Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5523

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
200702075/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2007:BA2076, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / China

De rechtbank heeft niet, althans onvoldoende, onderkend dat de enkele omstandigheid dat de Chinese autoriteiten slechts in een gering aantal gevallen reisdocumenten verstrekken, al aangenomen dat die omstandigheid zich inderdaad voordeed, op zichzelf niet betekent dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat die autoriteiten ook niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert. Aan het door de rechtbank in aanmerking genomen cijfermateriaal valt niet de conclusie te verbinden dat die bereidheid slechts bestaat indien de desbetreffende vreemdeling beschikt over een (kopie) van een reisdocument dan wel eerder ten behoeve van hem een laissez-passer is afgegeven. Nu de vreemdeling geen, haar persoonlijk betreffende, concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de staatssecretaris het op voorhand uitgesloten heeft moeten achten dat het onderzoek door de Chinese autoriteiten binnen een redelijke termijn tot afgifte van een reisdocument kan leiden, doch heeft volstaan met een verwijzing naar vorenbedoeld cijfermateriaal bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ondanks het feit dat de aanvraag om de laissez-passer door de Chinese autoriteiten in behandeling is genomen er van had moeten uitgaan dat reëel zicht op uitzetting voor de vreemdeling ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/296
RV20070062 met annotatie van Baudoin P.J.A.M. Piet
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200702075/1.

Datum uitspraak: 9 mei 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/8459 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 15 maart 2007 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2007 is [ de vreemdeling] in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de opheffing van de bewaring bevolen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de staatssecretaris) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 28 maart 2007 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat reëel zicht op uitzetting bestaat omdat uit de door hem over 2006, en dan met name na april 2006, gepresenteerde cijfers blijkt dat enkel indien een vreemdeling beschikt over een (kopie) van een identiteitsdocument, dan wel eerder een laissez passer is verstrekt, afgifte daarvan door de Chinese autoriteiten in de rede ligt, en de vreemdeling niet beschikt over enige documenten en voor haar niet eerder een laissez-passer is afgegeven. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank aldus miskend dat het feit dat de Chinese autoriteiten aanvragen om afgifte van laissez-passers in behandeling nemen en daarop, na onderzoek op basis van de door de desbetreffende vreemdeling verstrekte gegevens, beslissen, een aanwijzing is dat zicht op uitzetting bestaat, dat het niet aan de staatssecretaris is om aannemelijk te maken of bedoelde gegevens tot afgifte van een laissez passer kunnen leiden en dat bedoeld onderzoek naar de juistheid van de gegevens niet door hem maar de Chinese autoriteiten wordt verricht.

2.1.1. De rechtbank heeft niet, althans onvoldoende, onderkend dat de enkele omstandigheid dat de Chinese autoriteiten slechts in een gering aantal gevallen reisdocumenten verstrekken, al aangenomen dat die omstandigheid zich inderdaad voordeed, op zichzelf niet betekent dat bij voorbaat moet worden aangenomen dat die autoriteiten ook niet bereid zijn een reisdocument te verstrekken indien de desbetreffende vreemdeling volledige en juiste informatie verstrekt en het door hen te verrichten onderzoek niet frustreert. Aan het door de rechtbank in aanmerking genomen cijfermateriaal valt niet de conclusie te verbinden dat die bereidheid slechts bestaat indien de desbetreffende vreemdeling beschikt over een (kopie) van een reisdocument dan wel eerder ten behoeve van hem een laissez-passer is afgegeven.

Nu de vreemdeling geen, haar persoonlijk betreffende, concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de staatssecretaris het op voorhand uitgesloten heeft moeten achten dat het onderzoek door de Chinese autoriteiten binnen een redelijke termijn tot afgifte van een reisdocument kan leiden, doch heeft volstaan met een verwijzing naar vorenbedoeld cijfermateriaal bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ondanks het feit dat de aanvraag om de laissez-passer door de Chinese autoriteiten in behandeling is genomen er van had moeten uitgaan dat reëel zicht op uitzetting voor de vreemdeling ontbreekt.

De grief slaagt.

2.2. De overige grieven missen zelfstandige betekenis.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden blijkens het hiervoor overwogene geen grond geven voor een ander oordeel, zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 15 maart 2007 in zaak no. AWB 07/8459;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink Voorzitter

w.g. Bakker ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007

395

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak