Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5515

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
200510017/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Wassenaar, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 februari 2005, het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2004" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2007/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510017/1.

Datum uitspraak: 23 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar,

2. de vereniging "Wijkvereniging Benoordenhout", gevestigd te Den Haag,

3. de vereniging "Polo Club Wassenaar", de stichting "Stichting Beheer Duindigt" en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Draf- en Renbaan Duindigt B.V.", alle gevestigd te Wassenaar,

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te [woonplaats],

10. de vennootschap onder firma "Camping De Duinhorst", gevestigd te Wassenaar,

11. [appellanten sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellante sub 12], gevestigd te [plaats],

13. [appellanten sub 13], beiden wonend te [woonplaats],

14. [appellante sub 14], gevestigd te [plaats],

15. de vereniging "Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor 's-Gravenhage en omstreken", gevestigd te Den Haag, en andere, alle tezamen handelend onder de naam "Samenwerkingsverband Amonsvlakte",

16. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],

17. [appellanten sub 17], beide gevestigd te [plaats],

18. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],

19. [appellanten sub 19], beiden wonend te [woonplaats],

20. [appellanten sub 20], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Wassenaar, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 februari 2005, het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2004" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 oktober 2005, kenmerk DRM/ARB/05/3212A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brief van 23 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De stichting "Stichting Golf Duinzicht (hierna: Stichting Golf Duinzicht), de vereniging "Algemene Nederlandsche Wielrijdersbond" (hierna: de ANWB), [partij A], [partij B], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Golfpark Groendael B.V." (hierna: Golfpark Groendael) en [partij C] zijn als derden tot het geding toegelaten.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 oktober 2006 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (hierna: het college), Stichting Golf Duinzicht, [partij B], [partij A], [appellante sub 12] en de ANWB. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellant sub 16], Stichting Golf Duinzicht, de vereniging "Wijkvereniging Benoordenhout" (hierna: Wijkvereniging Benoordenhout), [appellant sub 4], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [partij C], Samenwerkingsverband Amonsvlakte, Golfpark Groendael, [appellante sub 12] en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 en 8 maart 2007, waar appellanten zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen.

Ook verweerder en de gemeenteraad van Wassenaar hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn daar als partij gehoord Stichting Golf Duinzicht, de ANWB, [partij A] en Golfpark Groendael.

[appellanten sub 11], [partij B] en [partij C] zijn niet ter zitting verschenen en hebben zich evenmin doen vertegenwoordigen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

Overgangsrecht

2.1. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.2. Ingevolge artikel 29, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 28, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) wordt, voor zover hier van belang, het besluit omtrent goedkeuring met het bestemmingsplan met ingang van de zesde week na de bekendmaking voor de duur van zes weken ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage gelegd. De terinzagelegging is hiermee bepaald op de eerste reguliere werkdag van de zesde kalenderweek na de bekendmaking.

Ingevolge artikel 56a, onder b, van de WRO vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag van de terinzagelegging van het besluit overeenkomstig artikel 29, derde lid, van de WRO.

Ingevolge artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.2.1. Het besluit van verweerder van 25 oktober 2005 is bekendgemaakt op 26 oktober 2005. De beroepstermijn is daarmee begonnen op 5 december 2005 en, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet, geëindigd op 16 januari 2006.

Het beroepschrift van [appellanten sub 20] is gedateerd 2 februari 2006 en ingekomen bij de Raad van State per faxbericht op 8 februari 2006.

Uit de stukken blijkt dat van de terinzagelegging van het bestreden besluit en de mogelijkheid daartegen beroep in te stellen kennis is gegeven in de Staatscourant en de Wassenaarder, beide van 1 december 2005.

2.2.2. Als rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding stellen [appellanten sub 20] dat de bezorging van de Wassenaarder niet steeds naar behoren verloopt en dat het exemplaar waarin de tervisielegging van het goedkeuringsbesluit is gepubliceerd, niet bij hen is bezorgd. Ter ondersteuning van hun stelling hebben appellanten dienovereenkomstige verklaringen van buurtbewoners overgelegd. Verder hebben zij van de zijde van de uitgever van de Wassenaarder een verklaring overgelegd, luidende: "Hierbij is er regelmatig gebeld maar de bezorger heeft niet gereageerd om te bezorgen in betreffende wijk".

2.2.3. Hoewel het ervoor moet worden gehouden dat de bezorging van de Wassenaarder bij appellanten niet altijd naar behoren verloopt, ziet de Afdeling in hetgeen zij hebben aangevoerd onvoldoende aanleiding de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar te achten. Zij overweegt daartoe dat niet is gebleken dat de bezorging van de Wassenaarder in het algemeen zodanige gebreken vertoonde dat dit blad niet had mogen worden gebruikt als publicatiemiddel van het goedkeuringsbesluit. Voorts behoort het in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van een appellant om op de hoogte te blijven van gemeentelijke aankondigingen. In geval van een onregelmatige bezorging hadden appellanten maatregelen moeten treffen om toch de beschikking te verkrijgen over voor hen van belang zijnde gemeentelijke publicaties. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat verweerder zijn besluit op grondslag van artikel 28, vijfde lid, van de WRO aan (de gemachtigden van) de indieners van bedenkingen, waaronder appellanten, heeft gezonden. Zij hadden derhalve ook uit dien hoofde bedacht moeten zijn op de aanstaande mogelijkheid beroep in te stellen tegen het goedkeuringsbesluit.

Het beroep van [appellanten sub 20] is niet-ontvankelijk.

2.3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Draf- en Renbaan Duindigt B.V." (hierna: Draf- en Renbaan Duindigt) heeft tegen het ontwerpplan geen zienswijze ingebracht.

2.3.1. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de WRO kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het ontwerpplan een zienswijze bij de gemeenteraad heeft ingebracht.

Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Voor zover voor het beroep van Draf- en Renbaan Duindigt van belang doet zich geen van deze omstandigheden voor.

2.3.2. Het beroep van de vereniging "Polo Club Wassenaar" (hierna: Polo Club Wassenaar), de stichting "Stichting Beheer Duindigt" (hierna: Stichting Beheer Duindigt) en Draf- en Renbaan Duindigt is derhalve niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingediend door Draf- en Renbaan Duindigt.

Toetsingskader

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.5. Het plan heeft betrekking op vrijwel het gehele buitengebied van de gemeente. Het is gericht op consolidering en bescherming van bestaande waarden. Daarnaast gaat het plan onder meer in op veranderingen in grondgebruik en recreatieve wensen.

De Amonsvlakte

De standpunten van Wijkvereniging Benoordenhout, Samenwerkingsverband Amonsvlakte, Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt

2.6. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Sport, golf tevens gebied met landschaps- en natuurwaarden -Sg+N-" voor de Amonsvlakte en een gedeelte van het daaraan grenzende parkeerterrein.

2.6.1. Zij voeren hiertoe aan dat de openbare toegankelijkheid van het gebied voor wandelaars en ruiters door de aanleg van de golfbaan ter plaatse komt te vervallen. De functie golf zal volgens hen leiden tot een aantasting van de natuurwaarden en een verzwakking van de ecologische verbinding tussen de duinen en de landgoederenzone. Ten onrechte is volgens appellanten geen onafhankelijk en actueel onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan en heeft verweerder met de gemeenteraad volstaan met het onderschrijven van de conclusies in een in opdracht van Stichting Golf Duinzicht opgesteld rapport. Daarenboven blijkt volgens appellanten uit een door hen overgelegd onderzoek dat de Rugstreeppad en de Duinhagedis op de Amonsvlakte voorkomen. Dit zijn diersoorten die zijn vermeld op bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Niet is gebleken dat verweerder rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van deze en ook andere beschermde diersoorten. Een ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) kan volgens appellanten niet worden verleend nu de aanleg van een golfbaan niet kan worden gezien als dwingende reden van groot openbaar belang. Er zijn overigens voldoende andere golfmogelijkheden in de omgeving, aldus appellanten.

Wijkvereniging Benoordenhout, Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt voeren nog aan dat ten onrechte voor de voorziene golfholes geen milieueffectrapport (hierna: MER) is gemaakt en dat evenmin is beoordeeld of een dergelijk rapport zou moeten worden gemaakt (hierna: m.e.r.-beoordelingsplicht).

Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt zijn verder van mening dat voor zover de uitbreiding van de golfbaan is geprojecteerd op een gedeelte van het parkeerterrein grenzend aan de Amonsvlakte, het verlies aan parkeerruimte zal leiden tot meer parkeerproblemen in de directe omgeving. De voorziene golfholes kunnen volgens hen zodanig worden aangelegd dat dit niet zal leiden tot het verlies van 175 parkeerplaatsen.

Het standpunt van verweerder

2.7. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Hij acht het plan op dit punt niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De bestemming past volgens hem binnen de aanduiding die in het streekplan Zuid-Holland West van 19 februari 2003 (hierna: het streekplan) aan het gebied is toegekend. Hij is van mening dat niet is gebleken dat het natuuronderzoek zodanige gebreken vertoont dat de gemeenteraad hier niet van had mogen uitgaan. In dit verband heeft verweerder gesteld dat de verwijzing in het bestreden besluit naar een onderzoek van het Bureau Brons & Schenkeveld uit 1992 een kennelijke verschrijving betreft en dat bij de beoordeling van het plan het onderzoek van Bureau Schenkeveld uit 2002 is betrokken. Voorts is verweerder van mening dat, voor zover sprake is van strijdigheid met de Ffw, de gemeenteraad op basis van de onderzoeksgegevens en met inachtneming van de gestelde eisen omtrent inrichting en beheer, afdoende heeft overwogen of op voorhand redelijkerwijs te verwachten is dat een ontheffing, indien vereist, zal worden verleend. Verder is verweerder van mening dat een beperking van de volledige openbaarheid van het terrein een gunstige invloed kan hebben op het behoud van de natuurwaarden.

Vaststelling van de feiten

2.8. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.1. De Amonsvlakte bevindt zich ten zuiden van het kruispunt van de Buurtweg/het Ruychrockpad met de Waalsdorperlaan. Het gebied wordt aan de zuidoostzijde begrensd door het parkeerterrein van Duindigt en aan de zuidwestzijde door een watergang.

Ten westen van de Amonsvlakte beschikt Stichting Golf Duinzicht op voormalige sportvelden over een golfterrein met drivingrange. De golfbaan betreft een negen holes par 3 baan, welke niet voldoende is om in aanmerking te kunnen komen voor een status van de Europese Golf Associatie (hierna: EGA). Ter plaatse van de Amonsvlakte zou Stichting Golf Duinzicht twee extra holes kunnen aanleggen waarmee zij in staat is de totale lengte van het parcours zodanig te vergroten dat een volwaardige baan ontstaat met een EGA-status. Met deze status zal het mogelijk zijn golfvaardigheidsbewijzen te verstrekken en officiële toernooien te organiseren.

2.8.2. Op 30 juli 1996 zijn door het college verschillende besluiten genomen ten behoeve van het uitbreidingsplan van Stichting Golf Duinzicht op de Amonsvlakte. Bij uitspraak van 27 september 1996 heeft de President van de arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage de besluiten van 30 juli 1996 geschorst. De President achtte de gevolgen van de besluiten dermate verstrekkend dat hiervoor de bestemmingsplanprocedure meer op zijn plaats zou zijn. De besluitvormingsprocedure is daarop in afwachting van het thans voorliggende bestemmingsplan gestaakt.

2.8.3. De Amonsvlakte ligt niet binnen de begrenzing van een speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogel- of Habitatrichtlijn en maakt evenmin deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Meijendel en Berkheide is het dichtstbijzijnde Habitatrichtlijngebied op een afstand van ongeveer 500 meter. In het streekplan is aan het gebied met de Amonsvlakte de aanduiding "Openluchtrecreatiegebied of stedelijk groen" toegekend.

2.8.4. In opdracht van Stichting Golf Duinzicht is een ecologisch onderzoek verricht door Bureau Schenkeveld, bureau voor natuur en landschap, dat heeft geleid tot het rapport "Ecologisch onderzoek Duinzicht" van september 2002. In dit rapport wordt gesteld dat de Amonsvlakte geen onderdeel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur van Nederland. Het gebied vormt in combinatie met het nieuwe ecoduct over de Landscheidingsweg wel de schakel ('stapsteen') tussen het duingebied Meijendel aan de noordzijde en de bossen van de binnenduinrand (Park Clingendael, Duindigt en het Haagsche Bosch) aan de west- en zuidzijde.

Wat betreft de floristische waarde van het gebied wordt in het rapport gesteld dat deze voor stedelijk gebied tamelijk groot is. In het gebied zijn twee soorten met een natuurwaarde van nationaal niveau, vijf van regionaal niveau en zestien van lokaal niveau aanwezig. Er is één door de Ffw beschermde soort aangetroffen, te weten het Ruig klokje.

Wat betreft de faunistische waarden wordt opgemerkt dat het gebied als foerageergebied door de Groene specht en de Nachtegaal wordt gebruikt. Ook wordt het gebied hoogstwaarschijnlijk bezocht door kleine zoogdieren en vleermuizen. Het voorkomen van de Zandhagedis en de Rugstreeppad is volgens het rapport niet aangetoond. Het gebied heeft wel regionale waarde voor dagvlinders, zoals Heidevlinder, Bruin blauwtje en Geelsprietdikkopje.

In algemene zin wordt in het rapport geconcludeerd dat het gebied met drie hectare te klein is om een grote betekenis te hebben voor de populaties van beschermde soorten. Deze komen in het binnenduinrandgebied tussen Den Haag en Wassenaar algemeen voor. Wel vormt het gebied een laatste standplaats voor een aantal zeldzame en/of bedreigde soorten van de binnenduinrand. Voor het voortbestaan van deze lokale populaties is het gebied van belang.

Het rapport geeft ten slotte enkele aanbevelingen voor een natuurvriendelijk gebruik van het terrein. Aanbevolen wordt om de boskern in het noordwesten en het duingrasland in het zuiden te ontzien.

2.8.5. Gerard Jol B.V. golf- en landschapsarchitectuur heeft een inrichtingstekening gemaakt voor het gebied. Hierbij zullen de bosranden voor een aanzienlijk deel in stand blijven. Het centrale deel waar de twee holes aangelegd dienen te worden, wordt voor een groot deel ingericht als duingrasland. Het is de bedoeling alleen delen van de fairways en de greens te beplanten en als zodanig te onderhouden. Evenals de inrichting is het de bedoeling het beheer van het gebied te richten op het behoud van de ecologische waarden.

