Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
200701445/1 en 200701445/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 mei 2006 heeft de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 april 2006, het bestemmingsplan "Correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 1997" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701445/1 en 200701445/2.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2006 heeft de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 april 2006, het bestemmingsplan "Correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 1997" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 21 november 2006, kenmerk 00665766, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief gedateerd 1 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2007, beroep ingesteld.

Bij brief gedateerd 1 maart 2007, bij de Raad van State ingekomen op 27 februari 2007, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft bij brief van 10 april 2007 medegedeeld dat geen verweerschrift wordt uitgebracht.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2007, waar appellant, in persoon, en bijgestaan door mr. M.R. Molenaar, advocaat te Leeuwarden, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. K. van Stralen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Tytsjerksteradiel, vertegenwoordigd door D. Meloni, ambtenaar van de gemeente.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    Overwegingen

Toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Voorzitter kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met bestemming "Bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het perceel Kloosterlaan 81 (hierna: het plandeel).

   In dit verband voert appellant aan dat het plandeel ten onrechte een kwekerijbedrijf/hoveniersbedrijf op het perceel mogelijk maakt. Volgens hem is het plandeel in zoverre rechtsonzeker, omdat geen definitie van een kwekerijbedrijf/hoveniersbedrijf in de planvoorschriften is opgenomen.

   Appellant stelt geluid- en geurhinder te ondervinden van het ter plaatse van het perceel gevestigde bedrijf "Frisia terreininrichters en hoveniers (hierna: Frisia), door onder meer het aan- en afrijden van werkverkeer, alsmede herstel- en onderhoudswerkzaamheden aan auto's en machines. Volgens appellant voorziet het plandeel ten onrechte in een bouwvlak van 3.150 m² omdat dit volgens hem zal leiden tot toename van de geluid- en geurhinder en daarmee gepaard gaande een verslechtering van het woon- en leefklimaat. In dit verband voert appellant aan dat de toegestane uitbreiding van de bedrijfsgebouwen in strijd is met de rechtszekerheid omdat niet duidelijk is welke activiteiten hierin verricht kunnen worden. Daartoe voert hij aan dat van kassen geen overlast zal worden ondervonden, maar van een onderhoudsloods wel.

Het standpunt van verweerder

2.4.    Verweerder heeft de aanduiding "detailhandel: tuininrichtingsartikelen" op het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Voor het overige heeft verweerder geen reden gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het plandeel in zoverre goedgekeurd.

   Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het bedrijf een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer is afgegeven en dat bij naleving van de daarin opgenomen voorschriften een goed woon- en leefklimaat voldoende is gewaarborgd. Voorts stelt hij dat hij rekening heeft gehouden met een beperkte uitbreiding van de bestaande oppervlakte van het bedrijf van 2.700 m² naar 3.150 m² en de ligging van het bedrijf in de nabijheid van de kern Burgum.

Vaststelling van de feiten

2.5.    Bij zijn oordeelsvorming gaat de Voorzitter uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    Appellant woont op het perceel [locatie]. Op het perceel Kloosterlaan 81 is Frisia gevestigd. Tussen het perceel van appellant en het bedrijf is nog een ander woonperceel gelegen.

2.5.2.    In het voorheen geldende plan "Bebouwingsconcentraties Buitengebied (Burgum)" had het plandeel een agrarische bestemming en waren op het perceel bedrijfsgebouwen toegestaan tot een oppervlakte van 2.000 m2 en kassen tot een oppervlakte van 4.500 m2. Op het perceel staan bedrijfsgebouwen met een oppervlakte van ongeveer 2.200 m2.

2.5.3.    Ingevolge artikel 11, onder A, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in bijlage 3 bij het volgnummer dat in het bestemmingsvlak is aangegeven.

   Ingevolge artikel 11, onder C, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften geldt voor het bouwen van gebouwen dat de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen niet meer zal bedragen dan de maximale oppervlakte die in bijlage 3 is vermeld bij het volgnummer dat in het bestemmingsvlak is aangegeven.

   Op de plankaart is bij het plandeel het volgnummer 23 vermeld.

   In bijlage 3 is een lijst van toegestane bedrijven en maximale oppervlakten binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" opgenomen. Onder nummer 23 staat "Kwekerijbedrijf/Hoveniersbedrijf" met daarbij vermeld de SBI-code 1.29 en 01.3 van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgave 1992 (hierna: VNG-brochure). In de VNG-brochure staat bij de SBI-code 01.29 vermeld "Tuinbouwbedrijven met bedekte teelt (kassen)" en bij SBI-code 01.3 "Plantsoenendiensten, hoveniersbedrijven".

Het oordeel van de Voorzitter

2.6.    In de lijst van toegestane bedrijven die als bijlage 3 bij de planvoorschriften is opgenomen wordt verwezen naar de indeling in bedrijfstypen zoals die is opgenomen in de VNG-brochure. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende duidelijk is welke bedrijven op het plandeel zijn toegestaan. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre niet rechtsonzeker is.

2.6.1.    Verwezenlijking van het plan leidt tot een toename van de totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen op het perceel.

   Ingevolge artikel 11, onder A, eerste lid, van de planvoorschriften zijn uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van de in bijlage 3 genoemde bedrijven toegestaan. Gelet hierop zijn derhalve uitsluitend bedrijfsgebouwen op het perceel toegestaan ten behoeve van tuinbouwbedrijven met bedekte teelt (kassen)dan wel plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre niet rechtsonzeker is.

   Voor zover appellant heeft aangevoerd dat een toename van de bebouwingsmogelijkheden zal leiden tot een toename van de van Frisia te verwachten geur- en geluidhinder en een daarmee gepaard gaande verslechtering van het woon- en leefklimaat, overweegt de Voorzitter dat verweerder voor de beoordeling van de van dit bedrijf te verwachten hinder op dit punt aansluiting heeft gezocht bij de aan Frisia verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. Appellant heeft niet met feiten en omstandigheden onderbouwd dat de voorschriften in die vergunning ontoereikend zijn om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Voor zover appellant beoogt aan te voeren dat niet aan de voorschriften in de milieuvergunning wordt voldaan overweegt de Voorzitter dat dat bezwaar geen betrekking heeft op het in deze procedure ter beoordeling staande besluit omtrent goedkeuring en derhalve buiten beschouwing kan blijven.

2.6.2.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel, voor zover daaraan goedkeuring is verleend, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

   Het beroep is ongegrond.

   Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep ongegrond;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra                                    w.g. Van Dorst

Voorzitter                                       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

325-533.