Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200602487/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Maassluis, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 mei 2005, het bestemmingsplan "Burgemeesterswijk" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit luchtkwaliteit 2005
Besluit luchtkwaliteit 2005 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 55K
Milieurecht Totaal 2007/4019
ABkort 2007/292
JM 2007/120 met annotatie van De Vries
OGR-Updates.nl 1001433
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602487/1.

Datum uitspraak: 30 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2005 heeft de gemeenteraad van Maassluis, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 mei 2005, het bestemmingsplan "Burgemeesterswijk" (hierna: het plan) vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 7 februari 2006, nr. DRM/ARB/05/7612A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 29 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 24 november 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Maassluis. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en de gemeenteraad van Maassluis. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2007, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. du Pont, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Maassluis, vertegenwoordigd door drs. H. Koornneef en mr. P.H. Harent, ambtenaren van de gemeente.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

   Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in een globale planologische regeling voor de vernieuwing van de Burgemeesterswijk te Maassluis. Het plan heeft tot doel een gevarieerd, aantrekkelijk woningaanbod en een ruim aanbod aan voorzieningen mogelijk te maken teneinde de leefbaarheid in de Burgemeesterswijk te verhogen.

   Het plangebied wordt begrensd door de dr. J. Schoutenlaan en Burgemeester Van Reesstraat in het noordwesten, de Weverskade in het noordoosten, de Kwartellaan in het zuidoosten en het tracé van de spoorlijn Rotterdam - Hoek van Holland met daaraan evenwijdig de Nieuwe Waterweg in het zuidwesten. Het plangebied wordt aangevuld met de terreinen tussen de Lijsterlaan en de Burgemeester van Reesstraat en de achterzijde van de kavels aan de Asserdreef.

   Aan de gronden tussen het tracé van de spoorlijn en de Merellaan te Maassluis ten zuidwesten in het plangebied is de bestemming "Woongebied (W-1)" toegekend. In dit plandeel mogen maximaal 190 woningen worden verwezenlijkt. Voor dit plandeel is een bouwplan gemaakt dat voorziet in de bouw van drie "woontorens". Dit plandeel was ten tijde van de vaststelling van het plan onbebouwd.

Het standpunt van appellant

2.4.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebied (W-1)" ten behoeve van de bouw van drie woontorens. Appellant voert aan dat het woon- en leefklimaat bij de woontorens en in de omgeving van het plandeel, waaronder bij zijn woning, zal verslechteren door geluidhinder, schaduwhinder en windhinder, zichtbelemmering en aantasting van zijn privacy. Hij vreest ook voor een verslechtering van de luchtkwaliteit door een toename van de concentratie zwevende deeltjes (PM10). In dit verband stelt appellant dat andere locaties binnen het plangebied meer geschikt zijn voor hoogbouw en dat de bouwhoogte in het plandeel te hoog is.

Bestreden besluit

2.5.    Verweerder heeft het plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

Zichtbelemmering en aantasting van de privacy

Het standpunt van appellant

2.6.    Appellant vreest voor een belemmering van zijn uitzicht en de aantasting van zijn privacy vanwege de bebouwingsmogelijkheden in het plandeel.

Vaststelling van de feiten

2.7.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.1.    Appellant woont op de derde verdieping van een appartementencomplex aan de Nobeldreef te Maassluis. De woning van appellant ligt buiten het plangebied ten noorden van het plandeel. De woning van appellant heeft aan de zuidzijde aan de kant van de Merellaan en de Nieuwe Waterweg een balkon over de breedte van zijn woning. Het plandeel is vanaf het balkon zichtbaar in zuidoostelijke richting.

2.7.2.    In het plandeel met de bestemming "Woongebied W-1" mag de bebouwing maximaal 65 meter hoog worden. De kortste afstand tussen de woning van appellant en het bebouwingsvlak van het plandeel is ongeveer 80 meter.