2.8.6. Volgens door appellanten ingebracht veldonderzoek onderscheidt het gebied zich door de combinatie van beboste duinen en open duingraslanden. Hierdoor zou een biotoop kunnen ontstaan waarin vooral reptielen en vlinders goed gedijen. Appellanten hebben in de jaren 2000, 2002, 2003 en 2004 enkele waarnemingen van de Zandhagedis en de Rugstreeppad geregistreerd. Uit een door appellanten overgelegde analyse van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging komt naar voren dat de Amonsvlakte in elk geval vanwege de diversiteit van het landschap een waardevol natuurgebied is voor bepaalde soorten insecten. De bijzonderheid voor de flora is te vinden in de grote variatie van planten op kleine schaal. Verder wordt op de Amonsvlakte een relatief groot aantal vlindersoorten gevonden.

Bij brief van 22 februari 2007 stelt Samenwerkingsverband Amonsvlakte dat in 2005 en 2006 door gespecialiseerde veldwaarnemers waarnemingen zijn gedaan van de Zandhagedis en de Rugstreeppad in het gebied Amonsvlakte.

2.8.7. Bureau Waardenburg B.V., adviseurs voor ecologie & milieu, (hierna: Bureau Waardenburg) heeft in opdracht van het gemeentebestuur een natuuronderzoek gedaan hetgeen heeft geresulteerd in het rapport "Natuuronderzoek Amonsvlakte Wassenaar; veldonderzoek in het kader van de Flora- en faunawet" van 31 augustus 2006. Dit onderzoek is, gelet op de reeds beschikbare natuurgegevens, bedoeld als second opinion.

Tijdens het veldonderzoek is wat betreft de flora een beschermde soort aangetroffen, namelijk het Ruig klokje (in totaal vier exemplaren). Het betreft hier volgens het rapport een niet natuurlijke standplaats; vermoedelijk gaat het om verwilderde exemplaren. Bureau Waardenburg concludeert dat het plan geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van beschermde planten zal hebben.

Het gebied heeft volgens het rapport voorts een beperkte betekenis als foerageer- en overwinteringsgebied voor algemeen voorkomende amfibieën. De aanwezigheid van de Rugstreeppad is niet vastgesteld. Ook zijn er geen reptielen gevonden; de Zandhagedis wordt vanwege zijn storingsgevoeligheid niet op de intensief gebruikte Amonsvlakte verwacht. Hoewel veel vlindersoorten zijn aangetroffen, is ook in deze categorie geen beschermde of rode lijstsoort aangetroffen. Hoewel met de ingreep leefgebied voor kleine zoogdieren, zoals egel en kleine muizensoorten, verloren zal gaan, komt de gunstige staat van instandhouding van deze soorten volgens het rapport niet in geding. Niet wordt uitgesloten dat het gebied als foerageergebied door enkele vleermuissoorten wordt gebruikt. Ook is het gebied volgens het rapport mogelijk interessant voor rode lijstsoorten als Nachtegaal en Matkop. Ook hier verwacht Bureau Waardenburg evenwel geen aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

2.8.8. Het parkeerterrein van Duindigt aan de zuidzijde van de Amonsvlakte wordt met name gebruikt als overloopparkeerterrein. Duindigt beschikt op eigen terrein over een parkeerterrein voor ongeveer 300 motorvoertuigen. Bij druk bezochte rendagen wordt tevens gebruik gemaakt van het overloopparkeerterrein waar ongeveer 800 motorvoertuigen kunnen worden geparkeerd. Vanwege de aanleg van het golfterrein is voorzien in een vermindering van het aantal parkeerplaatsen op het overloopparkeerterrein met 175, zodat de totale capaciteit voor Duindigt zal neerkomen op ongeveer 925 plaatsen.

Jaarlijks worden tussen 40 en 50 koersdagen op Duindigt georganiseerd. Gemiddeld zijn er de laatste jaren 1.200 bezoekers per koersdag. Dit gemiddelde wordt volgens het deskundigenbericht significant beïnvloed door enkele grote evenementen. Op gewone koersdagen liggen de bezoekersaantallen overwegend tussen 700 en 1.000. Het merendeel van de bezoekers komt met de auto waarbij de bezettingsgraad per auto laag is.

2.8.9. Aan het plandeel is de bestemming "Sport, golf tevens gebied met landschaps- en natuurwaarden -Sg+N-" toegekend.

Ingevolge artikel 42, lid 1.2, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor:

- de golfsport alsmede

- behoud, versterking en/of herstel van de aan deze gronden eigen zijnde natuur- en landschappelijke waarde;

- het behoud van het gebied als stapsteen in de ecologische structuur;

met de daarbij behorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, toegangswegen en paden, watergangen en groenvoorzieningen, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Ingevolge het tweede lid gelden in aanvulling op artikel 1 met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bestemming de in het tweede lid aangegeven hoofdlijnen van beleid.

Ingevolge lid 2.1 is de zuidrand (Duindigt en omgeving) aangemerkt als transformatielocatie, voornamelijk doordat het programma aan heroriëntatie toe is. Om een krachtige bufferfunctie met een hoge mate van natuur en/of landschapswaarde in deze zone te realiseren wordt sterk ingezet op (uitbreiding van) de golfsport.

Ingevolge lid 5.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) binnen de in het eerste lid bedoelde bestemming onder meer de navolgende andere werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

- het ontginnen, bodemverlagen of afgraven en ophogen;

- het aanleggen van bosschages of het planten van houtopstanden.

Ingevolge lid 5.2 is een vergunning als bedoeld in lid 5.1 slechts toelaatbaar, indien door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en/of landschapswaarde van deze gronden niet in onevenredige mate wordt aangetast, en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft dat een aanlegvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd. Bij de toelaatbaarheid zullen de afwegingsaspecten als opgenomen in het tiende lid van artikel 1 in acht worden genomen.

In artikel 1, tiende lid, van de planvoorschriften worden algemene uitgangspunten en specifieke afwegingsaspecten ten aanzien van het aanlegvergunningenstelsel gegeven.

2.8.10. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt gesteld dat door de uitbreiding van de golfbaan de natuurwaarden weliswaar plaatselijk zullen worden aangetast, maar dat de ontwikkeling van golfbanen in het gebied uiteindelijk zal bijdragen aan het behoud van de bufferfunctie die het gebied heeft en aldus zal leiden tot versterking van de ecologische structuur. Volgens de gemeenteraad biedt de toegekende bestemming voldoende waarborgen voor het behoud en het beheer van het gebied.

2.8.11. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit m.e.r. 1994), beide zoals deze tot 28 september 2006 golden, worden als activiteiten bij de voorbereiding waarvan een MER moet worden gemaakt aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

Ingevolge onderdeel C, categorie 10.2, van het Besluit m.e.r. 1994, zoals dit tot 8 februari 2005 gold, is m.e.r.-plichtig de aanleg van een golfbaan in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een golfbaan die: 1° een oppervlakte beslaat van 50 hectare of meer, 2° een oppervlakte beslaat van 20 hectare of meer in een gevoelig gebied of 3° 18 holes of meer heeft bij de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg voorziet […].

Ingevolge artikel 7.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. 1994, beide zoals deze tot 28 september 2006 golden, worden als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet bepalen of een MER moet worden gemaakt, aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven.

Ingevolge onderdeel D, categorie 10.2, van het Besluit m.e.r. 1994, zoals dit tot 8 februari 2005 gold, is m.e.r.-beoordelingsplichtig de aanleg, wijziging of uitbreiding van een golfbaan in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1° een oppervlakte van 25 hectare of meer, 2° een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied of 3° 9 holes of meer bij de vaststelling van het ruimtelijk plan dat als eerste in de mogelijke aanleg, wijziging of uitbreiding voorziet […].

2.8.12. Ingevolge artikel 75, eerste lid, van de Ffw kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, voor zover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan ontheffing worden verleend van onder meer de verboden in de bij of krachtens de artikelen artikel 8 tot en met 18 bepaalde verboden.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt een vrijstelling of ontheffing slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Ingevolge het zesde lid van dit artikel worden, onverminderd het vierde (lees: vijfde) lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat:

[…]

c. met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

In het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten is in artikel 2, derde lid, bepaald dat als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, onder c, onder meer zijn aangewezen dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

Het oordeel van de Afdeling

2.9. Voor het oordeel dat ten behoeve van de aanleg van de golfholes op de Amonsvlakte en een gedeelte van het overloopparkeerterrein een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht zou gelden, bestaat geen grond. Het betreft in dit geval de aanleg van twee golfholes op een terrein met een oppervlakte van ongeveer drie hectare. De holes zijn een uitbreiding van het bestaande golfterrein. Om te bepalen of een plan m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is dient dit bestaande gebruik buiten beschouwing te blijven. De oppervlakte van het plandeel voor de Amonsvlakte en het gedeelte van het overloopparkeerterrein alsmede het aantal aan te leggen holes blijven onder de in het te dezen van toepassing zijnde versie van het Besluit m.e.r. 1994 vermelde drempelwaarden.

2.9.1. Over de op de Amonsvlakte aanwezige natuurwaarden, mede in relatie tot de omliggende natuurgebieden, overweegt de Afdeling het volgende.

Niet is gebleken dat de natuuronderzoeken van Bureau Schenkeveld en Bureau Waardenburg zodanige gebreken vertonen dat niet van de daarin opgenomen bevindingen zou mogen worden uitgegaan. Hoewel het onderzoek van Bureau Waardenburg dateert van na het bestreden besluit, kan dit in deze procedure worden meegenomen nu het onderzoek kan worden aangemerkt als een nadere aanvulling op, of uitwerking van, het reeds gedane onderzoek. Uit de onderzoeken volgt dat op de Amonsvlakte ten minste één plantensoort en verscheidene diersoorten voorkomen die door de Ffw worden beschermd.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat verweerder geen goedkeuring aan het plan had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In de onderzoeken kunnen onvoldoende aanknopingspunten worden gevonden voor de conclusie dat zich ter plaatse van de Amonsvlakte vaste rust- of verblijfplaatsen van de Rugstreeppad en de Zandhagedis bevinden. Appellanten hebben geen onderzoeksrapporten van andere als deskundige aan te merken instanties overgelegd waaruit anders zou blijken. De door appellanten ingebrachte waarnemingen en verwoorde verklaringen van veldbiologen, dat deze dieren ter plaatse zijn gezien en dat het gebied de potentie als leefgebied voor deze diersoorten heeft, zijn onvoldoende verifieerbaar om als tegenadviezen te kunnen dienen, nog daargelaten dat daaruit evenmin volgt dat zich op de Amonsvlakte vaste rust- of verblijfplaatsen van beide bedoelde diersoorten bevinden. Nu ook anderszins niet aannemelijk is gemaakt dat zich ter plaatse vaste rust- en verblijfplaatsen van andere soorten bevinden waarvoor de zogenoemde uitgebreide toets van artikel 75, zesde lid, van de Ffw moet plaatsvinden, behoeft niet verder te worden ingegaan op de vraag of de uitbreiding van de golfbaan als een dwingende reden van groot openbaar belang kan worden aangemerkt.

Voor zover het betreft andere door de Ffw beschermde planten- en diersoorten op de Amonsvlakte waarvoor niet reeds is voorzien in een vrijstelling, heeft verweerder zich, gelet op eerderbedoelde onderzoeken, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwacht kan worden dat ontheffing zal kunnen worden verleend.

Gelet hierop heeft verweerder zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plandeel in de weg zal staan.

2.9.2. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat aan de natuurwaarden ter plaatse een zodanig bijzondere betekenis toekomt dat verweerder aan het belang van het behoud daarvan doorslaggevende betekenis had moeten toekennen. Daarbij is mede van betekenis dat voor de aanleg van de golfholes een aanlegvergunning is vereist als bedoeld in artikel 42, lid 5.1, van de planvoorschriften en dat in dat kader een nadere afweging van onder meer de natuurwaarden ter plaatse moet worden gemaakt. Verweerder heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook met de functie golf een groot gedeelte van de natuurwaarden ter plaatse zal kunnen worden behouden. Overigens blijkt uit de inrichtingstekening van Gerard Jol B.V. golf- en landschapsarchitectuur dat niet meer dan ongeveer 0,8 hectare van de drie hectare grote Amonsvlakte ten behoeve van de golfsport zal worden heringericht en dat diverse waardevolle beplantingen kunnen worden behouden. Deze inrichtingstekening zal bij de verlening van een aanlegvergunning kunnen worden betrokken.

2.9.3. Dat de Amonsvlakte in een behoefte voorziet als wandel- en ruitergebied is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat de toegankelijkheid van het gebied voor wandelaars en ruiters na aanleg van de golfholes grotendeels zal komen te vervallen. Het plan maakt evenwel de aanleg van wandel- en ruiterpaden in de randbosschages niet onmogelijk en ook de inrichtingstekening voorziet daarin. Daarbij komt dat het een in omvang relatief beperkt gebied is en dat op korte afstand op Landgoed Clingendael en in het duingebied Meijendel ruime mogelijkheden voor wandelaars en ruiters aanwezig zijn. Niet is gebleken dat, zoals Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt stellen, de voorziene omsluiting van de Amonsvlakte met een hekwerk het gebruik van het ecoduct tussen de Waalsdorpervlakte en Landgoed Clingendael onmogelijk zou maken.

2.9.4. Gelet op de stukken, waaronder de inrichtingstekening voor de nieuwe golfholes, en het verhandelde ter zitting is het gedeelte van het plandeel dat ziet op het overloopparkeerterrein benodigd voor de vormgeving van hole 2 en om aanwezige natuurwaarden te sparen. De Afdeling acht voldoende aannemelijk gemaakt dat, zo dit gedeelte als parkeerterrein in gebruik zou blijven, op de resterende gronden, de Amonsvlakte, onvoldoende ruimte zou zijn om te komen tot de voorgestane natuurvriendelijke aanleg van de twee golfholes.

In hetgeen Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt hebben aangevoerd, ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ook met een vermindering van 175 parkeerplaatsen voor reguliere koersdagen nog een voldoende grote capaciteit aan parkeerplaatsen resteert. Dat het aantal plaatsen op zeer drukke koersdagen niet volstaat maakt dat niet anders. Dit betreft slechts enkele dagen per jaar. Niet is gebleken dat op die dagen niet een voor alle betrokkenen aanvaardbare oplossing kan worden getroffen. Naar ter zitting van de zijde van de gemeenteraad is gesteld kan daarbij worden gedacht aan het gebruikmaken van andere parkeerterreinen in de omgeving.

