Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5995

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200605413/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan de gemeente Leiden vrijstelling en vergunning verleend voor het aanleggen van een wandelpad en een parallel daaraan lopende sloot van de Nachtegaallaan te Leiden naar landgoed Endegeest te Oegstgeest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605413/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/6855 van de rechtbank

's-Gravenhage van 6 juli 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) aan de gemeente Leiden vrijstelling en vergunning verleend voor het aanleggen van een wandelpad en een parallel daaraan lopende sloot van de Nachtegaallaan te Leiden naar landgoed Endegeest te Oegstgeest.

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, het daartegen door onder meer appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juli 2006, verzonden op 7 juli 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door een aantal appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit op de bezwaren te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 24 juli 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 juli 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 22 augustus 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft het college het gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 19 augustus 2006, bij de rechtbank ingekomen 21 augustus 2006, heeft een aantal appellanten daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze heeft dit ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.

Bij brief van 4 september 2006 hebben appellanten een nadere reactie ingediend.

Bij brief van 14 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2007, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. van Driel, drs. A.B.F. Nijssen en ing. N. van Beest, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    [partijen] hebben geen beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 2 augustus 2005. Nu niet is gebleken dat hun dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, dient het hoger beroep, voor zover door hen ingesteld, gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2.    Het project voorziet in een wandelpad met belendende berm en sloot ter ontsluiting van het in de gemeente Oegstgeest gelegen landgoed Endegeest.

2.3.    Voor zover het traject van het wandelpad en de sloot zijn voorzien op het grondgebied van de gemeente Leiden, zijn deze geprojecteerd op gronden die ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Vogelwijk" zijn bestemd voor "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde". Het voor recreatieve doeleinden beoogde wandelpad, voor het aanleggen waarvan ingevolge de planvoorschriften een aanlegvergunning is vereist, past niet binnen deze bestemming.

   Bij zijn besluit van 2 augustus 2005 heeft het college de met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor het project verleende vrijstelling en aanlegvergunning voor het wandelpad en de sloot gehandhaafd.

2.4.    Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kan ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling worden verleend van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen het toekomstige bestemmingsplan van het betreffende gebied.

   Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, voor zover van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.5.    Appellanten betogen dat het college niet met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling heeft kunnen verlenen. In dit verband voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.5.1.    Ambtshalve stelt de Afdeling vast dat de door gedeputeerde staten in overeenstemming met de inspecteur vastgestelde lijst met categorieën van gevallen waarvoor met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 28 juni 2006 in zaak no. 200506294/1 (AB 2006, 236), een algemeen verbindend voorschrift betreft waarvan de bekendmaking ingevolge artikel 136, tweede lid, van de Provinciewet dient te geschieden door plaatsing in het provinciaal blad. Vaststaat dat genoemde lijst ten tijde van het nemen van het besluit van 2 augustus 2005 niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. Hieruit volgt dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling te verlenen voor het project. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Dit brengt mee dat het hoger beroep in zoverre gegrond is.

2.5.2.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing slaagt niet. De Afdeling overweegt daartoe dat de ruimtelijke onderbouwing blijkens het besluit van 2 augustus 2005, zoals nader toegelicht in de verweerschriften van 3 november 2005 en 14 november 2006 van het college, onder meer wordt gevormd door het Landschapsbeleidsplan Leidse Regio van het Samenwerkingsorgaan Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting Leidse Regio, het Masterplan Aaneenschakeling Landgoederen van het Samenwerkingsorgaan Duin- en Bollenstreek, het Samenwerkingsorgaan Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting Leidse Regio en de provincie

Zuid-Holland, alsmede door het op rijksniveau vastgestelde Grotestedenbeleid, in de vorm van het GIOS (groen in en om de stad)-project "het Landgoed Verbonden". In de betreffende stukken is opgenomen dat er naar wordt gestreefd ontbrekende wandelverbindingen tussen landgoederen te realiseren.

   Anders dan appellanten betogen, heeft de rechtbank op goede gronden geen aanleiding gevonden te oordelen dat de ruimtelijke onderbouwing wegens het ontbreken van een uitwerking van het project in het Masterplan Aaneenschakeling Landgoederen ondeugdelijk is.

Voorts is, anders dan appellanten betogen, niet aannemelijk dat de aanleg van het wandelpad leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de landschappelijke, natuur- en cultuurhistorische waarden van het weiland dat het doorsnijdt en dat de ruimtelijke onderbouwing om die reden niet voldoet. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het als schelpenpad uitgevoerde wandelpad een breedte heeft van 0,80 m, dat daarnaast een ruige berm met een breedte van 3 m en een sloot van dezelfde breedte wordt aangelegd en dat het pad is gesitueerd aan de buitenrand van het weiland, tegen de perceelsgrens. Voorts neemt zij in aanmerking dat zich op het belendende perceel, dat grotendeels is afgeschermd met een haag, op korte afstand van het beoogde pad een buurthuis, een speeltuin en een volkstuinencomplex bevinden.

2.6.    Het betoog van appellanten dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve routes voor het wandelpad, heeft de rechtbank terecht verworpen. Het college diende te beslissen over het project, zoals dit aan het college is voorgelegd. Indien het project aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Gelet op de door het college ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting, is niet aannemelijk dat die situatie zich voordoet.

2.7.    Voor zover de bezwaren van appellanten zich richten tegen een in het weiland ter voorkoming van veedrenking geplaatst hekwerk, kunnen deze bezwaren niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de verleende vrijstelling en vergunning hierop geen betrekking hebben.

2.8.    Gelet op hetgeen onder 2.5.1 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. Nu de aangevallen uitspraak vanwege het ontbreken van een positief advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg reeds strekt tot vernietiging van het besluit van 2 augustus 2005, zal de aangevallen uitspraak met aanvulling van de gronden waarop zij rust worden bevestigd.

2.9.    Bij besluit van 1 augustus 2006 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, onder handhaving van zijn besluit van 12 oktober 2004, de bezwaren van onder meer appellanten opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

2.10.    [partijen] hebben geen beroep ingesteld tegen het besluit van 2 augustus 2005. Gesteld noch gebleken is dat zij door het besluit van 1 augustus 2006 in een nadeliger situatie zijn komen te verkeren, dan waarin zij zich bevonden, nadat bij het besluit van 2 augustus 2005 op hun bezwaren was beslist en waarin zij geacht moeten worden te hebben berust. Hun beroep tegen het besluit van 1 augustus 2006 is derhalve niet-ontvankelijk.

2.11.    De Afdeling stelt vast dat aan het besluit van 1 augustus 2006, anders dan aan het besluit van 2 augustus 2005, een positief advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg ten grondslag ligt, zodat het door de rechtbank geconstateerde gebrek is hersteld. Voorts heeft de bekendmaking van een door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, vastgestelde lijst met categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO op de in de Provinciewet voorgeschreven wijze plaatsgevonden door plaatsing daarvan in het Provinciaal blad van Zuid-Holland, no. 44, uitgegeven op 6 juli 2006. Niet is gebleken dat niet wordt voldaan aan een van de in die lijst gestelde randvoorwaarden. De stelling van appellanten dat niet wordt voldaan aan een richtlijn in de nota planbeoordeling 2002, waarnaar in de randvoorwaarden wordt verwezen, mist feitelijke grondslag, nu de randvoorwaarden geen verwijzingen naar die nota bevatten.

   Uit het voorgaande volgt dat het college ten tijde van het nemen van het besluit van 1 augustus 2006 bevoegd was met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling voor het project te verlenen. Nu aan dit besluit dezelfde ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt als aan het besluit van 2 augustus 2005, behoeven de grieven van appellanten hiertegen, gelet op hetgeen hierover onder 2.5 reeds is overwogen, geen verdere bespreking meer.

2.12.    Het betoog van appellanten dat met hen geen overleg is gevoerd over het project, kan evenmin leiden tot vernietiging van het besluit van 1 augustus 2006. Niet is immers gebleken dat niet is voldaan aan de in de wet voorziene procedurele vereisten voor een vrijstelling als thans aan de orde, welke beogen te waarborgen dat acht wordt geslagen op hetgeen belanghebbenden daarbij naar voren brengen.

2.13.    Het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2006 van de overige appellanten is ongegrond.

2.14.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van [partijen] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door de overige appellanten, gegrond;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop deze rust;

IV.    verklaart het beroep van [partijen] tegen het besluit van 1 augustus 2006 niet-ontvankelijk;

V.    verklaart het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2006 van de  overige appellanten ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak      w.g. Klein Nulent

Voorzitter         ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

218-423