegeven en dat de identiteitskaart die in dezelfde periode als vermist is opgegeven niet bij de beoordeling mag worden betrokken, nu dit geen paspoort is.

   Dit betoog faalt. In artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet wordt melding gemaakt van een betrokken persoon die 'handelingen heeft verricht of zal verrichten met of met betrekking tot reisdocumenten die het vertrouwen in reisdocumenten hebben geschaad of zullen schaden'. Uit artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet volgt dat de Nederlandse identiteitskaart een reisdocument is. Derhalve heeft de rechtbank terecht aangenomen dat sprake is van drie vermissingen van reisdocumenten in één jaar.

2.5.    Voorts stelt appellant in zijn verdedigingsbelang te zijn geschaad, doordat pas ter zitting bij de rechtbank door de burgemeester is aangegeven dat in de Verenigde Staten van Amerika personen zijn aangehouden die in het bezit waren van een paspoort dat op naam van appellant was gesteld.

   Dit betoog faalt evenzeer. Uit het dossier is af te leiden dat de vermelding in het register heeft plaatsgevonden op grond van het feit dat de aan appellant verstrekte reisdocumenten binnen één jaar drie maal als vermist zijn opgegeven en dat er tevens meerdere vermissingen zijn die in combinatie met andere handelingen het gegronde vermoeden als bedoeld in artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet opleveren. In dit geval bestonden deze andere handelingen uit het opzettelijk beschadigen of anderszins onbruikbaar maken van (delen van) het reisdocument door het verwassen hiervan. Daargelaten of daadwerkelijk een persoon in het bezit van een op naam van appellant gesteld paspoort in de Verenigde Staten van Amerika is aangetroffen, heeft de burgemeester, op grond van voornoemde feiten, in redelijkheid de afgifte van een paspoort aan appellant kunnen weigeren, nu deze feiten vermelding van appellant in het register rechtvaardigen.

2.6.    Het betoog van appellant dat enkele aanvragen voor een paspoort op zijn naam door anderen zijn gedaan, terwijl hij zich in detentie bevond, komt de Afdeling niet aannemelijk voor, reeds omdat appellant ook in hoger beroep zijn detentie op de data van de aanvragen niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarnaast is de enkele stelling dat anderen op zijn naam gestelde reisdocumenten hebben verkocht niet voldoende om de grondslag van het vermoeden als bedoeld in artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet aan te tasten. Dit vermoeden kan immers ook ontstaan doordat appellant opzettelijk anderen in de gelegenheid heeft gesteld dergelijke handelingen te verrichten met of met betrekking tot een aan hem verstrekt reisdocument. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat onder opzettelijk een ander in de gelegenheid stellen, als bedoeld in artikel 24, aanhef en onder b, van de Paspoortwet ook moet worden begrepen het op een zodanige manier achterlaten van reisdocumenten dat anderen hiervan zonder noemenswaardige moeite misbruik kunnen maken, zodat willens en wetens het risico is genomen dat zij dat ook zullen doen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. G.J. van Muijen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

176-538.