Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5672

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
200703099/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2007 heeft verweerder aan verzoekster 13 lasten onder dwangsom opgelegd vanwege veranderingen in de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], waarvoor geen vergunning is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703099/1

Datum uitspraak: 10 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Agib B.V.", gevestigd te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,

verzoekster,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 10 mei 2007 om 15.00 uur.

Tegenwoordig:

Mr. K. Brink, als Voorzitter;

Mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

Verschenen:

Verzoekster, vertegenwoordigd door [directeur], [gemachtigde] en mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam;

Verweerder, vertegenwoordigd door F. Kabbouti en ing. H.N.G. van Dalen, ambtenaren van de gemeente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2007 heeft verweerder aan verzoekster 13 lasten onder dwangsom opgelegd vanwege veranderingen in de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats], waarvoor geen vergunning is verleend.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 27 april 2007, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2007 heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 24 april 2007, kenmerk BOMI/FK, voor zover het betreft de lasten onder dwangsom met nummers 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 13 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist en schorst genoemd besluit voor zover het betreft de last onder dwangsom met nummer 9 tot 1 juni 2007;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 674,00 (zegge: zeshonderdvierenzeventig euro), waarvan een gedeelte groot € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Maasdriel aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV. gelast dat de gemeente Maasdriel aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt.

Daartoe overweegt hij het volgende.

De door verzoekster aangevoerde gronden met betrekking tot de lasten onder dwangsom zien op de vraag of sprake is van overtredingen, de noodzaak handhavend op te treden en de wijze waarop handhavend is opgetreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Last 1 - opslag van lege, gereinigde en/of ongereinigde emballage.

Naar het oordeel van de Voorzitter is niet voldoende aannemelijk geworden dat opslag als bedoeld in de last hoe dan ook niet mogelijk is in het kader van de bij besluit van 27 september 1988 verleende oprichtingsvergunning. Op dit punt is nader onderzoek in het kader van de beslissing op het bezwaarschrift aangewezen.

Last 2 - opslag van andere zuren dan fosforzuur en zoutzuur.

Last 3 - opslag van andere logen dan kaliumhydroxide en natriumhypochloride.

In de onderliggende vergunning van 27 september 1988 is aangegeven onder aard van de inrichting: "Opslag van goederen; handelsonderneming in chemische en pharmaceutische producten (tbv agrarische sector)" De bij de aanvraag en vergunning behorende tekening geeft op afzonderlijke plaatsen de opslag aan van: formaline; bleekloog; reinigingsmiddelen op basis van Ka(OH) (kaliumhydroxide), Na-hypochloride (natriumhypochloride); reinigingsmiddelen op basis van jodium, fosforzuur, zoutzuur; artikelen t.b.v. vee. In de voorschriften van de vergunning zijn voorschriften gesteld ten aanzien van formaline en chloorbleekloog.

Ter zitting is gebleken dat de opslag van artikelen waartegen de lasten met nummers 2 en 3 zich richten, valt binnen de hiervoor vermelde omschrijving uit de aanvraag. Die omschrijving komt ook tot uitdrukking in de op de tekening aangegeven algemene categorie "opslag artikelen t.b.v. vee". Naar het oordeel van de Voorzitter is wat betreft de met name genoemde producten op de tekening en in de voorschriften geen sprake van een limitatieve opsomming. Derhalve hebben deze lasten betrekking op activiteiten waarop de vergunning mede betrekking heeft. Er is in zoverre dan ook geen sprake van een overtreding.

Last 4 - de opslag van chemicaliën die met elkaar kunnen reageren in één ruimte of op een dusdanige manier dat eventueel lekstoffen elkaar kunnen bereiken.

Naar het oordeel van de Voorzitter heeft verweerder genoegzaam aannemelijk gemaakt, dat producten in afwijking van de vergunning worden opgeslagen, zodanig dat het in last 4 bedoelde risico zich kan verwezenlijken. Nu handhavend optreden niet als zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen kan worden aangemerkt, heeft verweerder op goede gronden een last onder dwangsom opgelegd. Verder is de Voorzitter van oordeel dat het bedrag van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging en dat de begunstigingstermijn van 2 weken na verzending van het besluit toereikend is. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in zoverre af te wijzen

Last 5 - aanwezigheid elektrische heftrucks.

Last 6 - aanwezigheid elektrische pompwagen.

Last 7 - aanwezigheid acculaadstation.

Last 8 - aanwezigheid compressor.

Last 10 - aanwezigheid container ten behoeve van opslag van diverse materialen.

Last 11 - opslag van rollen folie.

Last 12 - aanwezigheid van meer dan 8 heaters.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van de Voorzitter dat deze lasten - hoewel niet in alle gevallen nauwkeurig geformuleerd - betrekking hebben op activiteiten, waarvoor geen vergunning is verleend dan wel activiteiten welke plaatsvinden in afwijking van de verleende vergunning. Derhalve was verweerder bevoegd handhavend op te treden. Nu handhavend optreden niet als zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen kan worden aangemerkt, heeft verweerder op goede gronden lasten onder dwangsom opgelegd. Verder is de Voorzitter van oordeel dat de bedragen van de dwangsommen in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde werking van dedwangsomoplegging. Wat betreft de lasten met nummers 5, 6, 7, 8, 10, 11 en 12 is de Voorzitter van oordeel dat de in het bestreden besluit vastgestelde begunstigingstermijn van 2 weken na de verzenddatum van het bestreden besluit te kort is. Gelet hierop ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter gaat er overigens van uit dat indien verzoekster, zoals ter zitting is toegezegd, op 22 mei 2007 een aanvraag om een revisievergunning indient, verweerder in het kader van de beslissing op bezwaar beziet of een concreet uitzicht op legalisatie bestaat.

Last 9 - zelfsluitende deur tussen vulruimte 1 en bedrijfshal niet geplaatst en in werking.

Ter zitting is komen vast te staan dat de desbetreffende deur niet aanwezig is. Verweerder was derhalve bevoegd handhavend op te treden. Nu handhavend optreden niet als zodanig onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen belangen kan worden aangemerkt, heeft verweerder op goede gronden een last onder dwangsom opgelegd. Verder is de Voorzitter van oordeel dat het bedrag van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Wat de begunstigingstermijn betreft is de Voorzitter evenwel van oordeel, dat deze te kort is. Gelet hierop ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Last 13 - parkeren en/of stallen, laden en lossen van vrachtwagens.

De bij besluit van 27 september 1988 verleende vergunning heeft, gelet op de aard van de aangevraagde inrichting, mede betrekking op het gedurende de dagperiode parkeren van vrachtwagens ten behoeve van de bevoorrading van de inrichting alsmede op transport van producten uit de inrichting naar derden in het kader van de verkoop. De Voorzitter overweegt dat last nummer 13 zodanig is geformuleerd dat genoemde activiteiten daaronder vallen. In zoverre is dan ook geen sprake van een overtreding. Gelet hierop ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek wordt ingewilligd voor zover hiervoor is aangegeven en voor het overige afgewezen.

Verweerder dient op bovengenoemde wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

w.g. Brink w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

191