Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5974

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200608884/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2006 heeft de gemeenteraad van Oldebroek, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 april 2006, het bestemmingsplan "Oldebroek-Kom; Zuiderzeestraatweg 134-136 (Eghuizen)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608884/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2006 heeft de gemeenteraad van Oldebroek, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 april 2006, het bestemmingsplan "Oldebroek-Kom; Zuiderzeestraatweg 134-136 (Eghuizen)" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 november 2006, nr. 2006-010471, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 december 2006, bij de Raad van State ingekomen op 12 december 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2007, waar verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts is daar gehoord de gemeenteraad van Oldebroek, vertegenwoordigd door drs. B. bij 't Werk en mr. M. Tijssen, ambtenaren van de gemeente. Appellant is met voorafgaande berichtgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het bestemmingsplan "Oldebroek-Kom; Zuiderzeestraatweg 134-136 (Eghuizen)"(hierna: het plan) maakt onder meer de bouw van tien appartementen en twee winkelunits ter plaatse van de herstructureringslocatie Eghuizen in Oldebroek mogelijk. Voorts maakt het plan de aanleg van een openbare parkeerplaats mogelijk.

Het standpunt van appellant

2.3.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Gemengde doeleinden" ter plaatse van de percelen Zuiderzeestraatweg 134 en 136. Hij voert daartoe aan dat ter plaatse van de voorziene appartementen geluidsoverlast ten gevolge van zijn [bar] valt te verwachten, nu niet wordt voldaan aan de indicatieve afstand van 50 meter uit de VNG-richtlijn. In verband hiermee vreest hij beperkingen te ondervinden in de bedrijfsvoering. Voorts wordt volgens appellant ten onrechte niet voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein en is de parkeerbehoefte van de voorziene winkels in het plan niet meegenomen.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft daartoe onder verwijzing naar de reactie op de zienswijze en de plantoelichting overwogen dat, uitgaande van de huidige situatie, de bedoelde bar geen belemmering vormt voor het plan. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat het plan voorziet in zodanige parkeergelegenheid dat tegemoet wordt gekomen aan de door de gemeenteraad aangegeven parkeerbehoefte.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    De gronden waarop de appartementen en winkelunits zijn voorzien hebben de bestemming "Gemengde doeleinden".

2.5.2.    De afstand die in het plan wordt aangehouden tussen de [bar] en het bebouwingsvlak meet ongeveer 20 meter. Ter zitting heeft de gemeenteraad toegelicht dat het voorste gedeelte van het pand Zuiderzeestraatweg 163, dat als woonruimte is ingericht, niet wordt gebruikt en ingevolge de verleende milieuvergunning ook niet mag worden gebruikt ten behoeve van de bar waardoor de afstand tussen de bar en het voorziene complex met appartementen en winkels feitelijk groter is dan uit de plankaart is op te maken, te weten ongeveer 30 meter.

2.5.3.    In de plantoelichting is vermeld dat is afgeweken van de in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven brochure "Bedrijven en milieuzonering" (verder: de VNG-brochure) aanbevolen afstand. In deze brochure bedraagt de aanbevolen afstand tussen in een rustige woonwijk gelegen woningen en een discotheek 50 meter. Volgens de plantoelichting is voor het afwijken van deze afstand gekeken naar de omstandigheid dat het voorziene appartementencomplex op een grotere afstand van [bar] is gelegen dan de thans bestaande woningen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de omgeving wordt gekenmerkt door een verscheidenheid aan functies alsmede door de ligging aan een provinciale weg zodat volgens verweerder de vergelijking met de in de VNG-brochure genoemde rustige woonwijk in zoverre niet opgaat en kan worden volstaan met een geringere afstand dan de genoemde 50 meter.

   In reactie op het beroepschrift stelt het gemeentebestuur dat [bar] beschikt over een milieuvergunning waardoor een aanvaardbaar geluidsniveau op de gevels van de bestaande woningen wordt gegarandeerd. Voorts staat in de plantoelichting dat, als de gevel van de nieuw te bouwen woningen wordt voorzien van een deugdelijke geluidsisolatie, de situatie ter plaatse alleen maar zal verbeteren. Voor de horecagelegenheid zijn volgens de plantoelichting geen extra geluidmaatregelen nodig.

2.5.4.    Volgens de plantoelichting wordt voor het bedoelde appartementencomplex een parkeernorm van 1,7 parkeerplaatsen per appartement toegepast. Voorts biedt volgens de toelichting op het plan het parkeerterrein ruimte aan circa 80 parkeerplaatsen. De gemeenteraad stelt zich in de inspraakreactie op het standpunt dat de 80 aanwezige parkeerplaatsen niet volledig zullen worden benut en dat parkeren op het eigen terrein niet mogelijk is. In reactie op het beroepschrift stelt het gemeentebestuur dat, rekening houdend met de parkeernorm voor de appartementen, 60 parkeerplaatsen voor de winkels resten.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de gemeenteraad bij de bepaling van het benodigde aantal parkeerplaatsen de in overweging 2.5.4. genoemde parkeernorm als uitgangspunt genomen. Appellant heeft in dit kader niet aannemelijk gemaakt dat verweerder, in navolging van de gemeenteraad, niet van deze norm mocht uitgaan en evenmin dat de parkeerbehoefte, ten gevolge van de bouw van het appartementencomplex, groter is dan is voorzien in het plan. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in 2.5.4. genoemde 60 parkeerplaatsen volstaan om aan de parkeerbehoefte van de voorziene winkels te voldoen. De Afdeling is verder van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in zodanige parkeergelegenheid dat tegemoet wordt gekomen aan de door de gemeenteraad aangegeven parkeerbehoefte. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich desondanks parkeeroverlast zal voordoen.

2.6.1.    De Afdeling stelt gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de werkelijke afstand tussen het voorziene complex met appartementen respectievelijk winkels en [bar] ongeveer 30 meter bedraagt. Dit betekent dat het complex met appartementen en winkelunits is voorzien op een kleinere afstand van [bar] dan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand van 50 meter. Afwijking van de in de door de gemeenteraad bij de besluitvorming betrokken VNG-brochure opgenomen aanbevolen afstanden is mogelijk, nu deze indicatief van aard zijn. Een afwijking van deze afstanden dient afdoende te worden gemotiveerd en te worden afgewogen in het licht van het doel van deze normen, namelijk het voorkomen van milieuhinder in nieuwe situaties.

   Verweerder heeft in dit kader aannemelijk gemaakt dat gelet op de verscheidenheid aan functies in de omgeving van het plangebied alsmede de ligging aan een drukke doorgaande weg geen sprake is van een rustige woonwijk doch dat het gebied kan worden gekarakteriseerd als een gemengd gebied. Voorts is ter zitting gebleken dat in de huidige situatie op grond van de aan de [bar] verleende milieuvergunning een aanvaardbaar geluidsniveau op de gevels van de bestaande nabijgelegen woningen wordt gegarandeerd en het plan woonbebouwing mogelijk maakt die op een grotere afstand van de bedoelde bar is gelegen dan de thans bestaande woningen. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval van de in de VNG-brochure opgenomen afstand kan worden afgeweken. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder een afstand van 30 meter niet aanvaardbaar heeft kunnen achten.

2.6.2.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                                  w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer                     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

45-500.