Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5971

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
30-05-2007
Zaaknummer
200702400/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder voorschrift 4.1a van de aan verzoekster op 12 juli 2004 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning gewijzigd en enkele voorschriften aan die vergunning toegevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702400/2.

Datum uitspraak: 22 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Albemarle Catalysts Company B.V.", gevestigd te Amersfoort,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder voorschrift 4.1a van de aan verzoekster op 12 juli 2004 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning gewijzigd en enkele voorschriften aan die vergunning toegevoegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2007, beroep ingesteld.

Bij separate brief van 3 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2007, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 mei 2007, waar verzoekster , vertegenwoordigd door [fabrieksmanager] bijgestaan door mr. G.J. Niezen, advocaat te Leusden, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. I.L.P. Kaspori en A.J.P. van Eck, ambtenaren van de provincie, bijgestaan door mr. F.W.J. van der Steen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Bij het bestreden besluit is voorschrift 4.1a in die zin gewijzigd dat de maximale concentratie stof afkomstig van de sproeidrogers (in het vigerende voorschrift aangeduid als de emissiepunten E061 t/m E064) vanaf 1 oktober 2008 20 mg/Nm3 bedraagt. Tot 1 oktober 2008 bedraagt de maximale concentratie stof afkomstig van elk van de emissiepunten E061 t/m E064 50 mg/Nm3.

   In verband met de wijziging van voorschrift 4.1a heeft verweerder voorts voorschriften aan de vergunning toegevoegd. Voor zover hier van belang dient verzoekster op grond daarvan een saneringsplan op te stellen over de wijze waarop zij zal voldoen aan de vanaf 1 oktober 2008 geldende maximale concentratie stof. Dit plan dient zij uiterlijk op 1 juni 2007 schriftelijk aan verweerder ter goedkeuring voor te leggen.

2.3.    Ingevolge artikel 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag op aanvraag van de vergunninghouder voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen.

   Ingevolge het tweede lid van deze bepaling zijn met betrekking tot de beslissing ter zake en de inhoud van die voorschriften de artikelen 8.6 tot en met 8.17 van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Bij de toepassing van de laatstgenoemde bepaling komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Verzoekster betoogt dat zij niet in redelijkheid kan voldoen aan de in voorschrift 4.1a gestelde grenswaarde voor de stofemissie van de sproeidrogers voor de periode vanaf 1 oktober 2008. Hiertoe voert zij aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met hetgeen in de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (NeR) is opgemerkt over de kosteneffectiviteit van de te treffen maatregelen. In dit verband stelt verzoekster dat zij, om de benodigde filterinstallatie te kunnen bouwen, een deel van de bestaande niet-filtrerende installatie moet slopen en dat zij in verband daarmee een aantal maanden buiten bedrijf zal zijn. De totale kosten hiervan bedragen volgens verzoekster minimaal 15 miljoen euro. Verzoekster betwijfelt voorts of de benodigde filterinstallatie voldoende bedrijfszeker is. Ten slotte voert zij aan dat de door verweerder toegepaste zogeheten BAT-referentiedocumenten (BREF’s) onvoldoende zijn toegesneden op de in haar inrichting gebruikte installatie.

   Verzoekster betoogt subsidiair dat de in het bestreden besluit gegunde termijn om een saneringsplan aan verweerder voor te leggen, te kort is.

2.5.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat de grenswaarde van 20 mg/Nm3 stof overeenstemt met hetgeen volgens paragraaf 3.2.2 van de NeR bij gebruik van een niet-filtrerende installatie kan worden geëist. Voorts blijkt volgens verweerder uit de BREF’s inzake Anorganische fijnchemie en Afgas- en afwaterbehandeling dat het gebruik van alleen een niet-filtrerende installatie niet conform de beste beschikbare technieken is. In de BREF’s is volgens verweerder het kostenaspect reeds betrokken. Verweerder stelt voorts dat de door verzoekster gebruikte installatie meer dan 10 jaar oud is en dat het daaraan ten grondslag liggende ontwerp meer dan 50 jaar oud is.

2.6.    De Voorzitter stelt voorop dat een voorlopige voorzieningsprocedure zich niet leent voor een uitgebreide beoordeling van de vraag of, gelet op artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, verweerder de grenswaarde van 20 mg/Nm3 stof voor de periode vanaf 1 oktober 2008 in redelijkheid heeft kunnen stellen. Deze beoordeling kan eerst in de bodemprocedure plaatsvinden. Thans dient te worden beoordeeld of, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening is aangewezen.

   Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven in te kunnen stemmen met verlenging van de in het bestreden besluit gegunde termijn om een saneringsplan aan verweerder voor te leggen, met zes maanden. Gelet hierop dient het verzoek in zoverre te worden toegewezen. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat verzoekster verweerder op de hoogte zal houden van de voortgang van het opstellen van het plan.

   Niet in geschil is dat, om aan de grenswaarde van 20 mg/Nm3 stof te kunnen voldoen, bedrijfsaanpassingen nodig zijn waarmee grote investeringen zijn gemoeid. Verweerder is er in het bestreden besluit van uitgegaan dat voor het realiseren van deze aanpassingen een periode van 16 maanden na indiening van het saneringsplan toereikend is. Nu verweerder heeft ingestemd met verlenging van de termijn om het saneringsplan in te dienen, ziet de Voorzitter aanleiding om het verzoek ook toe te wijzen voor zover het de gestelde grenswaarde voor de stofemissie van de sproeidrogers voor de periode vanaf 1 oktober 2008 betreft.

   De Voorzitter zal trachten de voortgang van de hoofdzaak te bespoedigen.

2.7.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.8.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 14 februari 2007, kenmerk 2007-5759, voor zover het de dictumonderdelen II (grenswaarde voor de stofemissie van de sproeidrogers voor de periode vanaf 1 oktober 2008) en III.A.b (termijn voor het ter goedkeuring voorleggen van het onder III.A.a bedoelde saneringsplan) betreft;

II.    treft de voorlopige voorziening dat het in het dictum van het bestreden besluit onder III.A.a bedoelde saneringsplan uiterlijk op 1 december 2007 schriftelijk aan verweerder ter goedkeuring wordt voorgelegd;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Holland aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.C. Leemans, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink                        w.g. Leemans

Voorzitter                        ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007

442