Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200608170/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een akkerbouw-, vleeskuiken- en dorsbedrijf gelegen aan de [locatie sub 1] en [locatie sub 2] te [plaats]. Dit besluit is op 5 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608170/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats], gemeente Wûnseradiel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wûnseradiel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een akkerbouw-, vleeskuiken- en dorsbedrijf gelegen aan de [locatie sub 1] en [locatie sub 2] te [plaats]. Dit besluit is op 5 oktober 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 december 2006.

Bij brief van 18 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2007, waar appellanten, van wie [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. C. Lubben, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. Lemstra en A.G. Faber, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de mestsilo.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

    Appellanten hebben de grond inzake de mestsilo niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellanten betogen geluidoverlast te ondervinden van de inrichting. Zij voeren hiertoe aan dat in het door verweerder gehanteerde, bij de aanvraag om vergunning behorende, geluidrapport geen rekening is gehouden met activiteiten die gelijktijdig plaatsvinden, dat een aantal vervoersbewegingen niet op juiste wijze in het onderzoek zijn meegenomen en dat de inrichting door de vergunde uitbreiding op minder dan 50 meter van hun woning komt te liggen. Appellanten voeren voorts aan dat de gestelde geluidgrenswaarden te hoog zijn nu het een landelijke omgeving betreft. Verweerder zou voorts onvoldoende rekening hebben gehouden met de belangen van appellanten. Verder heeft verweerder volgens appellanten ten onrechte hogere grenswaarden gesteld voor het afvoeren van kuikens in de nachtperiode, aangezien deze activiteit ook gedurende de dagperiode mogelijk is.

2.4.1.    Ten aanzien van het geluidrapport overweegt de Afdeling dat dit rapport de resultaten weergeeft van het onderzoek naar de geluidbelasting die de inrichting zal veroorzaken ter plaatse van de gevels van de woningen van derden in de directe omgeving van de inrichting, waaronder de woning van appellanten. In genoemd onderzoek is een overzicht gegeven van de voor de representatieve bedrijfssituatie relevante geluidbronnen, zoals deze in de aanvraag zijn vermeld. Deze bronnen zijn in de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidemissie meegenomen. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding te veronderstellen dat de in het geluidrapport gehanteerde uitgangspunten onjuist dan wel onvolledig zijn.

2.4.2.    Verweerder heeft voor de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. In hoofdstuk 4 van de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Overschrijding van deze richtwaarden kan toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

   Verweerder heeft op basis van het geluidrapport geconcludeerd dat het door de inrichting in de representatieve situatie veroorzaakte geluidniveau hoger is dan de in de Handreiking genoemde richtwaarden voor landelijk gebied, waarvan hier sprake is. Overschrijding van de richtwaarden acht hij op basis van een bestuurlijk afwegingsproces aanvaardbaar. Daarbij neemt hij in aanmerking dat het geluidniveau hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door mobiele bronnen, die niet kunnen worden beperkt omdat deze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering. Bovendien is ter beperking van onder meer het geluidniveau reeds een grote investering gepleegd door verplaatsing van de emissiepunten van één van de stallen. Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat er geen andere redelijkerwijs te vergen geluidbeperkende maatregelen voorhanden zijn. Verweerder heeft daarom in vergunningvoorschrift 6.1 grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau gesteld die overeenkomen met het door de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie veroorzaakte geluidniveau.

   De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de door verweerder in aanmerking genomen omstandigheden onjuist zijn. Verweerder heeft met de gegeven motivering in redelijkheid op basis van een bestuurlijke afweging de in voorschrift 6.1 opgenomen grenswaarden kunnen stellen.

2.4.3.    In afwijking van voorschrift 6.1 heeft verweerder in voorschrift 6.2 voor maximaal vier dagen per jaar hogere grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau tijdens de niet-representatieve bedrijfssituatie in de nachtperiode gesteld.

   Volgens vaste jurisprudentie is het aanvaardbaar dat maximaal twaalf maal per jaar hogere grenswaarden kunnen worden gesteld voor activiteiten die meer geluid veroorzaken dan de voor de representatieve bedrijfssituatie gestelde geluidgrenswaarden. Het gaat dan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties).

   In de aanvraag om vergunning is vermeld dat vier dagen per jaar het vangen en afvoeren van kuikens in de nachtperiode plaatsvindt. Verweerder heeft gesteld dat dit noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en dat er redelijkerwijs geen verdere geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen. Het is niet gebleken dat verweerder zich niet op goede gronden op dit standpunt heeft gesteld. Verweerder acht het aanvaardbaar dat de incidentele activiteiten plaatsvinden gezien de geringe frequentie ervan en omdat het tijdens de niet-representatieve bedrijfssituaties veroorzaakte geluidniveau - dat is vastgelegd in voorschrift 6.2 - mede vanwege de afstand tot de omliggende woningen niet ontoelaatbaar kan worden geacht.

   Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling met de gegeven motivering in redelijkheid de in voorschrift 6.2 opgenomen grenswaarden kunnen stellen.

2.4.4.    De in de vergunning gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn niet hoger dan de volgens de Handreiking aanvaardbaar geachte waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Verweerder heeft deze grenswaarden in redelijkheid toereikend kunnen achten.

2.5.    Appellanten voeren aan dat ten onrechte geen voorschriften met betrekking tot reinigingswerkzaamheden van de kadavervaten en het daarbij vrijkomende smetwater aan de vergunning zijn verbonden.

   Verweerder heeft met betrekking tot het lozen van reinigings- en ontsmettingsafvalwater de voorschriften 2.6 en 2.7 aan de vergunning verbonden. Daaruit volgt dat dit via de bedrijfsriolering moet worden afgevoerd naar een mestput of opvangput. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nadelige gevolgen voor het milieu, als gevolg van reinigings- en ontsmettingswater afkomstig van de kadavervaten, hiermee kunnen worden voorkomen of voldoende kunnen worden beperkt.

2.6.    Appellanten vrezen voor onaanvaardbare stofhinder.

Verweerder heeft ter voorkoming van onaanvaardbare stofhinder voorschrift 1.25 aan de vergunning verbonden. Uit dit voorschrift volgt dat de emissie van stof niet meer dan 5 mg stof per m³ lucht mag bedragen. Dit komt overeen met de in de Nederlandse emissie richtlijn opgenomen algemene emissie-eisen voor totaal stof. Verder heeft verweerder voorschrift 1.24 aan de vergunning verbonden ter voorkoming van hinderlijke stofverspreiding bij het vullen van de silo's. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met voornoemde voorschriften stofhinder kan worden voorkomen of voldoende kan worden beperkt.

2.7.    Appellanten hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen. In het bestreden besluit heeft verweerder zijn reactie daarop gegeven. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn. Ook voor het overige zijn daarvoor geen gronden. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep voor zover het de grond inzake de mestsilo betreft niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter          ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

262-492.