Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6056

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200700770/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet horen getuigen / motiveringsgebrek

Blijkens het door de griffier ondertekende voorblad, behorende bij de aantekeningen van het verhandelde ter zitting van 7 november 2006, hebben appellanten twee met name genoemde getuigen meegebracht en zijn deze getuigen niet gehoord. De rechtbank heeft de door appellanten meegebrachte getuigen evenwel niet vermeld in de aangevallen uitspraak, noch heeft zij gemotiveerd overwogen waarom deze niet zijn gehoord. Weliswaar heeft de rechtbank, gelet op de tekst van artikel 8:63, tweede lid, van de Awb ten aanzien van het al dan niet horen van getuigen enige discretie, dit laat onverlet dat de rechtbank de beslissing om getuigen niet te horen dient te motiveren. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een motiveringsgebrek.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 194 met annotatie van I. Sewandono
JB 2007/134 met annotatie van D.W.M.W.
JV 2007/324
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700770/1.

Datum uitspraak: 21 mei 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2],

appellanten,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/14258 en 06/14261 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 28 december 2006 in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 21 februari 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 28 december 2006, verzonden op 29 december 2006, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 26 januari 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de tweede grief klagen appellanten dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte geen melding heeft gemaakt van de door appellanten naar de zitting meegebrachte maar niet gehoorde getuigen en heeft verzuimd te motiveren waarom het horen van deze getuigen naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2.2. Ingevolge artikel 8:63, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechtbank afzien van het horen van door een partij meegebrachte of opgeroepen getuigen en deskundigen, indien zij van oordeel is dat dit redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2.3. Blijkens het door de griffier ondertekende voorblad, behorende bij de aantekeningen van het verhandelde ter zitting van 7 november 2006, hebben appellanten twee met name genoemde getuigen meegebracht en zijn deze getuigen niet gehoord. De rechtbank heeft de door appellanten meegebrachte getuigen evenwel niet vermeld in de aangevallen uitspraak, noch heeft zij gemotiveerd overwogen waarom deze niet zijn gehoord. Weliswaar heeft de rechtbank, gelet op de tekst van artikel 8:63, tweede lid, van de Awb ten aanzien van het al dan niet horen van getuigen enige discretie, dit laat onverlet dat de rechtbank de beslissing om getuigen niet te horen dient te motiveren. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een motiveringsgebrek. De grief slaagt.

2.4. Hetgeen in de eerste grief is aangevoerd behoeft, gelet op het vorenstaande, geen bespreking.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

2.6. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, van 28 december 2006 in de zaken nos. AWB 06/14258 en 06/14261;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Zwemstra

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2007

91-553.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak