Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6021

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200607679/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft de burgemeester van Nijmegen (hierna: de burgemeester) de sluiting van de seksinrichting aan de [locaties] te Nijmegen voor één maand, ingaande twee weken na 11 oktober 2005, bevolen. Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft hij appellant aangezegd dat de inrichting met ingang van 4 november 2005 voor de duur van één maand met toepassing van bestuursdwang zal worden gesloten, tenzij appellant de inrichting voor die dag voor één maand heeft gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607679/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/1439 van de rechtbank Arnhem van 8 september 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Nijmegen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2005 heeft de burgemeester van Nijmegen (hierna: de burgemeester) de sluiting van de seksinrichting aan de [locaties] te Nijmegen voor één maand, ingaande twee weken na 11 oktober 2005, bevolen. Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft hij appellant aangezegd dat de inrichting met ingang van 4 november 2005 voor de duur van één maand met toepassing van bestuursdwang zal worden gesloten, tenzij appellant de inrichting voor die dag voor één maand heeft gesloten.

Bij besluit van 27 januari 2006 heeft de burgemeester de door appellant daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 november 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 december 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. M.J. Scholten, advocaat te Arnhem, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. Ö. Dalar-Ummaz, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

   Ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Nijmegen (hierna: de APV), voor zover thans van belang, is het verboden een seksinrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

   Ingevolge artikel 3.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, kan in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk, het bevoegd bestuursorgaan van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

   Ingevolge artikel 3.2.5, eerste lid, is het verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, zijn de exploitant en de beheerder verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

   Ingevolge artikel 3.1.3 kan het college van burgemeester en wethouders met het oog op de in artikel 3.3.2 vermelde belangen over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

   Ingevolge artikel 3.3.2, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, voor zover thans van belang, kan de vergunning, bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, worden geweigerd in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of -veiligheid en de gezondheid of zedelijkheid.

   Bij besluit van 12 september 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders krachtens voormeld artikel 3.1.3 nadere regels vastgesteld (hierna: de Nadere regels).

   Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, daarvan zijn de exploitant en beheerder van een seksinrichting of escortbedrijf verplicht een register bij te houden met daarin opgenomen naam, adres en geboortedatum van alle in het bedrijf werkzame personen.

2.2.    De burgemeester heeft de sluiting bevolen, omdat de politie bij een controle op 13 augustus 2005 heeft vastgesteld dat de exploitant, noch de op de exploitatievergunning vermelde beheerder in de inrichting aanwezig waren, zich in de inrichting twee vrouwen verborgen hielden, van wie de een niet over een verblijfstitel beschikte, terwijl het de ander niet was toegestaan als raamprostituee te werken en bovendien in de inrichting geen register, als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Nadere regels, aanwezig was.

   Nadat de politie op 26 en 27 oktober 2005 had vastgesteld dat niet aan het sluitingsbevel was voldaan, heeft de burgemeester op die laatste dag besloten, als hiervoor vermeld.

2.3.    Anders dan de burgemeester ter zitting heeft betoogd, leidt de omstandigheid dat de aan appellant verleende exploitatievergunning inmiddels is ingetrokken en die intrekking in rechte onaantastbaar is niet tot het oordeel dat deze geen belang heeft bij het hoger beroep, nu appellant ter zitting heeft gesteld dat hij als gevolg van de besluiten tot sluiting schade heeft geleden, die hij wenst te verhalen en hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat dat zo is.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester ten onrechte niet heeft vermeld, krachtens welke bevoegdheden de in bezwaar bestreden besluiten zijn genomen, nu de termen bestuursdwangmaatregel, bestuursdwang en bestuurlijke maatregel daarin door elkaar zijn gebruikt en hem voorts niet de gelegenheid is geboden om zijn zienswijze tegen de aanzegging van de bestuursdwang in te brengen.

2.4.1.    Dit betoog slaagt niet. Dat in de correspondentie, voorafgaand aan de primaire besluiten, zowel het voornemen tot toepassing van bestuursdwang, als een bestuurlijke maatregel wordt vermeld, doet er niet aan af dat die besluiten voldoende duidelijk maken dat daarin krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV sluiting wordt bevolen en vervolgens, vanwege het niet nakomen van het desbetreffende bevel, krachtens artikel 125 van de Gemeentewet toepassing van bestuursdwang wordt aangekondigd. Voorts valt uit het door appellant gestelde niet op te maken dat hij door de gestelde onduidelijkheid is benadeeld, nu, zowel de bestuurlijke maatregel, als de opgelegde last tot sluiting van de inrichting voor een maand strekt. Aan de gestelde schending van de in artikel 4:8, eerste lid, van de Awb neergelegde hoorplicht heeft de rechtbank voorts terecht niet de gevolgen verbonden die appellant daaraan gehecht wilde zien, omdat appellant in elk geval op het door hem gemaakte bezwaar is gehoord.

2.5.    Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester het overleggen van een stapel kopieën van identiteitsbewijzen ten onrechte niet als het bijhouden van een register in de zin van artikel 5.2 van het besluit van de Nadere regels heeft aangemerkt, slaagt evenmin. De burgemeester heeft een stapel losse kopieën terecht niet als doorlopend register, als bedoeld in voormelde bepaling, aangemerkt.

2.6.    Voorts voert appellant aan dat de rechtbank heeft miskend dat het bevel de inrichting voor de duur van één maand te sluiten een punitieve sanctie is en de waarborgen uit de artikelen 6 en 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), alsmede uit de artikelen 14 en 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) bij de besluitvorming ten onrechte niet in acht zijn genomen.

2.6.1.    Ook dat betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 3 mei 2006 in zaak no. 200508353/1 (JB 2006/190), is een bevel tot tijdelijke sluiting, als hier gegeven, gericht op bescherming van de openbare orde en niet mede of uitsluitend op toevoeging van geïndividualiseerd concreet leed of nadeel. Aldus is het bevel geen "criminal charge" in de zin van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank heeft terecht geen strijdigheid met artikel 6 en/of artikel 7 van het EVRM aangenomen. Evenmin geeft het aangevoerde grond voor het oordeel dat sprake is van strijdigheid met de artikelen 14 en 15 van het IVBPR.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Den Broeder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

306-440.