Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200605606/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2005 heeft de gemeenteraad van Almelo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 november 2005, het bestemmingsplan "Oost Groenpark Elhorsterveld" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Wet op de Ruimtelijke Ordening 23
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 192 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
NJB 2007, 1264
Module Ruimtelijke ordening 2007/447
ABkort 2007/288
JOM 2008/830
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605606/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Twence B.V.", gevestigd te Hengelo (Ov),

2.    [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Intratuin Almelo B.V." en [appellant sub 5a],

6.    de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu", gevestigd te Hengelo (Ov),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2005 heeft de gemeenteraad van Almelo, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 november 2005, het bestemmingsplan "Oost Groenpark Elhorsterveld" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 juni 2006, RWB/2005/4091, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 31 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2006, appellanten sub 2 bij brief van 12 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, appellant sub 3 bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, appellant sub 4 bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, appellanten sub 5 bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, en appellante sub 6 bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2006, beroep ingesteld. Appellant sub 4 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 12 oktober 2006. Appellanten sub 5 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 14 september 2006. Appellante sub 6 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 15 september 2006.

Bij brief van 1 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad van Almelo, appellanten sub 2 en appellant sub 4. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellanten sub 5. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2007, waar appellanten sub 2, vertegenwoordigd door E.J.A. Mossel, appellant sub 3, in persoon en bijgestaan door mr. B. Hamburger, appellant sub 4, in persoon, appellanten sub 5, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en appellante sub 6, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en verweerder, vertegenwoordigd door T. Drint, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord, de gemeenteraad van Almelo, vertegenwoordigd door W.G. Bekke en drs. M.D.M. Ganzevles, ambtenaren van de gemeente, en [Tuincentrum], vertegenwoordigd door eigenaar. Appellante sub 1 is niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1.    Verweerder heeft betoogd dat "Intratuin Almelo B.V." niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het bedrijf op te grote afstand van het plangebied is gevestigd, aldus verweerder.

Ook de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" kan volgens verweerder niet worden aangemerkt als belanghebbende. Hij wijst er in dat kader op dat de doelstellingen van de stichting zo ruim zijn geformuleerd, dat daarmee niet is aangetoond dat de stichting ook in dit geval een concreet belang heeft.

Gezien het vorenstaande is verweerder van mening dat de beroepen van "Intratuin Almelo B.V." en de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" niet-ontvankelijk zijn.

2.1.1.    Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

   Ingevolge het derde lid, van dit artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1.2.    Ten aanzien van "Intratuin Almelo B.V." is ter zitting gebleken dat deze appellante en het "[Tuincentrum]" - dat zich in het  groenpark, zoals in het bestemmingsplan is voorzien, zal gaan vestigen - gezien de aard van het assortiment in hetzelfde marksegment werkzaam zijn. Tevens is gebleken dat beide bedrijven in hetzelfde verzorgingsgebied actief zijn en zich tot dezelfde klantenkring richten. Gelet op het vorenstaande heeft appellante een bijzonder, individueel belang dat rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit.

2.1.3.    Op grond van artikel 2, eerste lid, van haar statuten heeft de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" ten doel:

a. het bevorderen van, het toezien op en de handhaving van de naleving van de regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening (Wet op de Ruimtelijke Ordening, Woningwet, Tracéwet, bestemmingsplannen, bouwvergunningen, aanlegvergunningen, etcetera), natuurwetgeving (Flora- en fauna wet etcetera) en milieuwetgeving (Wet geluidhinder, Wet milieubeheer etcetera).

b. de bescherming en het verbeteren van natuur, landschap, ruimtelijke ordening en milieu en het streven naar stilte (het streven naar lawaai-arme situaties) en veiligheid in Nederland en de overige landen van de Europese Unie, het behoud van het cultureel erfgoed, het bevorderen van het openbaar vervoer, het streven naar een duurzame samenleving, het oplossen en voorkomen van milieuproblemen en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn alles in de ruimste zin des woords.

c. het verrichten van alle handelingen die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

In het tweede lid van de statuten is bepaald dat het werkterrein van de stichting in elk geval omvat de Provincie Overijssel waaronder de gemeenten Dinkelland, Hengelo, Borne, Hof van Twente, Wierden, Tubbergen, Almelo, etcetera.

2.1.4.    De Afdeling stelt vast dat in vorenstaande doelstelling voldoende bepaald is omschreven wat de algemene en collectieve belangen zijn die door appellante in het bijzonder worden behartigd. Ook uit de feitelijke werkzaamheden van appellante blijkt van deze belangenbehartiging. Deze belangen worden rechtstreeks door het bestreden besluit geraakt. De stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" moet daarom worden beschouwd als belanghebbende bij het bestreden besluit, in de zin van artikel 1:2, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.1.5.    Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding om de beroepen van "Intratuin Almelo B.V." en de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" niet-ontvankelijk te verklaren.

Terinzagelegging stukken

2.2.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier van belang, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, aangevuld met enkele voorschriften in artikel 23 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat deel uitmaakt van afdeling 3.4., legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp ter inzage.

Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht te zien als een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht, welke ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan.

Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het (ontwerp van het) plan, zodat zij kunnen bezien of zij daartegen willen opkomen.

2.3.    [appellanten sub 2], "Intratuin Almelo B.V." en [appellant sub 5a] en de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" stellen dat een aantal op het plan betrekking hebbende stukken, waaronder een akoestisch rapport, niet met het ontwerp ter inzage heeft gelegen. Ter onderbouwing van deze stelling is door Intratuin Almelo B.V., [appellant sub 5a] en de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" een verklaring overgelegd van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder M. Steghuis, gedateerd 2 augustus 2005, waarin is vermeld dat in de namiddag van 2 augustus 2005 op het gemeentehuis van Almelo is verzocht om inzage in het betreffende bestemmingsplandossier en dat toen de rapporten inzake het bodemonderzoek, het flora- en faunaonderzoek en de beschikking van de Minister van LNV, het archeologische onderzoek en het geluidsonderzoek niet aanwezig waren in het ter hand gestelde dossier.

2.4.    Voor zover verweerder en de gemeenteraad stellen dat deze verklaring buiten beschouwing dient te blijven, omdat deze pas in de beroepsprocedure is overgelegd en niet kenbaar is gemaakt in de bedenkingenfase aan verweerder, terwijl de verklaring toen wel al op verzoek van de gemachtigde van de betrokken appellanten was opgemaakt, overweegt de Afdeling als volgt. Het stuk dient ter ondersteuning van eerder door genoemde appellanten aangevoerde zienswijzen, bedenkingen en beroepsgronden en is niet zo laat overgelegd dat daarop door verweerder en de gemeenteraad niet meer adequaat gereageerd kon worden. Door appellanten is er reeds in hun zienswijzen en in hun bedenkingen uitdrukkelijk over geklaagd dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage zijn gelegd.

De door Intratuin Almelo B.V. en [appellant sub 5a] en de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" geschetste gang van zaken komt overeen met de ervaringen van [appellanten sub 2]. Ook door hen is verklaard, hetgeen ter zitting nog eens is herhaald, dat zij niet alle voor de beoordeling van het ontwerp relevante onderliggende rapporten hebben kunnen inzien.

2.5.    Gelet op de stukken, alsmede het verhandelde ter zitting, acht de Afdeling aannemelijk dat een aantal stukken, waaronder de rapportage van het akoestische onderzoek, niet met het plan ter inzage zijn gelegd, in die zin dat zij naar aanleiding van het verzoek om inzage van de stukken niet aan de verzoeker ter hand zijn gesteld. Niet in geschil is dat het hier om op het plan betrekking hebbende stukken gaat, die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het ontwerp. De stelling van de gemeenteraad dat het op de weg van de gemachtigde van de betrokken appellanten, die beroepsmatig bekend is met bestemmingsplanprocedures, heeft gelegen om bij de afdeling publiekszaken van de gemeente te vragen om inzage van de ontbrekende onderliggende rapporten, slaagt niet. Een dergelijke uitleg van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb zou er immers toe leiden dat de uit deze bepaling voortvloeiende verplichting wordt beperkt tot een passieve plicht tot openbaarmaking. Ook gelet op de bewoordingen van deze bepaling, dat spreekt van het ter inzage leggen van de op het ontwerp betrekking hebbende stukken "met" het ontwerp van het besluit, dienen deze stukken tezamen met het ontwerp van het bestemmingsplan voor inzage beschikbaar te zijn en bij een verzoek om inzage van de op het ontwerp betrekking hebbende stukken ter hand te worden gesteld. Voor zover het bestemmingsplan en de op het plan betrekking hebbende stukken in de gemeente Almelo in twee afzonderlijke mappen waren opgenomen, dienden dan ook beide mappen ter inzage te worden aangeboden.

2.5.1.    Gelet op het vorenstaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Nu verweerder het plan niettemin heeft goedgekeurd, heeft hij gehandeld in strijd met de genoemde artikelen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

De beroepen van [appellanten sub 2], "Intratuin Almelo B.V." en [appellant sub 5a] en de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Uit het voorgaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het bestemmingsplan.

2.5.2.    Gelet op het vorenstaande behoeven de overige beroepsgronden van [appellanten sub 2], "Intratuin Almelo B.V." en [appellant sub 5a] en de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" geen bespreking meer en zijn ook de beroepen van de andere appellanten gegrond.

2.6.    Ten aanzien van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Twence B.V." is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

Ten aanzien van de overige appellanten dient verweerder op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 26 juni 2006, kenmerk RWB/2005/4091;

III.    onthoudt goedkeuring aan het door de gemeenteraad van Almelo vastgestelde bestemmingsplan "Oost Groenpark Elhorsterveld";

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel

in de door na te noemen appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte proceskosten tot een bedrag van totaal

€ 1729,49, dit bedrag dient door de provincie Overijssel als volgt te worden betaald:

- aan [appellanten sub 2] € 39,83 (zegge: negenendertig euro en drieëntachtig cent);

- aan [appellant sub 3] € 361,83 (zegge: driehonderdeenenzestig euro en drieëntachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan [appellant sub 4] € 39,83 (zegge: negenendertig euro en drieëntachtig cent);

- aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Intratuin Almelo B.V." en [appellant sub 5a] € 644,00, (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- aan de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu", € 644,00, (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de provincie Overijssel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Twence B.V.", € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro), voor [appellanten sub 2], € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro voor [appellant sub 3], € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [appellant sub 4], € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Intratuin Almelo B.V." en [appellant sub 5a] en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor de stichting "Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu" vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Tuit

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

425