Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6019

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200606045/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beauvast Europe B.V. vrijstellingen en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met parkeerkelder aan de Lutkenieuwstraat te Groningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606045/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2122 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 juli 2006 in het geding tussen:

[wederpartijen] en appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beauvast Europe B.V. vrijstellingen en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met parkeerkelder aan de Lutkenieuwstraat te Groningen.

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2007, waar appellanten, vertegenwoordigd door [twee van de appellanten], en het college van burgemeester en wethouders van Groningen, vertegenwoordigd door G.D. Homan, M.G. Braam-Boerema en J.N.M. Verhaar, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Beauvast Europe B.V., vertegenwoordigd door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, en W. van Smeden, daar gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het oprichten van 27 appartementen in 4 blokken verdeeld over 3 en 5 woonlagen en een ondergrondse parkeergarage ten behoeve van de appartementen.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad 1995" heeft de grond waarop het bouwplan ziet de bestemming "Stadscentrum".

   Ingevolge artikel 5.1 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor: wonen, onderwijs, detailhandel, horeca, sociaal-culturele voorzieningen, bedrijven, groothandel en dienstverlening, alsmede bij de doeleinden behorende additionele voorzieningen, zoals: bergingen en andere nevenruimten, al dan niet gebouwde parkeervoorzieningen, tuinen en erven met inbegrip van daarbij behorende voet- en fietspaden.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, dienen de bebouwingseisen zoals aangegeven op de kaarten A t/m D ten aanzien van bebouwingspercentage, vloerindex, aantal bouwlagen en korrelgrootte in acht te worden genomen.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 6, derde lid, in die zin, dat onder meer het maximum aantal bouwlagen met 1 mag worden verhoogd en de vloerindex met een percentage van 20 mag worden verhoogd.

   Ingevolge artikel 2, sub c, van de planvoorschriften worden bij de berekening van het aantal bouwlagen de bijzondere bouwlagen niet meegerekend.

   Ingevolge artikel 1, sub j, van de planvoorschriften wordt onder "bouwlaag" verstaan: een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping.

   Ingevolge artikel 1, sub k, van de planvoorschriften wordt onder "bijzondere bouwlaag" verstaan: kelders, souterrains, kappen en dakopbouwen.

2.3.    Vast staat dat het bouwplan niet voldoet aan het op de plankaart aangegeven bebouwingspercentage, de daarop weergegeven vloerindex en het daar vermelde aantal bouwlagen. Teneinde niettemin bouwvergunning te verlenen heeft het college krachtens artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften vrijstelling verleend voor het realiseren van een derde en vijfde bouwlaag voor respectievelijk het oostelijk en het westelijk gedeelte van het bouwplan alsook krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend voor de overschrijding van het bebouwingspercentage en de overschrijding van het percentage van de vloerindex voor het oostelijke gedeelte van het bouwplan.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de parkeerkelder ten onrechte niet heeft betrokken bij de berekening van het aantal bouwlagen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden om krachtens artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen.

   Dit betoog faalt. Blijkens de bouwtekeningen bevindt de parkeerkelder zich grotendeels ondergronds en is de hoofdingang van de appartementen op de daarboven gelegen verdieping gesitueerd. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat de parkeerkelder geen bouwlaag is als bedoeld in de planvoorschriften, maar tot de onderbouw gerekend moet worden.

   De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het op grond van het oordeel dat de parkeerkelder op grond van artikel 2, sub c, van de planvoorschriften, als kelder en dus als bijzondere bouwlaag niet behoefde te worden meegerekend, geoordeeld dat aan de voorwaarden voor toepassing van de in artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften opgenomen bevoegdheid is voldaan.

2.5.    Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen.

2.6.    Appellanten betogen tevergeefs dat niet sprake is van een geval, dat past binnen de lijst van door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen, zodat het college niet bevoegd was vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen.

2.6.1.    Gedeputeerde staten van de provincie Groningen (hierna: gedeputeerde staten) hebben op 18 mei 2004 categorieën van gevallen aangewezen waarin het college zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar vrijstelling kan verlenen. Als categorie is aangeduid het geheel of gedeeltelijk vernieuwen, veranderen, uitbreiden of vervangen van andere gebouwen, niet woningen en woongebouwen zijnde, al dan niet met functieverandering, mits, voor zover van belang, het project naar aard en schaal in de omgeving past.

   Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 28 juni 2006, inzake no. 200506294/1 (AB 2006/236), betreft de door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, een algemeen verbindend voorschrift waarvan de bekendmaking ingevolge artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet dient te geschieden door plaatsing in het provinciaal blad. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat een dergelijk voorschrift niet verbindt, dan wanneer het is bekendgemaakt.

   Vaststaat dat de lijst van 18 mei 2004 ten tijde van de beslissing op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt.

   Inmiddels hebben gedeputeerde staten op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze in het Provinciaal Blad van de provincie Groningen van 9 augustus 2006, 2006/24, een lijst met categorieën van gevallen als vorenbedoeld bekendgemaakt. Daarbij is vermeld dat deze terugwerkt tot 18 mei 2004. In die lijst is als categorie aangeduid het vernieuwen, veranderen, vergroten, uitbreiden, vervangen en/of wijzigen van het gebruik van woningen en bijbehorende gebouwen, woongebouwen en andere gebouwen, mits het project naar aard en schaal in de bestaande ruimtelijke en functionele structuur past.

2.6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 december 2006 in zaak no. 200604465/1 en 200604465/2 komt het college vrijheid toe bij de beoordeling of aan de algemene toepassingsvoorwaarden in de provinciale vrijstellingslijst is voldaan. In de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2005, waarbij de vrijstelling is gehandhaafd, is in dit verband verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing van het project. De ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door een ambtelijke notitie van juni 2004. Daarin is gemotiveerd dat het bouwplan, gelet op de functie, korrelgrootte en hoogte naar aard en schaal in de omgeving past, die ruimtelijk functioneel bijdraagt aan de stad, de stedelijkheid en het stedelijk beeld, waarbij in aanmerking is genomen dat het bestemmingsplan de functie en de omvang van het bouwplan toestaat.

2.6.3.    Gelet op het voorgaande kon het college zich op het standpunt stellen dat het ging om een geval als bedoeld in de op 18 mei 2004 vastgestelde lijst van categorieën. Hoewel de bewoordingen van de in dit geval van belang zijnde categorie van de op 9 augustus 2006 bekend gemaakte lijst enigszins afwijken van die van de op 18 mei 2004 vastgestelde lijst, waaraan het college heeft getoetst, is de strekking ervan hetzelfde gebleven. Voor de vraag of het project past binnen de categorie van de op 9 augustus 2006 bekend gemaakte lijst, is derhalve geen andere beoordeling vereist, dan die het college heeft verricht. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat het college ten tijde van de beslissing op bezwaar bevoegd was om de vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen. Het besluit op bezwaar van 10 oktober 2005 is alsnog van een wettelijke grondslag voorzien. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat vanuit een oogpunt van rechtszekerheid geen bezwaren bestaan tegen de aan de lijst verleende terugwerkende kracht.  

2.7.    Appellanten betogen voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een onaanvaardbare aantasting van hun woongenot, zodat het college de vrijstellingen niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

   Het bestemmingsplan staat ter plaatse woonbebouwing met daarbij behorende parkeervoorzieningen toe en geeft daarvoor ruime bouwmogelijkheden. De afwijking van het bestemmingsplan betreft een overschrijding van het bebouwingspercentage, de vloerindex en het aantal bouwlagen. De overschrijding van het bebouwingspercentage wordt voornamelijk veroorzaakt door de parkeergarage, die slechts 1 meter boven peil uitkomt. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze overschrijding geen onaanvaardbare aantasting van het woongenot van appellanten tot gevolg heeft. Uit de bij het bouwplan behorende bezonningsdiagrammen van 29 juli 2005 blijkt verder dat de realisering van de derde en de vijfde bouwlaag ten opzichte van een tweede en een vierde bouwlaag een geringe invloed heeft op de zonlichttoetreding tot omliggende percelen. Niet is voorts aannemelijk gemaakt dat de overschrijding van de vloerindex tot een aantasting als vorenbedoeld zal leiden. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat van onevenredige schending van de privacy van appellanten evenmin is gebleken. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat het bouwplan is voorzien op een locatie in de binnenstad van Groningen en voorts dat voldoende aannemelijk is dat artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking zal worden genomen.

   Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in verband met de realisatie van de parkeerkelder een verkeersonveilige situatie tot gevolg heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft zich, gelet op het overgelegde onderzoek naar verkeersbewegingen in parkeergarages in de nabije omgeving in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verkeerssituatie of overlast niet zodanig verslechtert dat het zijn besluit de vrijstellingen te verlenen niet in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

2.8.    Appellanten betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet de adviezen van 22 juni en 22 juli 2005 van de commissie voor de welstandszorg aan zijn bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, omdat de voorzitter van deze commissie de architect van het bouwplan is. Uit deze adviezen blijkt dat deze zonder betrokkenheid van de voorzitter tot stand zijn gekomen.

   Het door appellanten overgelegde tegenadvies van G. Daan van mei 2005 leidt evenmin tot dat oordeel. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college dat advies terzijde heeft kunnen leggen, gelet op het naar aanleiding hiervan gevraagde tweede advies van de Commissie voor de Welstandszorg van 22 juli 2005, waarin gemotiveerd op het standpunt van G. Daan is ingegaan. Voorts heeft de rechtbank in de omstandigheid dat appellanten door de commissie beroep- en bezwaarschriften niet in de gelegenheid zijn gesteld om op het nadere advies van 22 juli 2005 te reageren, terecht geen aanleiding gezien de beslissing op bezwaar te vernietigen. Naar het oordeel van de Afdeling kan dat advies niet worden aangemerkt als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit dat voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kan zijn, nu dit advies is gevraagd ter bevestiging van het naar aanleiding van een eerder aan de Commissie voor de Welstandszorg gevraagd advies van 22 juni 2005 ingenomen standpunt van het college dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Gelet hierop was het college, anders dan appellanten betogen, niet op grond van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht gehouden hen over het welstandsadvies van 22 juli 2005 te horen.

2.9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.  

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Duursma

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

378