Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
200702018/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / generaal pardonregeling / vaste gedragslijn

Door te beoordelen of de staatssecretaris in het hiervoor vermelde onderdeel uit het regeerakkoord aanleiding had behoren te zien inbewaringstelling van appellant achterwege te laten, heeft de rechtbank niet onderkend dat bedoeld onderdeel geen reeds geldende generaal pardonregeling behelst. Aan de omstandigheid dat de rechtbank het akkoord ten onrechte tot richtsnoer voor haar beoordeling heeft genomen, behoeven gelet op het navolgende evenwel geen gevolgen te worden verbonden. Namens de staatssecretaris is ter zitting bij de Afdeling het volgende naar voren gebracht. De staatssecretaris, die zich gebonden acht aan de uitvoering van het regeerakkoord, hanteert met ingang van 22 februari 2007, de datum waarop de leden van het kabinet zijn beëdigd, de vaste gedragslijn dat in verband met de vast te stellen pardonregeling vreemdelingen die voldoen aan de navolgende voorwaarden, niet in bewaring worden gesteld dan wel, voor zover zij vóór die datum reeds in bewaring waren gesteld, niet langer in bewaring worden gehouden. Bedoelde voorwaarden luiden als volgt:

a. de vreemdeling heeft vóór 1 april 2001 een eerste asielaanvraag ingediend;

b. er bestaan ten aanzien van de vreemdeling geen contra-indicaties van openbare orde, waarbij wordt uitgegaan van de in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b tot en met e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) vermelde voorwaarden voor ongewenstverklaring en het terzake daarvan gevoerde beleid, dat is vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000. Voor het bestaan van deze contraindicaties is niet noodzakelijk dat de vreemdeling daadwerkelijk ongewenst verklaard is;

c. niet aantoonbaar is dat de vreemdeling buiten Nederland heeft verbleven. Een kort bezoek aan het buitenland wordt de vreemdeling niet tegengeworpen.

Het onderzoek of de op de voet van artikel 50 van de Vw 2000 staande gehouden dan wel overgedragen vreemdeling aan deze voorwaarden voldoet, wordt in de gevallen waarin die staandehouding of overdracht dateert van na 22 februari 2007 verricht binnen de voor de ophouding van de vreemdeling geldende maximale termijn. In geval een vreemdeling reeds voor die datum in bewaring is gesteld, geldt als uitgangspunt dat bedoeld onderzoek binnen 14 dagen na genoemde datum alsnog wordt verricht. Vast staat dat appellant tweemaal bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf. Niet in geschil is dat deze veroordelingen tot een ongewenstverklaring van appellant zouden kunnen leiden. De inbewaringstelling van appellant is derhalve niet in strijd met de hiervoor onder 2.3.1 vermelde vaste gedragslijn die de staatssecretaris hanteert bij de beoordeling of in het licht van de nog vast te stellen pardonregeling aanleiding bestaat af te zien van inbewaringstelling van de betrokken vreemdeling. Aan de omstandigheid dat volgens appellant een niet te verwaarlozen kans bestaat dat hij in aanmerking zal komen voor vorenbedoelde regeling kan, nog daargelaten dat enig concreet aanknopingspunt voor die verwachting ontbreekt, niet de door appellant gewenste betekenis worden gehecht. Omtrent de criteria die uiteindelijk in de te treffen pardonregeling zullen worden opgenomen terzake van contra-indicaties om redenen van openbare orde, bestaat eerst duidelijkheid nadat die regeling is vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702018/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/8659 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 16 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2007 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 maart 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

Bij brief van 19 april 2007 heeft de vreemdeling een nadere reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2007, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D. Kuiper, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat thans niet zonder meer duidelijk is dat hij een geslaagd beroep kan doen op het in het regeerakkoord opgenomen voornemen om te komen met een regeling betreffende het zogenoemde generaal pardon (hierna: de pardonregeling), nu is gebleken dat appellant tweemaal is veroordeeld wegens een misdrijf en de staatssecretaris in dat pardon dan ook geen aanleiding heeft hoeven zien om van het opleggen van de maatregel van bewaring af te zien. Daartoe betoogt appellant dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het er niet om gaat of reeds duidelijk is dat hij voor de pardonregeling in aanmerking zal komen, doch dat voldoende is dat een niet te verwaarlozen kans bestaat dat hij onder dat pardon zal vallen, nu de twee strafbare feiten waarvoor hij is veroordeeld, gedateerd zijn, winkeldiefstallen betreffen en niet tot ongewenstverklaring hebben geleid.

2.2. In het coalitieakkoord van 7 februari 2007 (TK 2006-2007, 30891, nr. 4, blz. 35) (hierna aan te duiden als: het regeerakkoord), is in onderdeel 6 van de paragraaf over het immigratiebeleid vermeld dat er, om op korte termijn de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet af te wikkelen, een regeling komt in het kader waarvan ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend aan personen die aan de nader in dit onderdeel opgesomde objectieve criteria voldoen. Een van die criteria is dat ten aanzien van de betrokkene geen contra-indicaties om reden van criminaliteit (criteria voor ongewenstverklaring) of oorlogsmisdrijven bestaan.

2.3. Door te beoordelen of de staatssecretaris in het hiervoor vermelde onderdeel uit het regeerakkoord aanleiding had behoren te zien inbewaringstelling van appellant achterwege te laten, heeft de rechtbank niet onderkend dat bedoeld onderdeel geen reeds geldende generaal pardonregeling behelst. Aan de omstandigheid dat de rechtbank het akkoord ten onrechte tot richtsnoer voor haar beoordeling heeft genomen, behoeven gelet op het navolgende evenwel geen gevolgen te worden verbonden.

2.3.1. Namens de staatssecretaris is ter zitting bij de Afdeling het volgende naar voren gebracht. De staatssecretaris, die zich gebonden acht aan de uitvoering van het regeerakkoord, hanteert met ingang van 22 februari 2007, de datum waarop de leden van het kabinet zijn beëdigd, de vaste gedragslijn dat in verband met de vast te stellen pardonregeling vreemdelingen die voldoen aan de navolgende voorwaarden, niet in bewaring worden gesteld dan wel, voor zover zij vóór die datum reeds in bewaring waren gesteld, niet langer in bewaring worden gehouden. Bedoelde voorwaarden luiden als volgt:

a. de vreemdeling heeft vóór 1 april 2001 een eerste asielaanvraag

ingediend;

b. er bestaan ten aanzien van de vreemdeling geen contra-indicaties van

openbare orde, waarbij wordt uitgegaan van de in artikel 67, eerste lid,

aanhef en onder b tot en met e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna:

Vw 2000) vermelde voorwaarden voor ongewenstverklaring en het

terzake daarvan gevoerde beleid, dat is vastgelegd in de

Vreemdelingencirculaire 2000. Voor het bestaan van deze contra-

indicaties is niet noodzakelijk dat de vreemdeling daadwerkelijk ongewenst

verklaard is;

c. niet aantoonbaar is dat de vreemdeling buiten Nederland heeft verbleven.

Een kort bezoek aan het buitenland wordt de vreemdeling niet

tegengeworpen.

Het onderzoek of de op de voet van artikel 50 van de Vw 2000 staande gehouden dan wel overgedragen vreemdeling aan deze voorwaarden voldoet, wordt in de gevallen waarin die staandehouding of overdracht dateert van na 22 februari 2007 verricht binnen de voor de ophouding van de vreemdeling geldende maximale termijn. In geval een vreemdeling reeds voor die datum in bewaring is gesteld, geldt als uitgangspunt dat bedoeld onderzoek binnen 14 dagen na genoemde datum alsnog wordt verricht.

2.3.2. Vast staat dat appellant tweemaal bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf. Niet in geschil is dat deze veroordelingen tot een ongewenstverklaring van appellant zouden kunnen leiden. De inbewaringstelling van appellant is derhalve niet in strijd met de hiervoor onder 2.3.1 vermelde vaste gedragslijn die de staatssecretaris hanteert bij de beoordeling of in het licht van de nog vast te stellen pardonregeling aanleiding bestaat af te zien van inbewaringstelling van de betrokken vreemdeling. Aan de omstandigheid dat volgens appellant een niet te verwaarlozen kans bestaat dat hij in aanmerking zal komen voor vorenbedoelde regeling kan, nog daargelaten dat enig concreet aanknopingspunt voor die verwachting ontbreekt, niet de door appellant gewenste betekenis worden gehecht. Omtrent de criteria die uiteindelijk in de te treffen pardonregeling zullen worden opgenomen terzake van contra-indicaties om redenen van openbare orde, bestaat eerst duidelijkheid nadat die regeling is vastgesteld.

2.4. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.6. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter

w.g. Bakker

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2007

393

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak