Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200700078/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) geweigerd appellant vergunning te verlenen voor het kappen van een lindeboom in de [locatie] te Kerkrade (hierna: de lindeboom).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200700078/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kerkrade,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/317 van de rechtbank Maastricht van 28 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) geweigerd appellant vergunning te verlenen voor het kappen van een lindeboom in de [locatie] te Kerkrade (hierna: de lindeboom).

Bij besluit van 23 december 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2005 heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2004 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank.

Bij besluit van 20 december 2005 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de Centrale Bezwaarschriften- en Klachtencommissie Kerkrade van 14 december 2005, het door appellant gemaakte bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2006, verzonden op die dag, heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 januari 2007, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 januari 2007. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 februari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2007, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.H.M. Verjans, en het college, vertegenwoordigd door T.H.M. Mertens en M. Verjans, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en sub a, van de Kapverordening Kerkrade 1994 (hierna: de Verordening) wordt voor de toepassing van de Verordening onder 'houtopstand' verstaan: hakhout, een houtwal of een of meer bomen.

    In artikel 2, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

    In artikel 3, eerste lid, van de Verordening is bepaald, dat de vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

    Op grond van artikel 5 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van de handhaving van het natuur-, landschaps- of dorps-/-stadsschoon of om andere redenen van milieubeheer.

2.2.    De lindeboom staat op het perceel van appellant aan de [locatie] te Kerkrade op een afstand van 3,50 meter van de voorgevel van zijn woning.

2.3.    Appellant heeft allereerst betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 5 van de Verordening in dit geval geen grond oplevert om de kapvergunning te weigeren, omdat de lindeboom niet het door het college thans aan de weigering van de kapvergunning ten grondslag gelegde predicaat 'stadsschoon' verdient.

2.3.1.    Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid kon concluderen dat de onderhavige gezonde boom van ongeveer 75 jaar met een hoge toekomstverwachting in het belang van het stadsschoon bescherming toekwam als is beoogd in artikel 5 van de Verordening. Zij heeft terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de lindeboom (straat)beeldbepalend is en cultuurhistorische waarde heeft en dat daaraan betekenis kon worden toegekend bij het antwoord op de vraag of deze boom van belang is voor het stadsschoon. Bovendien is de boom als waardevol en monumentaal aangemerkt; aan dit standpunt heeft een bomeninventarisatie uitgevoerd in de periode 2003-2004 door een landschapsarchitect ten grondslag gelegen.

2.4.    Appellant heeft voorts betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het college een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt en dat het kappen van de lindeboom gelet op zijn belangen gerechtvaardigd was. In dit verband heeft hij aangevoerd dat de rechtbank te weinig belang heeft gehecht aan de onhoudbare situatie in zijn voortuin, die is ontstaan door de omvang van de boom in zijn kleine tuin en de afstand van de boom tot zijn woning. Voorts betoogt appellant dat de wortels van de lindeboom een gevaar of dreigend gevaar opleveren voor de ondergrondse nutsleidingen en het fundament van zijn woning. Ook vreest hij voor beschadigingen aan het dak en de dakgoten van zijn woning door onder meer het vallen van takken. Ten slotte heeft hij gewezen op de overlast die de boom in zijn voortuin en aan de hemelwaterafvoer veroorzaakt.

2.4.1.    Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de vraag of door appellant dusdanige belangen zijn aangevoerd dat voor het college aanleiding bestond deze te laten prevaleren boven het belang van het behoud van de boom als zijnde waardevol voor het stadsschoon, ontkennend moet worden beantwoord. Hierbij heeft de rechtbank terecht beslissende betekenis toegekend aan de bevindingen van het in september 2005 door de gemeente verrichte onderzoek naar de mogelijke veiligheidsrisico's als gevolg van beschadigingen bij en/of onder de boom aanwezige nutsleidingen. Blijkens de in het kader van dit onderzoek verrichte graafwerkzaamheden in de omgeving van genoemde leidingen is geen enkele zware wortel aangetroffen en zijn er alleen haarwortels aangetroffen. Appellant heeft ter staving van zijn stelling dat het zou gaan om een ontoereikend onderzoek geen contra-expertise overgelegd. Voorts is in dit verband niet zonder belang dat de gemeente heeft toegezegd dat de boom in een onderhoudsprogramma wordt opgenomen hetgeen onder meer inhoudt dat de takken boven het dak gesnoeid worden en dat dood hout in de boom wordt verwijderd. Eens in de drie jaar zal de boom van gemeentewege volgens een vastgestelde planning worden geïnspecteerd, waarna zo nodig de gewenste maatregelen worden getroffen. Ten slotte is toegezegd dat periodiek zorg zal worden gedragen voor het schoonmaken van de hemelwaterafvoeren. Onder deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat de boom zodanig gevaar of zodanige overlast zal veroorzaken, dat het belang van het behoud van de boom daarvoor moet wijken.

2.4.2.    Ten slotte heeft de rechtbank terecht het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de vier door appellant in dit kader genoemde gevallen het gaat om situaties waarin de kapvergunning is verleend voor de periode 2003-2004 uitgevoerde bomeninventarisatie in de gemeente. Deze inventarisatie heeft inmiddels geresulteerd in een lijst van bomen, waarvan de hier in geding zijnde lindeboom deel uitmaakt. Reeds vanwege de omstandigheid dat de lindeboom waarvoor de kapvergunning is gevraagd de status waardevol en monumentaal heeft gekregen, welke status niet was toegekend aan de bomen waarvoor in de door appellant genoemde gevallen kapvergunning is verleend, is geen sprake van gelijke gevallen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van

mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Ouwehand

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

224