2.9.5. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het belang van Stichting Golf Duinzicht om de EGA-status te verkrijgen een zwaar gewicht toekomt. Zij acht de behoefte van deze golfclub daaraan voldoende aannemelijk gemaakt. Dat in de omgeving andere golfverenigingen actief zijn, zoals door appellanten is gesteld, maakt dat niet anders.

2.9.6. Gelet op al het voorgaande heeft verweerder zich in het kader van de afweging van belangen die hij heeft moeten maken, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de bij de golfsport betrokken belangen een zwaarder gewicht toekomt dan aan de door appellanten gestelde belangen.

2.9.7. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van Samenwerkingsverband Amonsvlakte is ongegrond. De beroepen van Wijkvereniging Benoordenhout alsmede Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt zijn op dit punt ongegrond.

De parkeerregeling voor Landgoed Clingendael

Het standpunt van Wijkvereniging Benoordenhout

2.10. Appellante stelt in beroep dat verweerder voor zover het betreft Landgoed Clingendael, ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de zinsnedes "en parkeervoorzieningen bij die andere bestemmingen" in artikel 13, lid 1.3, en artikel 15, lid 1.2, van de planvoorschriften, alsmede aan de zinsnede "- binnen een strook met een diepte van respectievelijk 20, 40 en 60 meter, aansluitend aan bouwvlakken voor eengezinswoningen, villa's en landhuizen, die in redelijkheid tot het normale gebruik van de tuin dan wel het erf kunnen worden gerekend" in artikel 13, lid 5.3, onder b, van de planvoorschriften.

2.10.1. Zij voert daartoe aan dat het parkeren van motorvoertuigen op plandelen met de bestemmingen "Natuurgebied -N-" en "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik -Nla-" in beginsel verboden zou moeten worden. Zij acht de voorschriften onvoldoende begrensd en strijdig met de rechtszekerheid aangezien de plaats waar het parkeren is toegelaten en het aantal motorvoertuigen niet concreet zijn aangegeven.

Het standpunt van verweerder

2.11. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de planvoorschriften in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de benodigde bescherming door de aanlegvergunningenstelsels kan worden geboden. Hij acht het onjuist indien het parkeren alleen zou worden geregeld door de aanduiding "parkeren toegestaan".

Vaststelling van de feiten

2.12. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.12.1. Voor zover van belang zijn aan de plandelen die zien op Landgoed Clingendael, de bestemmingen "Natuurgebied -N-" en "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik -Nla-" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 1.1, van de planvoorschriften zijn de als "Natuurgebied -N-" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud, herstel of versterking van de aan deze gronden eigen zijnde natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;

b. de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden en landschappelijke waarden, alsmede

c. extensieve dagrecreatie en verkeersvoorzieningen waaronder ontsluitingspaden, fiets-, voet- en ruiterpaden voor zover dit gebruik geen onevenredige afbreuk doet aan de bovengenoemde waarden;

d. agrarisch medegebruik in het kader van het beheer van de natuurgebieden, met de daarbij behorende bouwwerken, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Voor zover op de kaart binnen de bestemming tevens de aanduiding "parkeren toegestaan" is gegeven zijn de gronden ingevolge lid 1.2 mede bestemd voor parkeervoorzieningen en is daarbij artikel 52 (bestemming "Parkeerterrein -P-") van toepassing. Deze aanduiding is voor zover het betreft Landgoed Clingendael bij het bestemmingsvlak "Woondoeleinden II -WII-" voor de percelen Clingendael 6, 8, 9 en 10 op de plankaart aangegeven.

Voor zover op de kaart binnen de in lid 1.1 bedoelde bestemming tevens bouwvlakken met andere bestemmingen zijn gelegen, zijn de gronden ingevolge lid 1.3 mede bestemd voor voorzieningen, zoals erven en tuinen, ontsluitingspaden en parkeervoorzieningen bij die andere bestemmingen, met dien verstande dat voor het realiseren van bouwwerken en/of het uitvoeren van werkzaamheden artikel 13 van toepassing blijft.

Ingevolge lid 5.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) binnen de in het eerste lid bedoelde gronden onder meer de navolgende andere werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

a. het afgraven, bodemverlagen, ophogen, vergraven of egaliseren van gronden;

b. het aanleggen en/of verharden van ontsluitingswegen, fiets-, voet- en ruiterpaden;

c. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.

Ingevolge lid 5.3, onder b, is lid 5.1 niet van toepassing op het uitvoeren van werkzaamheden binnen op de kaart aangegeven bouwvlakken en binnen een strook met een diepte van respectievelijk 20, 40 en 60 meter, aansluitend aan bouwvlakken voor eengezinswoningen, villa's en landhuizen, die in redelijkheid tot het normale gebruik van de tuin dan wel het erf kunnen worden gerekend.