2.7.3.    In het deskundigenbericht is met betrekking tot de zichtbelemmering vermeld dat op basis van de bebouwingsmogelijkheden in het plandeel het huidige uitzicht vanaf het balkon met maximaal een derde kan afnemen.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.    Gezien de bebouwingsmogelijkheden op het plandeel kan, in aanmerking genomen dat het plandeel thans onbebouwd is, worden aangenomen dat het uitzicht van appellant enigszins zal verslechteren. Er bestaat evenwel in het algemeen geen recht op blijvend vrij uitzicht. Gelet op de afstand tussen de woning van appellant en het bebouwingsvlak en de situering van het plandeel ten opzichte van de woning is niet aannemelijk gemaakt dat de wijziging van het uitzicht van appellant zo ernstig is dat verweerder daaraan groot gewicht diende toe te kennen.

   Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich voorts, gelet op de afstand en de situering van het plandeel ten opzichte van de woning van appellant, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de privacy van appellant niet in ernstige mate zal worden aangetast.

Schaduwhinder en windhinder

Het standpunt van appellant

2.9.    Appellant vreest voor schaduw- en windhinder vanwege de bebouwingsmogelijkheden op het plandeel. Hij voert in dit verband aan dat de bouwhoogte te hoog is.

Vaststelling van de feiten

2.10.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.10.1.    Het bebouwingsvlak beslaat een groot deel van het plandeel met de bestemming "Woongebied (W-1)". In het bebouwingsvlak zijn de drie woontorens voorzien.

2.10.2.    Ten behoeve van de bouw van de woontorens zijn door "Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs B.V." uitgevoerd een bezonningsonderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 23 juli 2003, en twee onderzoeken naar windhinder, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de rapporten van 14 april 2005 en 10 mei 2005.

Het oordeel van de Afdeling

2.11.    Uit de stukken volgt dat het bebouwingsvlak in het plandeel niet is beperkt tot de locaties waar in het bouwplan de woontorens zijn voorzien. Het bebouwingsvlak in het plandeel komt daarom niet overeen met het bebouwingsvlak dat in het bouwplan wordt benut. In de rapporten van 23 juli 2003, 14 april 2005 en 10 mei 2005 is uitgegaan van het bouwplan ten behoeve van de bouw van de woontorens en niet van de bebouwingsmogelijkheden die in het plandeel zijn voorzien. Hierdoor is niet uitgegaan van de slechts denkbare situatie met betrekking tot schaduw- en windhinder. Gelet hierop is de schaduw- en windhinder niet deugdelijk onderzocht. Verweerder heeft derhalve deze rapporten niet ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluit omtrent goedkeuring van het plandeel. Het bestreden besluit is op deze punten niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid.

Geluidhinder

Het standpunt van appellant

2.12.    Appellant voert aan dat verweerder heeft miskend dat bij de woningen in de drie woontorens onaanvaardbare geluidhinder zal optreden. Volgens hem is ten onrechte niet uitgegaan van de cumulatieve geluidbelasting vanwege het industrieterrein, het weg- en spoorwegverkeer alsmede andere bronnen, waaronder het scheepsverkeer op de Nieuwe Waterweg. Appellant stelt dat de procedure inzake de waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein, het weg- en spoorwegverkeer voor de woningen in de woontorens ten onrechte op een tijdstip en wijze is uitgevoerd dat minder belanghebbenden tegen dit besluit in beroep konden komen. Volgens hem is bij de vaststelling van de waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein ten onrechte een zeehavenontheffing toegepast als bedoeld in artikel 67, vierde lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh). Verder stelt hij dat bij de vaststelling van deze waarden geen rekening is gehouden met de geluidbelasting vanwege offshore activiteiten in de avond- en nachtperiode waardoor deze waarden worden overschreden. Tot slot betoogt hij dat in het akoestische rapport de toename van verkeer op de Merellaan en de Albert Schweitzerdreef vanwege het plandeel niet is meegenomen.

Het bestreden besluit

2.13.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de woningen in de woontorens voor onaanvaardbare geluidhinder vanwege het industrieterrein, het weg- en spoorwegverkeer niet hoeft te worden gevreesd, aangezien hiervoor hogere grenswaarden zijn vastgesteld. Voor het plan is volgens hem een beoordeling van de cumulatieve geluidbelasting niet nodig.

Vaststelling van de feiten

2.14.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.14.1.    De voorziene woontorens op het plandeel tussen het tracé van het spoor en de Merellaan liggen in de geluidzones van het industrieterrein "Europoort/Maasvlakte", de spoorlijn Rotterdam - Hoek van Holland en de Merellaan.

