Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5551

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
24-05-2007
Zaaknummer
200609255/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000 35
Vreemdelingenwet 2000 28
Vreemdelingenwet 2000 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200609255/1.

Datum uitspraak: 10 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/33841 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 27 november 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 november 2006, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 december 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2007 heeft de Minister van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2.1.1. Appellant heeft eerder op 17 oktober 1996 om toelating als vluchteling verzocht. Bij besluit van 6 februari 1997 heeft de Staatssecretaris van Justitie deze aanvraag afgewezen, doch aan hem een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend, omdat zijn verwijdering van bijzondere hardheid zou getuigen in verband met de algehele situatie in Irak. Bij besluit van 17 april 1997 is het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en zijn verzoek om toelating als vluchteling ingewilligd. Deze vergunning is op 1 april 2001 omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Bij beschikking van 17 april 2003 is voormelde verblijfsvergunning met toepassing van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) ingetrokken wegens het verstrekken van onjuiste gegevens, dan wel het achterhouden van gegevens die, waren zij bekend geweest, tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Die beschikking is met de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 6 augustus 2004 in rechte onaantastbaar geworden.

Op 1 juni 2006 heeft appellant de bij besluit van 12 juli 2006 afgewezen aanvraag ingediend.

2.1.2. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is de minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 33, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is de minister bevoegd een verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in te trekken.

2.1.3. Door te overwegen dat de minister op goede gronden met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de aanvraag van appellant heeft afgewezen, is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan het in de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2006 in zaak no. 200506456/1 (JV 2006/397) uiteengezette beoordelingskader, te weten dat zij direct en zelfstandig had moeten treden in de vraag of het bij haar bestreden besluit als een herhaalde beslissing moet worden aangemerkt. In dit verband heeft zij geen acht geslagen op de uitspraak van 31 augustus 2006 in zaak no. 200603935/1 (JV 2006/420) waarin de Afdeling, anders dan in de uitspraak van 24 maart 2006 in zaak no. 200510553/1 (JV 2006/202), heeft geoordeeld dat geen sprake is van een herhaalde beslissing, indien het bij de rechtbank bestreden besluit ziet op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en een eerder genomen - en in rechte onaantastbaar geworden − besluit ziet op een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Het betreft immers een andere verblijfsvergunning asiel. Aangezien het besluit van 12 juli 2006 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd betreft en het besluit van 17 april 2003 een intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, is de beslissing op de aanvraag van 1 juni 2006, gelet op het bovenstaande, geen herhaalde. Het in voormelde uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2006 uiteengezette beoordelingskader staat dan ook niet in de weg aan toetsing van het in beroep bestreden besluit.

2.1.4. Bij besluit van 17 april 1997 is het verzoek van appellant om toelating als vluchteling ingewilligd, zodat de beslissing op de aanvraag van 1 juni 2006 in dat opzicht evenmin als een herhaalde kan worden aangemerkt.

2.1.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de aanvraag van 1 juni 2006 ten onrechte als een herhaalde heeft aangemerkt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet hierop, behoeft de grief geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het vorenoverwogene eveneens volgt dat de minister de aanvraag van appellant ten onrechte met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft afgewezen en dat een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag ten onrechte achterwege is gebleven, het beroep tegen het besluit van 12 juli 2006 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.3. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 27 november 2006 in zaak no. AWB 06/33841;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 12 juli 2006, kenmerk 0304-03-0027;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter

is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen.

ambtenaar van Staat w.g. Zwemstra

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007

91-506.