Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200603345/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2003 heeft de gemeenteraad van Harderwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 april 2003, het bestemmingsplan "Lorentz-oost" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603345/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de vereniging "Vereniging Belangengroep Hierden" en anderen, gevestigd, respectievelijk wonend te Hierden,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2003 heeft de gemeenteraad van Harderwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 april 2003, het bestemmingsplan "Lorentz-oost" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 januari 2004, no. RE2003.56704, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft het besluit van 6 januari 2004 bij uitspraak van 16 maart 2005 (200400801/1), gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 februari 2006, no. RE2005.25961, voor zover nodig, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 3 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, en appellant sub 2 bij brief van 3 mei 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 mei 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk. Dit stuk is aan de andere partijen toegezonden.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 december 2006 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Harderwijk en appellant sub 2. Deze stukken zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 maart 2007, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door mr. M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, en appellant sub 2, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door V.R.J. Thomas, ir. R. Smeenge en drs. K.J. Klein, allen ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Harderwijk, vertegenwoordigd door mr. J.H. Meijer, advocaat te Apeldoorn, R.T.J. Daamen, wethouder, ir. T. Ferwerda, ambtenaar van de gemeente en ir. B.W. Hoekstra, medewerker van Tauw B.V.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader van de Afdeling

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Formele aspecten

2.3.    Appellant sub 2 heeft als formeel bezwaar aangevoerd dat het bestemmingsplan in procedureel opzicht in strijd met het recht en met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen en dat verweerder zich ten onrechte geen oordeel heeft gevormd over de voorbereiding en de totstandkoming van het plan. Appellanten sub 1 hebben als formeel bezwaar aangevoerd dat op 2 december 2003 ten onrechte geen hoorzitting is gehouden.

2.3.1.    In haar uitspraak van 16 maart 2005, (200400801/1), heeft de Afdeling met betrekking tot de formele bezwaren van onder meer appellanten het volgende overwogen:

"Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de aangevoerde formele bezwaren niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling acht het in dit verband wel van belang op te merken dat de gevolgde procedure, gelet op de bovengenoemde oneffenheden, geen navolging verdient."

De Afdeling ziet thans geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet hierop leiden de bezwaren niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Hieruit volgt dat het beroep van appellant sub 2 ongegrond is.

   

Het plan

2.4.    Het bestemmingsplan "Lorentz-Oost" (hierna: het plan) voorziet in de realisering van een regionaal bedrijventerrein van ongeveer 40 hectare. Het plan heeft betrekking op het gebied ten oosten van Harderwijk. Aan de noordoostzijde wordt het plangebied begrensd door het weidegebied "De Mheenlanden", aan de oostzijde door het landelijk gebied "Stadslanderijen", aan de zuidzijde door de Zuiderzeestraatweg en aan de noordwestzijde door het bestaande bedrijventerrein Lorentz.

Het standpunt van appellanten

2.5.    Appellanten sub 1 stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 3", "Bedrijfsdoeleinden, categorie 4" en "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5". Zij voeren hiertoe aan dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit na de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden en dat deze werkwijze in strijd is met de wet en de goede procesorde. Bovendien is het onderzoek naar de luchtkwaliteit onjuist uitgevoerd en biedt het geen grondslag voor de daaruit getrokken conclusies. Volgens appellanten is de bijdrage van de industrie ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. Voorts is ten onrechte niet uitgegaan van de maximale invulling van het plangebied en zijn bij de invoer van de emissiefactoren van het verkeer de gegevens van het jaar 2005 ten onrechte niet gehanteerd. Volgens appellanten dient bij de berekeningen te worden uitgegaan van het verkeersaanbod in 2005. Daarnaast is de invloed van de N302 en de Newtonweg (vanaf de Lorentzstraat) ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken.

   Appellanten stellen voorts dat zij het niet eens zijn met de locatiekeuze. Zij voeren hiertoe aan dat de argumenten van verweerder waarom de locatie Eendenhouderijen afvalt, ondeugdelijk zijn en dat kan worden uitgeweken naar Flevoland. Daarnaast wordt volgens appellanten wat betreft de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5" niet voldaan aan de in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering", uitgave 1999 (hierna: de VNG-brochure), aanbevolen minimale afstand ten opzichte van de woningen aan de Kleine Mheenweg 5 en 10 en de vijf nieuwe woningen die inmiddels in het plangebied zijn gebouwd. Voorts stellen appellanten dat er sprake is van ontoelaatbare geluidhinder voor met name de woningen aan de Zuiderzeestraatweg. Appellanten betwisten de financiële uitvoerbaarheid van het plan en zij handhaven het gestelde in de zienswijzen en de bedenkingen. Zij voeren aan dat de exploitatieopzet van maart 2003 niet meer aan het besluit ten grondslag kan worden gelegd en dat in dit verband ten onrechte geen aandacht wordt geschonken aan de nodige infrastructurele investeringen.

Het standpunt van verweerder

2.6.    Verweerder heeft de plandelen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft de plandelen goedgekeurd.

De vaststelling van de feiten

2.7.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    In het Streekplan Gelderland 2005 (hierna: het Streekplan), dat is vastgesteld op 29 juni 2005 en in werking is getreden op 20 september 2005, is onder meer vermeld dat de regionale centrumfunctie van Harderwijk wordt voortgezet en dat Harderwijk zich kan profileren als een krachtige en aantrekkelijke stad op het gebied van wonen, werken en voorzieningen. Aandacht gaat uit naar binnenstedelijke transformatieprocessen en bereikbaarheid, gekoppeld aan de potenties van het knooppunt station Harderwijk, Waterfront en de opwaardering van de N302. Voorts is daarin vermeld dat het op het vlak van de regionale bedrijventerreinplanning gaat om de ontwikkeling van het regionale bedrijventerrein Lorentz-Oost in Harderwijk. Op de beleidskaart "ruimtelijke ontwikkeling" is het gebied aangeduid als "regionaal bedrijventerrein".

2.7.2.    Op 5 augustus 2005 is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005) in werking getreden. Uit artikel 37 van het Blk 2005 volgt dat het Blk 2005 op dit geding van toepassing is.

2.7.3.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

2.7.4.    Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Blk 2005 gelden voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

2.7.5.    Ingevolge artikel 20 van het Blk 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.7.6.    Ten behoeve van het plan is door Tauw onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 december 2005 (hierna: het luchtkwaliteitrapport).

   De berekeningen zijn gebaseerd op verkeersemissiefactoren en verkeerskarakteristieken. Bij de beoordeling zijn de emissiefactoren voor 2010 gebruikt. De verkeersgegevens voor 2010 zijn verkregen door interpolatie van de beschikbare gegevens over de jaren 2000 en 2020. Ook is onderzoek verricht naar de bijdragen aan de luchtverontreiniging door bedrijfsactiviteiten van bedrijven die zich op het bedrijventerrein vestigen. Daarbij is gebruik gemaakt van de algemene emissiegegevens voor de categorie "overige industrie" van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS), waarbij onderscheid is gemaakt tussen de categorieën "chemische industrie", "basismetaalindustrie" en "overige industrie".

   Uit het luchtkwaliteitrapport blijkt dat de uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) in en rond het plangebied na realisatie van het bedrijventerrein 102 microgram per m3 bedraagt in 2010 en 101 microgram per m3 in 2020. De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) bedraagt na planverwezenlijking 22 microgram per m3 in 2010 en 21 microgram per m3 in 2020, aldus het luchtkwaliteitrapport. Met betrekking tot de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) staat in het luchtkwaliteitrapport dat deze in en rond het plangebied na planverwezenlijking 29 microgram per m3 bedraagt in 2010 en 28,5 microgram per m3 in 2020. De vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt na realisatie van het bedrijventerrein in 2010 vierentwintig maal per jaar overschreden, en eenentwintig maal in 2020, aldus het luchtkwaliteitrapport.

   Voor het jaar 2020 is tevens een zogenoemde "worst-case" berekening uitgevoerd waarbij is uitgegaan van een verdubbeling van de emissie van de bedrijfsbronnen op het bedrijventerrein. Uitgaande van die verdubbeling bedraagt de jaargemiddelde concentratie NO2 21 microgram per m3 en de uurgemiddelde concentratie NO2 101 microgram per m3. De jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) bedraagt 29,4 microgram per m3 en het aantal overschrijdingen van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie 26 per jaar.

   Geconcludeerd wordt dat voor de stoffen stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) zowel bij autonome ontwikkeling als bij realisatie van het bedrijventerrein wordt voldaan aan de in het Blk 2005 gestelde grenswaarden.

2.7.7.    Ingevolge artikel 5, lid AI, onder 1, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Bedrijfsdoeleinden, categorie B1, B3 en B4" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsactiviteiten, waarbij zijn toegestaan de bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in de categorieën 1 tot en met 4 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie B5" zijn bedrijfsactiviteiten genoemd in de categorieën 4 en 5 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan, met een minimaal aan te houden afstand van 500 meter tot hindergevoelige objecten. Naar gelang de gronden zijn aangewezen als een hogere bedrijfsdoeleinden-categorie, is bedrijvigheid toegestaan uit een hogere categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

   De afstand tussen de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie B5" en de meest nabijgelegen woning aan de [locatie] bedraagt ongeveer 310 meter. In het deskundigenbericht is vermeld dat de omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een landelijke omgeving met woningen als bedoeld in de VNG-brochure.

2.7.8.    In de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn onder SBI-code 24 (vervaardiging van chemische producten) verschillende bedrijfstypen opgenomen. Het merendeel van deze bedrijven is als categorie 4 of 5 aangeduid en heeft de toevoeging "L". Uit de toelichting op de Staat blijkt dat hiermee ondermeer wordt aangegeven dat sprake is van planologisch relevante uitstoot van schadelijke stoffen.

2.7.9.    De ontsluiting van het bedrijventerrein vindt plaats via de Newtonweg. De Newtonweg sluit aan op de N302 en vandaar kan het verkeer in de richting van de rijksweg A28 of naar Flevoland gaan. De N302 bevindt zich op ongeveer 1000 meter van het plangebied.

   Ten behoeve van de voorgenomen aanpassingen aan de N302 is het rapport "Reconstructie N302, Lorentz-Oost/Waterfront Harderwijk" opgesteld, gedateerd 9 augustus 2006. In dit rapport staat dat in de huidige situatie in een zone langs de N302 de in het Blk 2005 genoemde grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2), die in 2010 van toepassing is, wordt overschreden. Daarnaast wordt de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) overschreden en in de toekomst (2020) wordt deze overschrijding nog groter. De verkeerstoename op de N302 ten gevolge van nieuwe ontwikkelingen, waaronder de verwezenlijking van het bedrijventerrein, maakt integraal deel uit van het verkeersmodel.

2.7.10.    Door de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek is onderzoek gedaan naar de invloed van de N302 op de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van oktober 2006 (hierna: het TNO-rapport).

   Naast berekeningen die betrekking hebben op de autonome ontwikkeling van het verkeer op de N302 zijn tevens berekeningen uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met de door het proviniciebestuur voorgenomen structurele maatregelen ter verbetering van de doorstroming en verkeersveiligheid op de N302. Daarbij is gebruik gemaakt van een aantal door het provinciebestuur gedefinieerde varianten die ervoor moeten zorgen dat deze doelen worden gerealiseerd. In het TNO-rapport wordt geconcludeerd dat bij de autonome ontwikkeling in 2004, 2010 en 2012 overschrijdingen plaatsvinden van de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) op en direct naast een gedeelte van de N302. Bij de varianten wordt in 2010, 2012, 2015 en 2020 de grenswaarde van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) overschreden, doch uitsluitend op de wegvlakken zelf. Voor het overige is er noch in de autonome situatie, noch bij de varianten sprake van overschrijding van de grenswaarden, zoals genoemd in het Blk 2005. De komst van het regionaal bedrijventerrein is in het TNO-rapport verdisconteerd.

2.7.11.    Door Tauw is akoestisch onderzoek gedaan naar het wegverkeerslawaai in het plangebied. In het deskundigenbericht is vermeld dat uit de tabellen van dit onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ter plaatse van de woningen die langs de Zuiderzeestraatweg liggen ten opzichte van de huidige situatie met ten minste 0,6 dB afneemt. Ten opzichte van de autonome ontwikkeling zal de geluidsbelasting in 2015 met ten hoogste 0,2 dB zijn toegenomen, aldus het onderzoek.

2.7.12.    In de plantoelichting wordt onder meer ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. Daarin wordt vermeld dat rekening is gehouden met alle kosten die voortvloeien uit de aanleg van het bedrijventerrein, alsmede kosten van waterhuishoudkundige aanpassingen buiten het gebied, kosten van natuurontwikkeling, aanpassingen aan de verkeersstructuur in de omgeving en kosten die voortvloeien uit bijzondere wettelijke eisen op het gebied van duurzaamheid en beheer. In de plantoelichting staat dat in maart 2003 een exploitatieopzet voor de opstelling van het plan is gemaakt die uitwijst dat er sprake is van een sluitende exploitatie.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Het bedrijventerrein Lorentz-Oost past binnen het in het Streekplan opgenomen beleid om de regionale centrumfunctie van Harderwijk voort te zetten en Harderwijk te profileren als een krachtige en aantrekkelijke stad op het gebied van wonen, werken en voorzieningen. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. De locatie van het bedrijventerrein is in overeenstemming met het Streekplan.

2.8.1.    Bij het opstellen van het plan is gebruik gemaakt van de VNG-brochure. Deze brochure heeft een indicatief en globaal karakter, waarin afstanden worden genoemd die bij bepaalde functies tot woningen gelegen in een rustige woonwijk aanbevolen worden. In de VNG-brochure is aangegeven dat een afwijking van de aanbevolen afstanden mogelijk is, maar deze dient voldoende te worden gemotiveerd en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze normen, namelijk het voorkomen van milieuhinder in nieuwe situaties.

   Uit het overwogene in 2.7.7. blijkt dat op de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie B5" bedrijven in de milieucategorieën 4 en 5 zijn toegestaan, waarbij de grootste indicatieve afstand vanwege mogelijke hinder 500 meter bedraagt. Deze indicatieve afstand geldt ten opzichte van een rustige woonwijk. Gelet op het deskundigenbericht kan het gebied waarin de woningen aan de [locaties] staan worden aangemerkt als een landelijke omgeving met woningen. Onder deze omstandigheden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de afstand tussen de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie B5" en de nabijgelegen woningen toereikend is om milieuhinder ten gevolge van de bedrijven tegen te gaan.

2.8.2.    Gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek en hetgeen daaromtrent in het deskundigenbericht is vermeld heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwezenlijking van het regionale bedrijventerrein niet zal leiden tot een ernstige toename van geluidhinder.

2.8.3.    Blijkens de plantoelichting heeft de gemeenteraad onderzoek verricht naar de financiële haalbaarheid van het plan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een exploitatieopzet. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de exploitatieopzet onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd is. De omstandigheid dat het onderzoek naar de financiële haalbaarheid is uitgevoerd in 2003 maakt dit niet anders. Voor zover appellanten hebben aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de nodige infrastructurele investering voor de aanpassing van de N302 overweegt de Afdeling dat die aanpassing geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan.

2.8.4.    Vast staat dat het luchtkwaliteitonderzoek is verricht na het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Indien verweerder in het kader van het besluit omtrent goedkeuring van het plan constateert dat ten aanzien van bepaalde aspecten geen onderzoek is verricht door het gemeentebestuur mag verweerder op de desbetreffende punten onderzoek verlangen van het gemeentebestuur, aangezien het verrichten van zorgvuldig onderzoek ingevolge artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening primair de verantwoordelijkheid is van het gemeentebestuur. De in dit geval gekozen handelwijze, waarbij in opdracht van het gemeentebestuur onderzoek naar de luchtkwaliteit is verricht na vaststelling van het plan, is niet in strijd met dit artikel. Deze handelwijze staat er niet aan in de weg dat verweerder, in het kader van zijn taak om te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht, het onderzoek naar de luchtkwaliteit bij zijn besluitvorming betrekt. Uit de stukken is gebleken dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit in de besluitvorming is meegenomen. De omstandigheid dat het onderzoek naar de luchtkwaliteit na de vaststelling van het plan heeft plaatsgevonden, behoeft derhalve niet te leiden tot onthouding van goedkeuring aan het plan.

2.8.5.    In het plangebied zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan die zijn genoemd in de categorieën 4 en 5 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Uit het overwogene in 2.7.8. volgt dat hieronder tevens bedrijven vallen die zijn gericht op het vervaardigen van chemische producten.

   In het luchtkwaliteitrapport is uitgegaan van de categorie "Overige industrie". Het vervaardigen van chemische producten valt niet onder deze categorie zodat in zoverre niet is uitgegaan van de maximaal mogelijke invulling van het bedrijventerrein.

   Evenwel is in het luchtkwaliteitsrapport tevens een berekening uitgevoerd waarbij is uitgegaan van een verdubbeling van de emissie van bedrijven in de categorie "Overige bedrijven". De aldus in aanmerking genomen emissie is hoger dan die voor de categorie "Chemische bedrijven". Ook uit die berekeningen blijkt dat geen sprake is van overschrijding van de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het luchtkwaliteitrapport in zoverre onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont.

2.8.6.    Met betrekking tot de in het onderzoek naar de luchtkwaliteit gehanteerde verkeersintensiteiten en emissiefactoren overweegt de Afdeling dat appellanten sub 1 niet aannemelijk hebben gemaakt dat het verkeersaanbod in 2005 niet strookt met de in het luchtkwaliteitrapport berekende verkeersintensiteiten in 2010 en dat de emissiefactoren voor 2010 geen betrouwbaar beeld van de effecten van het plan geven.

2.8.7.    Uit het overwogene in 2.7.9. volgt dat de N302 deel uitmaakt van de hoofdontsluitingsstructuur van het plangebied. In de huidige situatie is in een zone langs de N302 reeds sprake van overschrijding van de grenswaarden van het Blk 2005.

   In het luchtkwaliteitrapport van 23 december 2005 is evenwel geen onderzoek verricht naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het verkeer op de N302 van en naar het bedrijventerrein. Gelet hierop was ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende onderzoek naar de luchtkwaliteit gedaan om te kunnen concluderen dat na planverwezenlijking wordt voldaan aan het Blk 2005. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van appellanten sub 1 is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd wat betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 3", "Bedrijfsdoeleinden, categorie 4" en "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5".

2.8.8.    Ter zitting heeft het gemeentebestuur van Harderwijk de Afdeling verzocht toepassing te geven aan de bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten in geval van vernietiging. Daartoe is aangevoerd dat in het nader ingediende TNO-rapport de concentratieberekeningen voor de N302 zijn uitgevoerd waaruit blijkt dat het Blk 2005 niet aan goedkeuring van het plan in de weg staat.

   Ten aanzien van dat verzoek wordt als volgt overwogen. Ter zitting heeft het gemeentebestuur gesteld dat de reconstructie van de N302 zeker zal plaatsvinden. Daartoe is aangevoerd dat de benodigde gronden grotendeels door de provincie zijn verworven en reeds financiële reserveringen zijn gedaan. Gelet hierop kon hiermee bij het opstellen van het TNO-rapport rekening worden gehouden. Appellanten hebben de juistheid van het TNO-rapport niet, althans niet gemotiveerd, bestreden. Ook anderszins bestaat geen grond voor het oordeel dat het TNO-rapport onjuistheden bevat dan wel leemten in kennis vertoont. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan de in het Blk 2005 genoemde grenswaarden. Hierin ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand te laten.

Proceskostenveroordeling

2.9.    Verweerder dient ten aanzien van appellanten sub 1 op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van appellant sub 2 bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van appellanten sub 1 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 14 februari 2006, kenmerk RE2005.25961, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden, categorie 3", "Bedrijfsdoeleinden, categorie 4" en "Bedrijfsdoeleinden, categorie 5";

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dit is vernietigd geheel in stand blijven;

IV.    verklaart het beroep van appellant sub 2 ongegrond;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Gelderland aan appellanten sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat provincie Gelderland aan appellanten sub 1 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van Dorst

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

325-464.