2.14.2.    In artikel 157, eerste lid, van de Wgh, zoals deze bepaling destijds luidde en voor zover thans van belang, is bepaald: "Indien Afdeling 2 van hoofdstuk V, Afdeling 2 van hoofdstuk VI alsmede hoofdstuk VII van deze wet of van het krachtens deze onderdelen bepaalde van toepassing is op woningen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 53, 74 en 107 van deze wet, dragen gedeputeerde staten ervoor zorg dat voldoende aandacht wordt geschonken aan de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de onderscheiden te treffen maatregelen."

   Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan de Minister ten behoeve van de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid bepalen dat bij de berekening en meting van de onderscheidene geluidbelastingen van de gevels van de woningen op de resultaten daarvan een door hem aan te geven correctie worden toegepast.

   Ingevolge artikel 1a van het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen in samenhang met artikel 1a van het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen en artikel 2a van het Besluit geluidhinder spoorwegen, zoals deze bepalingen destijds luidden, stellen gedeputeerde staten, indien artikel 157 van de Wgh van toepassing is, slechts hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vast, voor zover de gecumuleerde geluidbelastingen na de correctie op grond van artikel 157, derde lid, van de Wgh niet leiden tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidbelasting (hierna: de Besluiten).

2.14.3.    Bij besluit van 4 mei 2004 heeft het college van gedeputeerde staten op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Maassluis bij of krachtens de Wgh, zoals die destijds luidde, voor de woningen in de woontorens hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein, het weg- en spoorwegverkeer vastgesteld van respectievelijk 58 dB(A), 57 dB(A) en 66 dB(A). Verder is bepaald dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de gevel ter plaatse van ten minste een van de tot de woning behorende buitenruimten een waarde van 50 dB(A) niet mag overschrijden.

2.14.4.    In hoofdstuk 1 van de planvoorschriften is onder meer de beschrijving in hoofdlijnen neergelegd.

   Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, voor zover thans van belang, zullen de in dit bestemmingsplan aan de gronden toegekende doeleinden met het plan in algemene zin worden nagestreefd op de wijze als in hoofdlijnen in dit artikel beschreven.

   In artikel 1.1, eerste lid, sub 5, met als kopje "Wet geluidhinder" is bepaald:

"a. De bouw van geluidsgevoelige objecten binnen de 50 dB(A)-zones van (spoor)wegen en van industrie, als omschreven in de Wet geluidhinder, is uitsluitend toegestaan indien de wettelijke grenswaarde dan wel de verleende hogere waarde op de gevel van deze objecten niet wordt overschreden;

b. Door middel van twee besluiten van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland zijn voor het plangebied hogere grenswaarden vastgesteld als bedoeld in de Wet geluidhinder. Deze besluiten alsmede de daaraan verbonden voorwaarden maken deel uit van deze voorschriften (zie Belemmeringenkaart en bijlage "Vastgestelde hogere grenswaarden ")."

2.14.5.    Door "Cauberg-Huygen Raadgevende ingenieurs B.V." is ten behoeve van het plan een akoestisch rapport, gedateerd 8 mei 2003, opgesteld (hierna: het akoestische rapport).

   Volgens het akoestische rapport is de geluidbelasting bepaald op de gevel van de nieuw te bouwen woningen. In dit rapport staat dat bij de berekeningen voor de wegen rond het plangebied is uitgegaan van de verwachte verkeersintensiteit in 2013. Uit dit rapport blijkt dat bij de woningen in de woontorens de maximale geluidbelasting vanwege het industrieterrein, het weg- en spoorwegverkeer respectievelijk 58 dB(A), 57 dB(A) en 66 dB(A) bedraagt.

   Volgens het akoestische rapport bedraagt de cumulatieve geluidbelasting vanwege het industrieterrein, het weg- en spoorwegverkeer, berekend volgens de rekenmethode Miedema, bij de woningen van de woontorens maximaal 64 dB(A).

2.14.6.    Volgens het deskundigenbericht is bij de vaststelling van de hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein uitgegaan van de geluidruimte van alle vergunde geluidbronnen op het gezoneerde industrieterrein "Europoort/Maasvlakte".

   In het deskundigenbericht staat verder dat volgens de rekenmethode Miedema een etmaalwaarde van de milieukwaliteitsmaat (MKM), waarin cumulatieve geluidbelasting wordt uitgedrukt, van maximaal 64 dB(A) overeenkomt met een "tamelijk slecht" akoestisch klimaat.

2.14.7.    Uit de brief van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond van 10 februari 2006 blijkt dat het uitvoeren van offshore activiteiten in de avond- en nachtperiode niet bij een vergunning krachtens de Wet milieubeheer is vergund.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.    De Afdeling overweegt dat het besluit van 4 mei 2004 tot de vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein, het weg- en spoorwegverkeer in rechte onaantastbaar is geworden. De bezwaren over het verloop en het tijdstip van de procedure tot vaststelling alsmede de toepassing van de zeehavenontheffing bij het bepalen van de waarde voor het industrieterrein kunnen in deze procedure niet meer aan de orde komen. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat ingevolge de systematiek van de Wgh (oud) hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting moeten zijn vastgesteld vóórdat een bestemmingsplan wordt vastgesteld.

2.15.1.    Van deze waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting moet daarom worden uitgegaan. Wel dient te worden onderzocht of de aldus gestelde waarden kunnen worden nageleefd. Bij de woningen in de woontorens kan volgens het akoestische rapport aan de gestelde waarden worden voldaan. Nu de offshore activiteiten in de avond- en nachtperiode met de daarbij behorende geluidbelasting niet bij een vergunning krachtens de Wet milieubeheer zijn vergund komt hieraan bij het vaststellen en daarom ook bij de naleefbaarheid van de hogere waarden geen betekenis toe. Voorts heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in het akoestische rapport de toename van het verkeer vanwege het plandeel op de Merellaan en de Albert Schweitzerdreef niet is meegenomen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd noch overigens bestaat aanleiding voor het oordeel dat het akoestische rapport onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont.

2.15.2.    Verder overweegt de Afdeling dat met artikel 1.1, eerste lid, sub 5, van de planvoorschriften wordt gewaarborgd dat de besluiten tot het vaststellen van hogere grenswaarden in acht zullen worden genomen bij de verwezenlijking van de bestemmingen zoals voorzien in het plan. De Afdeling overweegt in dat verband dat een beschrijving in hoofdlijnen deel uitmaakt van een bestemmingsplan en, afhankelijk van de bewoordingen, bindende bepalingen kan bevatten. Gezien de bewoordingen in dit artikel moet de inhoud daarvan naar het oordeel van de Afdeling bindend worden geacht bij de toetsing van aanvragen om een bouwvergunning aan de voorschriften van het plan.

2.15.3.    Wat de cumulatieve geluidbelasting betreft, overweegt de Afdeling dat in zijn algemeenheid aangenomen moet worden dat dergelijke geluidbelasting ten opzichte van de geluidbelasting door afzonderlijke bronnen op zich een negatieve invloed kan hebben op het woon- en leefklimaat. Verweerder dient bij de beslissing omtrent goedkeuring van het plan mogelijke geluidhinder, waaronder cumulatie van geluid, in het kader van de vereiste belangenafweging te betrekken. Daargelaten dat een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Wgh ontbreekt, heeft verweerder overeenkomstig de artikelen 1a en 2a van de Besluiten bij de vaststelling van de hogere waarden bij de woningen gelegen in de zones de gecumuleerde geluidbelastingen vanwege het industrieterrein, het weg- en spoorwegverkeer beoordeeld en aanvaardbaar geacht. Niettemin kunnen andere geluidbronnen die niet zijn meegenomen bij het vaststellen van de hogere grenswaarden in dit geval ook bijdragen aan de cumulatieve geluidbelasting. Hierbij valt te denken aan onder meer de niet verwaarloosbare factor van het scheepsverkeer op de Nieuwe Waterweg. Daar bij de woningen in de woontorens een akoestisch klimaat zal optreden dat vanwege het industrieterrein en het weg- en spoorwegverkeer volgens de Methode Miedema als tamelijk slecht wordt gekwalificeerd, ligt hierin te meer een reden om de cumulatieve geluidbelasting te beoordelen die alle bronnen samen veroorzaken.

   Nu verweerder uitdrukkelijk het standpunt heeft ingenomen dat de cumulatieve geluidbelasting in het kader van het plan niet hoeft te worden beoordeeld, komt de Afdeling tot het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

Luchtkwaliteit

Het standpunt van appellant

2.16.    Appellant voert aan dat verweerder heeft miskend dat het plandeel in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005). Hij stelt dat de concentratie zwevende deeltjes (PM10) in de lucht reeds erg hoog is. Volgens hem zal de luchtkwaliteit verslechteren door een stijging van de concentratie zwevende deeltjes (PM10) als gevolg van een toename van het verkeer in en rond het plandeel, waaronder op de Merellaan en Albert Schweizerdreef. Deze toename is gelegen in het toekennen van de bestemming "Woongebied (W-1)" aan een voorheen onbebouwd gebied.

Het standpunt van verweerder

2.17.    Volgens verweerder blijkt uit onderzoek dat het Blk 2005 niet in de weg staat aan de realisering van woningen tussen het tracé van het spoor en de Merellaan te Maassluis. Hij stelt in navolging van de gemeenteraad dat het aantal woningen in de Burgemeesterswijk gelijk blijft waardoor geen toename van het verkeer valt te verwachten.

Vaststelling van de feiten

2.18.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.18.1.    Op 5 augustus 2005 is het Blk 2005 in werking getreden. Uit artikel 37 van het Blk 2005 volgt dat het Blk 2005 op dit geding van toepassing is.

2.18.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes (PM10) in acht.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid, mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

   Ingevolge artikel 20 gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.18.3.    Bij de vaststelling van het plan is met betrekking tot de luchtkwaliteit uitgegaan van een onderzoek naar de luchtkwaliteit in de gemeente Maassluis voor het jaar 2003. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de "Rapportage luchtkwaliteit 2003 Gemeente Maassluis" van de gemeente Maassluis, gedateerd september 2004 (hierna: rapportage 2003).

   In de rapportage 2003 zijn de gemeten en berekende waarden van de concentratie zwevende deeltjes (PM10) getoetst aan de grenswaarden in het Besluit luchtkwaliteit. Hierin is vermeld dat in 2003 op een aantal plaatsen in de gemeente Maassluis de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) de grenswaarde heeft overschreden. Verder is in deze rapportage vermeld dat in 2003 de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) meer dan de toegestane 35 keer per kalenderjaar is overschreden. Ook voor 2010 worden te hoge waarden van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie gevonden. De oorzaak van de overschrijding met betrekking tot zwevende deeltjes (PM10) is in alle gevallen de hoge achtergrondconcentratie en de ongunstige meteorologische omstandigheden van 2003 alsmede in mindere mate het verkeer.

2.18.4.    Tevens is een onderzoek naar de luchtkwaliteit in de gemeente Maassluis voor het jaar 2005 overgelegd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de "Rapportage luchtkwaliteit 2005 Gemeente Maassluis" van de gemeente Maassluis, gedateerd mei 2006 (hierna: rapportage 2005).

   In de rapportage 2005 zijn de gemeten en berekende waarden van de concentratie zwevende deeltjes (PM10) getoetst aan de grenswaarden in het Blk 2005. Hierin is vermeld dat in 2005 de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) niet meer werd overschreden. Verder is in deze rapportage vermeld dat in 2005 op een aantal plaatsen in de gemeente Maassluis de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) meer dan de toegestane 35 keer per kalenderjaar werd overschreden. In 2010 zal de grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes (PM10) niet meer worden overschreden.

2.18.5.    Het plandeel wordt ontsloten op de Merellaan.

2.18.6.    In het deskundigenbericht is vermeld dat het verschil in de samenstelling van de geplande ten opzichte van de huidige woningvoorraad en de verschuiving van aantallen woningen over het plangebied naar de randen kunnen zorgen voor een toename van het verkeer en als gevolg daarvan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Gezien de aantallen woningen en het type woningen die in het plandeel mogen worden verwezenlijkt, zal op de Merellaan het mogelijke effect op de luchtkwaliteit het grootst zijn.

   Verder staat in het deskundigenbericht dat uit de rapportage 2005 blijkt dat op de Merellaan aan de grenswaarden voor de concentratie zwevende deeltjes (PM10) wordt voldaan.

Het oordeel van de Afdeling

2.19.    Voor zover het standpunt van verweerder en de gemeenteraad dat het aantal woningen in de Burgemeesterswijk gelijk blijft waardoor geen toename van het verkeer valt te verwachten moet worden opgevat dat volgens hen geen verslechtering van de luchtkwaliteit optreedt als gevolg van dit plan en daarom geen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig is, overweegt de Afdeling het volgende.

   Voor een onderzoek naar de gevolgen van het plandeel op de luchtkwaliteit onder vigeur van het Blk 2005 is geen aanleiding indien op voorhand is uitgesloten dat dit besluit een verslechtering van de luchtkwaliteit met zich kan brengen. Gezien artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van het Blk 2005 staat een reeds bestaande overschrijding van een voor de luchtkwaliteit gestelde grenswaarde immers niet in de weg aan het uitoefenen van een bevoegdheid, zolang de concentratie van de betrokken stof in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft.

2.19.1.    De Afdeling is van oordeel dat het voorgaande in deze zaak niet vaststaat. Gezien het aantal en het type woningen dat in het plandeel mag worden verwezenlijkt, het feit dat het plandeel ten tijde van de vaststelling van het plan onbebouwd was en dat het plandeel wordt ontsloten op de Merellaan kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de voorziene woningen in het betrokken plandeel een verslechtering van de luchtkwaliteit met zich kunnen brengen. Hieruit volgt dat de gevolgen van deze woningbouw op de luchtkwaliteit moeten worden onderzocht.

2.19.2.    Aan het bestemmingsplan en het bestreden besluit is voor de luchtkwaliteit de rapportage 2003 ten grondslag gelegd. Deze rapportage is echter opgesteld om te voldoen aan de rapportageplicht uit het Besluit luchtkwaliteit. In de rapportage 2003 is geen specifiek onderzoek verricht naar de gevolgen van de in het plandeel voorziene woningbouw op de luchtkwaliteit.

2.19.3.    De rapportage 2005 is opgesteld nadat het bestreden besluit is genomen. Hierdoor is de vraag aan de orde of de Afdeling de rapportage 2005 kan betrekken bij haar toetsing van het bestreden besluit. Blijkens het verhandelde ter zitting zijn voor de rapportage 2005 andere invoergegevens gebruikt dan de gegevens voor de rapportage 2003. De rapportage 2005 kan dan ook niet worden beschouwd als een nadere toelichting op de rapportage 2003 die ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit. Het mede in aanmerking nemen van de rapportage 2005 verdraagt zich daarom niet met het karakter van de door de Afdeling uit te voeren toetsing. Gelet hierop dient de rapportage 2005 in deze procedure buiten beschouwing te worden gelaten. Daarbij komt dat ook in deze rapportage de gevolgen van de woningbouw op de luchtkwaliteit niet zijn onderzocht.

2.19.4.    Gelet op het voorgaande is geen toereikend onderzoek naar de te verwachten luchtkwaliteit als gevolg van de in het plandeel voorziene woningbouw verricht. De Afdeling is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet is voorbereid met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid.

Alternatieve locatie

2.20.    Voor zover appellant aanvoert dat andere locaties in het plangebied meer geschikt zijn voor hoogbouw overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond hoeft te vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plandeel. Alternatieven behoeven in beginsel eerst aan de orde te komen, indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plandeel ziet. Nu in dit geval met betrekking tot het gebruik onzorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden en nog nader onderzoek nodig is, zijn thans onvoldoende gegevens voorhanden, gelet op de samenhang met de overige argumenten, om te kunnen beoordelen of ernstige bezwaren bestaan tegen het voorgestane gebruik waarop het plandeel ziet.

Eindconclusie

2.21.    Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Woongebied (W-1)" is goedgekeurd, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het voornoemd plandeel betreft, wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

Proceskosten

2.22.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 februari 2006, kenmerk DRM/ARB/05/7612A, voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Woongebied (W-1)" is goedgekeurd;

III.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Leurs, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                          w.g. Leurs

Voorzitter                             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007

372.