Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200607023/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fok- en vleesvarkenshouderij met landbouwproductiebedrijf op het perceel [locatie], te Venray. Dit besluit is op 25 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607023/1.

Datum uitspraak: 6 juni 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Venray,

2.    [appellanten sub 2], wonend te Venray,

3.    [appellant sub 3], wonend te Venray,

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fok- en vleesvarkenshouderij met landbouwproductiebedrijf op het perceel [locatie], te Venray. Dit besluit is op 25 augustus 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief gedateerd 25 september 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 23 september 2006, appellanten sub 2 bij brief van 26 september 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, en appellant sub 3 bij brief van 5 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2006, beroep ingesteld. Appellant sub 3 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 1 november 2006.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 1 en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2007, waar appellant sub 1, in persoon, appellanten sub 2, van wie [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. L.P. Berg, appellant sub 3, vertegenwoordigd door mr. I.J. Verbaan, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Billekens en ing. F.W.M. Deenen, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. A.J. Likkel.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 voeren aan dat verweerder een onjuiste categorie-indeling in de zin van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) heeft gehanteerd. Verweerder is volgens hen ten onrechte uitgegaan van een categorie IV in plaats van een categorie III als bedoeld in de Wet stankemissie, nu de bebouwing in de directe omgeving van de inrichting een overwegende woonfunctie aan het buitengebied verleent. Volgens appellant sub 1 moet de omgeving zelfs aangemerkt worden als een categorie II, als gevolg van - zijns inziens - aaneengesloten bebouwing. In geval van een categorie III- of II-object kan niet aan de vereiste minimale afstand worden voldaan, aldus appellanten.

2.2.1.    Vast staat dat de Wet stankemissie in het onderhavige geval van toepassing is.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet stankemissie betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij die geheel of gedeeltelijk is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied of een extensiveringsgebied met het primaat natuur waarvoor een reconstructieplan is bekendgemaakt, de stankhinder uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 6.

   Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet stankemissie wordt een vergunning voor een veehouderij geweigerd, indien de afstand van de veehouderij tot een voor stank gevoelig object, behorend tot een van de categorieën I tot en met IV, dat niet tot de veehouderij behoort, minder bedraagt dan het aantal meters dat volgt uit de in de bijlage opgenomen berekeningsmethode.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, sub 1º, van de Wet stankemissie wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder voor stank gevoelig object categorie II verstaan: bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder voor stank gevoelig object categorie III: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, sub 2º, van de Wet stankemissie wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, verstaan onder voor stank gevoelig object categorie IV: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing.

2.2.2.    Het bij het bestreden besluit vergunde veebestand komt blijkens de stukken overeen met 1.926 mestvarkeneenheden. Uit de in de bijlage van de Wet stankemissie opgenomen berekeningsmethode volgt dat bij een dergelijk veebestand tot voor stank gevoelige categorie II-, III- en IV-objecten minimaal een afstand van respectievelijk 281 meter, 180 meter en 119 meter moet worden aangehouden, gemeten van het dichtstbijzijnde emissiepunt van de inrichting tot de buitenzijde van het stank gevoelige object.

   De inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Venray. In de directe omgeving van de inrichting ligt een cluster van tien burgerwoningen. Temidden van dit cluster bevinden zich geen agrarische bedrijven. Gelet op de situatie ter plaatse, die tijdens het verhandelde ter zitting aan de hand van foto's en kaarten is bezien, is de Afdeling van oordeel dat ter plaatse van dit cluster in ieder geval kan worden gesproken van verspreid liggende niet-agrarische bebouwingen die aan het desbetreffende gebied een overwegende woonfunctie verlenen als bedoeld in categorie III. De grootte van de percelen en de omstandigheid dat bij een aantal van deze woningen hobbymatig enkele schapen of paarden worden gehouden, maakt dit, anders dan verweerder stelt, niet anders.

   Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder voornoemde woningen ten onrechte heeft aangemerkt als categorie IV-objecten. Vast staat dat in dat geval, daargelaten de vraag of deze als categorie II- dan wel III-objecten dienen te worden aangemerkt, niet aan de minimaal vereiste afstanden ingevolge de Wet stankemissie wordt voldaan. De conclusie is dat het bestreden besluit, waarbij de gevraagde vergunning is verleend, in strijd is met artikel 3, eerste lid van de Wet stankemissie.

2.3.    De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.4.    Nu de vergunning op grond van artikel 3, eerste lid van de Wet stankemissie had moeten worden geweigerd, ziet de Afdeling aanleiding dienovereenkomstig in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venray van 22 augustus 2006, kenmerk Mila050021;

III.    weigert de gevraagde vergunning;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venray tot vergoeding van bij appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 39,73 (zegge: negenendertig euro en drieënzeventig cent); het dient door de gemeente Venray aan appellant sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venray tot vergoeding van bij appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Venray aan appellanten sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Venray tot vergoeding van bij appellant sub 3 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Venray aan appellant sub 3 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Venray aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 1, € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 2 en € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellant sub 3 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van Leeuwen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007

373-541.