Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA6017

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200605669/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2006, heeft appellant sub 2 het wijzigingsplan "Wijziging bouwperceel [locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605669/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Leusden,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Leusden,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2006, heeft appellant sub 2 het wijzigingsplan "Wijziging bouwperceel [locatie]" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 4 juli 2006, nummer 2006REG001897i, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 1 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2006, en appellant sub 2 bij brief van 9 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2006, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 2 oktober 2006. Appellant sub 2 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 26 september 2006.

Bij brief van 22 november 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2007, waar appellant sub 1 in persoon en bijgestaan door ing. J. Bouwman, werkzaam bij Agra-Matic B.V. te Ede, appellant sub 2, vertegenwoordigd door P.Th. van Nimwegen, ambtenaar van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. P.A. Regter, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het plan voorziet in wijziging en vergroting van het agrarische bouwblok van het intensieve veehouderijbedrijf van appellant sub 1 aan de [locatie] te Leusden, teneinde de bouw van twee pluimveestallen mogelijk te maken. Verweerder heeft goedkeuring aan het plan onthouden. Appellanten bestrijden deze onthouding van goedkeuring.

2.2.    Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

2.3.    Verweerder acht het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe heeft hij overwogen dat het plan in het licht van het beleid dat is opgenomen in het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost (hierna: het Reconstructieplan) onvoldoende is onderbouwd, nu de verrichte omgevingstoets te beperkt is, geen ondernemingsplan is overgelegd en geen aandacht is besteed aan de landschappelijke inpassing. Verder leidt het plan volgens verweerder blijkens de aanvraag tot een toename van de ammoniakdepositie, hetgeen in strijd is met het zogenoemde stand still-beginsel in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998.

2.4.    Appellanten bestrijden het standpunt van verweerder dat het plan niet voldoet aan het beleid dat is opgenomen in het Reconstructieplan. Volgens hen biedt het Reconstructieplan juist mogelijkheden voor bestaande bedrijven om zich in de toekomst te blijven ontwikkelen. Het opstellen van een omgevingstoets en een ondernemingsplan en het doen van onderzoek naar landschappelijke inpassing achten zij in dit geval niet noodzakelijk, nu deze informatie bij verweerder al bekend is dan wel in het kader van de bouwvergunningsprocedure aan de orde zal komen. Appellant sub 1 wijst in dit verband op de omstandigheid dat de in het plan opgenomen vergroting van het bouwblok ook is doorgevoerd in het nieuwe in voorbereiding zijnde bestemmingsplan voor het buitengebied en dat verweerder in het kader van het vooroverleg daarover geen opmerkingen heeft gemaakt. Verder zal het plan volgens appellanten, gelet op de verleende milieuvergunning, niet leiden tot een toename van de ammoniakdepositie en houdt de vergunningverlening ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 huns inziens geen verband met dit plan.

2.5.    Het grondgebied van de gemeente Leusden maakt deel uit van het concentratiegebied Oost, als bedoeld in de Reconstructiewet concentratiegebieden. In december 2004 en januari 2005 hebben provinciale staten van Utrecht en Gelderland het hiervoor genoemde Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost vastgesteld, waarbij het gebied is aangegeven waar de reconstructie daadwerkelijk plaatsvindt. Vaststaat dat het perceel van appellant sub 1 is gelegen in het gebied van het Reconstructieplan, het zogenoemde reconstructiegebied. Niet in geschil is dat zijn bedrijf een intensief veehouderijbedrijf is. Op het bedrijf van appellant sub 1 is het Reconstructieplan dan ook van toepassing.

   De gronden van appellant sub 1 zijn gelegen in het gedeelte van het reconstructiegebied dat is aangemerkt als verwevingsgebied. Volgens de Reconstructiewet concentratiegebieden is dit een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

   In het Reconstructieplan is het beleid ten aanzien van verwevingsgebieden, voor zover hier van belang, als volgt verwoord:

"Nieuwvestiging van intensieve veehouderij is niet toegestaan. In het verwevingsgebied liggen veel bestaande agrarische bedrijven die een intensieve veehouderijtak kunnen ontwikkelen. Om de concentratiegedachte gestalte te geven en vanwege de aanwezigheid van andere belangen, willen wij terughoudend omgaan met de ontwikkelingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen in dit gebied." (p. 82) en:

Vergroting van het bouwperceel bij uitbreiding van intensieve veehouderij is alleen mogelijk wanneer deze uitbreiding door de desbetreffende gemeente is getoetst aan de ter plaatse van belang zijnde omgevingskwaliteiten (landschap, natuur en/of water). Bij deze toets worden een over te leggen ondernemingsplan en de mogelijkheden van landschappelijke inpassing betrokken. Eventuele vergroting van het bouwperceel wordt in ieder geval beperkt tot een eenmalige uitbreiding van maximaal 30% van het bouwperceel (p. 83 en 118).

2.6.    Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan, dat voorziet in wijziging en vergroting van het agrarische bouwblok van het intensieve veehouderijbedrijf van appellant sub 1, dient te worden getoetst aan de ten aanzien van verwevingsgebieden in het Reconstructieplan opgenomen voorwaarden. Het betoog van appellant sub 2 dat de mogelijkheden van landschappelijke inpassing eerst een rol zullen spelen bij een aanvraag voor een bouwvergunning slaagt dan ook niet, nu het geven van inzicht in deze mogelijkheden één van deze voorwaarden is.

   Niet in geschil is dat het gemeentebestuur het plan niet heeft getoetst aan de ter plaatse van belang zijnde omgevingskwaliteiten, maar heeft volstaan met de vaststelling dat het gebied in het geldende bestemmingsplan een agrarische bestemming heeft. Evenmin is in geschil dat geen ondernemingsplan is overgelegd en dat de mogelijkheden van landschappelijke inpassing niet zijn onderzocht.

Het plan is dan ook niet voorbereid overeenkomstig bovenstaand beleid uit het Reconstructieplan.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij betrekt de Afdeling dat appellanten bekend waren, althans konden zijn, met dit beleid en daarmee bij de voorbereiding van het plan rekening hebben kunnen houden. De omstandigheid dat de in het plan opgenomen vergroting van het bouwblok ook is doorgevoerd in het in procedure gebrachte nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied en dat verweerder in het kader van het vooroverleg met het gemeentebestuur daarover geen opmerkingen heeft gemaakt, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder in de procedure leidend tot het thans bestreden besluit niet aan zijn in het Reconstructieplan neergelegde beleid heeft kunnen vasthouden. Overigens staat het het gemeentebestuur vrij bij de te verrichten omgevingstoets aan te sluiten bij het aan het in voorbereiding zijnde nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied ten grondslag liggende onderzoek.

   Het betoog van appellant sub 2 dat een omgevingstoets in dit geval niet nodig is nu het een bestaand bedrijf betreft, waarbij door de omzetting van een intensieve varkenshouderij naar een intensieve pluimveehouderij binnen de bestaande milieugebruiksruimte in feite geen sprake is van uitbreiding van intensieve veehouderij, geeft de Afdeling evenmin aanleiding voor dit oordeel, nu het wijzigingsplan voorziet in een vergroting van het bestaande bouwblok en aldus uitbreidingsmogelijkheden biedt. Ditzelfde geldt voor het betoog van appellant sub 2 dat het overleggen van een ondernemingsplan in dit geval niet nodig is omdat de noodzaak van de bouw van de twee pluimveestallen al voldoende is aangetoond, nu dit immers een logisch vervolg is op de reeds midden jaren '90 gestarte omzetting van de bedrijfsvoering van varkens naar pluimvee en vervolgens de omzetting van kooi- naar grondhuisvesting van de leghennen. In het door verweerder op grond van het Reconstructieplan verlangde ondernemingsplan kan deze noodzaak nu juist worden aangetoond. Overigens zijn burgemeester en wethouders ook op grond van artikel 15, aanhef, van de voorschriften behorend bij het geldende bestemmingsplan "Buitengebied", voor zover hier van belang, slechts bevoegd tot het wijzigen van het plan in verband met verschuiving en vergroting van bouwpercelen, indien de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering is aangetoond.

2.7.    Het intensieve veehouderijbedrijf aan de [locatie] ligt in de nabijheid van het op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 als natuurmonument aangewezen natuurgebied "Schoolsteegbosjes".

Gelet hierop heeft verweerder in het kader van zijn besluit omtrent goedkeuring van het plan terecht stilgestaan bij de vraag of het plan kan worden uitgevoerd zonder in strijd te komen met de Natuurbeschermingswet 1998.

   Uit de stukken blijkt dat aan het intensieve veehouderijbedrijf van appellant sub 1 in de vigerende vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 een ammoniakdepositie van maximaal 15 mol per hectare per jaar op het genoemde natuurmonument is toegestaan. De stukken bieden onvoldoende gegevens om te kunnen vaststellen of de ammoniakdepositie vanwege het bedrijf op het natuurmonument bij gebruikmaking van de vergunning krachtens de Wet milieubeheer die met het oog op de in het plan voorziene uitbreiding is verleend, dit maximum niet te boven zal gaan. Nu in het plan niet inzichtelijk is gemaakt dat het plan kan worden uitgevoerd zonder in strijd te komen met de Natuurbeschermingswet 1998, bijvoorbeeld door toepassing van saldering, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre onvoldoende is onderbouwd. De enkele stelling van appellanten ter zitting dat saldering geen enkel probleem is, nu in het gebied voldoende depositiewaarden zullen kunnen worden aangekocht, is onvoldoende voor een ander oordeel. Of een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 kan worden verleend, was ten tijde van het goedkeuringsbesluit niet aangetoond.

2.8.    De conclusie is dat hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Broodman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Broodman

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

204