Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200609166/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2006 heeft de gemeenteraad van Katwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 2006, het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609166/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant sub 1], te [plaats], gemeente Teylingen, en [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2006 heeft de gemeenteraad van Katwijk, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 februari 2006, het bestemmingsplan "2e partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 oktober 2006, kenmerk DRM/ARW06/5192A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 18 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2007, waar appellanten in de personen van [appellanten sub 1 en sub 2], bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.J. Zuiderwijk, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Katwijk, vertegenwoordigd door ing. H.S. van der Vossen-Duivenvoorde, ambtenaar van de gemeente.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Standpunt van appellanten

2.2.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische Doeleinden I".

   Appellanten stellen zich op het standpunt dat de toekomstige mogelijkheden voor hun bedrijven ernstig worden beknot nu volgens het bestemmingsplan op de desbetreffende gronden niet mag worden gebouwd. Dat zij de voorheen bestaande bouwmogelijkheden onbenut hebben gelaten, rechtvaardigt geenszins de wijziging van de bestemming van de desbetreffende gronden. Er is voorts onvoldoende rekening gehouden met hun bedrijfsbelangen en de goedkeuring van het bestemmingsplan geeft volgens hen dan ook geen blijk van een zorgvuldige belangenafweging. Verder wijzen appellanten op de waardevermindering van hun gronden als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan.

Standpunt van verweerder

2.3.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van afspraak B1 uit het "Pact van Teylingen", waarin is vastgelegd dat de bestemming van voornoemde gronden gewijzigd zal worden in een agrarische bestemming zonder bebouwingsmogelijkheden. Deze gronden zijn bovendien thans onbebouwd en het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de huidige situatie, aldus verweerder. Volgens hem is voorts van belang dat [appellant sub 2] slechts gemiddeld ééns in de acht jaar zijn gronden gebruikt voor de teelt van waspeen zodat hij naar de mening van verweerder hiervoor niet aan zijn gronden gebonden is. Verweerder is verder van mening dat de verkoopbaarheid van de gronden niet opweegt tegen het algemeen belang.

Vaststelling van de feiten

2.4.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.4.1.    De gronden van appellanten zijn gelegen in de kop van de Kloosterschuur/Trappenberg. [appellant sub 2] teelt waspeen bij bollenboeren en teelt gemiddeld eens in de acht jaar waspeen op zijn eigen gronden. Deze gronden worden soms door bollenboeren gebruikt om bollen te telen.

   [appellant sub 1] teelt sinds 1998 bollen op zijn gronden.  

2.4.2.     In het voorheen voor deze gronden geldende bestemmingsplan "Buitengebied" was aan de desbetreffende gronden de bestemming "Agrarische doeleinden, klasse D" toegekend.

   Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften van dat plan, waren deze gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering met de daartoe benodigde bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken, behoudens enkele gespecificeerde uitzonderingen.

   In het bestemmingsplan is aan de gronden de bestemming "Agrarische Doeleinden I" toegekend. Ingevolge artikel 6A, tweede lid, van de planvoorschriften mag op deze gronden niet worden gebouwd, behoudens een onder bepaalde voorwaarden gegeven uitzondering voor windschermen en tijdelijke kweektunnels.

2.4.3.    Het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van afspraak B1 uit het "Pact van Teylingen" van 1996 dat door de provincie Zuid-Holland en de toenmalige gemeente Rijnsburg mede is ondertekend. In deze afspraak is onder meer vastgelegd dat de vigerende bestemming in de kop van de Kloosterschuur/Trappenberg gewijzigd zal worden in die zin dat anders dan voorheen geen bebouwing meer mogelijk zal zijn. In het "Pact van Teylingen" is vermeld dat het een document is waaraan geen juridische rechten of verplichtingen kunnen worden ontleend, maar waarmee uitgedragen wordt waar partijen voor staan.

   Met het streekplan Zuid-Holland West van 2003 wordt aangesloten bij het "Pact van Teylingen" en wordt beoogd het open bollenlandschap te behouden en te versterken. Voorts is tussen Katwijk en Noordwijk voorzien in de ontwikkeling van een groene corridor van ten minste 600 meter breed, die tevens dient als geledingszone tussen beide kernen.

2.4.4.    Het college van burgemeester en wethouders heeft in een nadere memorie van 22 februari 2007 vermeld dat [appellant sub 1] in 1998 zijn gronden heeft gekocht voor een prijs die niet conform de marktprijs voor gronden met glastuinbouwbestemming was. Op dat moment was volgens het college van burgemeester en wethouders algemeen bekend dat de mogelijkheid van kassenbouw naar alle waarschijnlijkheid zou worden geschrapt.

Het oordeel van de Afdeling

2.5.    Aan een geldend bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan en mag op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

   In het onderhavige geval zijn met name het "Pact van Teylingen" van 1996 en het streekplan Zuid-Holland West van 2003 van belang. In het "Pact van Teylingen" is immers vermeld dat de bestemming in de kop van de Kloosterschuur/Trappenberg zal worden gewijzigd in een agrarische bestemming zonder bebouwingsmogelijkheden. In het streekplan Zuid-Holland West van 2003 wordt aangesloten bij het "Pact van Teylingen" en wordt vermeld dat het plan gericht is op behoud en versterking van het open bollenlandschap.

   Voorts is gebleken dat met de belangen van appellanten bij de besluitvorming rekening is gehouden.

2.5.1.    [appellant sub 1] heeft zijn gronden gekocht in 1998. Toen was het beleid er reeds op gericht de bestemming die het oprichten van agrarische bedrijfsgebouwen en kassen mogelijk maakte, te wijzigen. Het is derhalve niet aannemelijk dat [appellant sub 1] de gronden heeft gekocht met als doel het oprichten van een glastuinbouwbedrijf. Nu [appellant sub 1] verder niet eerder blijk heeft gegeven van een voornemen tot het oprichten van opstallen op zijn gronden valt niet in te zien dat hij belemmerd wordt in zijn bedrijfsvoering door de bestemmingswijziging.

   Ten aanzien van [appellant sub 2] overweegt de Afdeling dat niet is aangetoond dat er een noodzaak bestaat om juist op de desbetreffende gronden een schuur op te richten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 2] slechts ééns in de acht jaar zijn gronden voor de teelt van waspeen gebruikt en dat hij voor het overige elders in de Bollenstreek en de Haarlemmermeer teelt.

   Voorts bestaat er geen grond voor het oordeel dat de door appellanten gestelde mogelijke waardevermindering door de ontwikkelingen zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid groot gewicht had moeten toekennen.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid aan het algemeen belang van behoud en versterken van een open bollenlandschap een zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan de individuele belangen van appellanten.

2.5.2.    Gelet op vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto            w.g. Van Dorst

Lid van de enkelvoudige kamer        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

357.