Ingevolge artikel 15, lid 1.1, van de planvoorschriften zijn de als "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik -Nla-" aangewezen gronden primair bestemd voor:

a. behoud, versterking en/of ontwikkeling van de aan de gronden eigen zijnde natuurwaarde;

b. behoud, versterking en/of herstel van de aan de gronden eigen zijnde landschapswaarde, bestaande uit openheid en het kavel-/slotenpatroon en de hoogteligging;

[…];

met daarbij behorende bouwwerken, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Voor zover op de kaart binnen de bestemming tevens andere bestemmingen zijn gelegen, zijn de gronden ingevolge lid 1.2 mede bestemd voor voorzieningen, zoals erven en tuinen, ontsluitingspaden en parkeervoorzieningen bij die andere bestemmingen.

Ingevolge lid 5.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) binnen de in het eerste lid bedoelde gronden, buiten de agrarische bouwsteden/bouwpercelen, onder meer de navolgende andere werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren:

a. het afgraven, bodemverlagen, ophogen, vergraven of egaliseren van gronden;

b. het aanleggen en/of verharden van paden ten dienste van de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf (buiten een agrarische bouwstede/bouwperceel);

c. het aanleggen en/of verharden van fiets-, voet- en ruiterpaden;

d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen.

2.12.2. Het beroep van appellante is op dit punt voornamelijk ingegeven door haar constatering dat bij druk bezochte dagen op Landgoed Clingendael veelvuldig geparkeerd wordt in de bermen langs de oprijlaan en op grasvelden nabij het landhuis en het theehuis.

Bij de op het landgoed aanwezige bebouwing zijn de reguliere parkeermogelijkheden zeer beperkt, aldus het deskundigenbericht.

Het oordeel van de Afdeling

2.13. Uit artikel 13, lid 1.1, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met lid 1.2, volgt dat parkeervoorzieningen op gronden met de bestemming "Natuurgebied -N-" zijn toegelaten voor zover daartoe de aanduiding "parkeren toegestaan" op de plankaart is vermeld. De Afdeling ziet geen aanleiding de in lid 1.1, onder c, vermelde verkeersvoorzieningen in dit geval zodanig ruim te lezen dat daaronder ook parkeervoorzieningen dienen te worden begrepen. Uit artikel 13, lid 1.3, van de planvoorschriften volgt voorts dat parkeervoorzieningen zijn toegelaten bij bouwvlakken met andere bestemmingen die zijn gelegen binnen de bestemming "Natuurgebied -N-". Nog daargelaten de omstandigheid dat de aanduiding "parkeren toegestaan" op de plankaart noch in de planvoorschriften nader is begrensd, staan de planvoorschriften er niet aan in de weg dat gronden met de bestemming "Natuurgebied -N-" grenzend aan die bouwvlakken worden gebruikt voor parkeergelegenheid zonder dat daarbij is voorzien in een nadere beperking. Dat voor het aanleggen van parkeervoorzieningen een aanlegvergunning is vereist en dat in dat kader een afweging van belangen zal plaatsvinden, maakt dit niet anders aangezien het gebruik als parkeergelegenheid ook kan plaatsvinden zonder de aanleg van daartoe strekkende voorzieningen. Daarbij komt dat ingevolge artikel 13, lid 5.3, onder b, van de planvoorschriften rondom eengezinswoningen, villa's en landhuizen voor werkzaamheden die tot het normale gebruik van de tuin of het erf kunnen worden gerekend, verhardingsstroken met dieptes van 20, 40 en 60 meter zonder aanlegvergunning kunnen worden aangelegd.

Wat betreft de plandelen met de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik -Nla-" heeft ook te gelden dat de voorschriften niet in de weg staan aan een gebruik van deze gronden als parkeergelegenheid voor zover binnen deze bestemming andere bestemmingen zijn gelegen. Ook deze mogelijkheid is niet begrensd.

Uit het bestreden besluit valt niet op te maken dat verweerder deze mogelijke verstrekkende gevolgen van de planregeling onder ogen heeft gezien. Hij heeft de aard en omvang van de mogelijke parkeerproblematiek en de gevolgen daarvan voor de natuurlijke en landschappelijke waarden van Landgoed Clingendael onvoldoende onderzocht. Daarbij is van belang dat appellante uitdrukkelijk heeft gesteld dat zich ter plaatse regelmatig parkeeroverlast voordoet.

2.13.1. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van Wijkvereniging Benoordenhout is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft de desbetreffende zinsnedes van de planvoorschriften wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd, een en ander voor zover deze zinsnedes zien op Landgoed Clingendael, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1.

De bouwmogelijkheden voor de ANWB

Het standpunt van Wijkvereniging Benoordenhout

2.14. Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Kantoordoeleinden -K-" en de aanduiding "II" voor het kantorencomplex van de ANWB aan de Wassenaarseweg 220.

2.14.1. Zij voert hiertoe aan dat met het plan een te grote uitbreiding van de bestaande kantoorbebouwing mogelijk wordt gemaakt waardoor de massaliteit verder zal toenemen, een grote inbreuk zal worden gemaakt op de openheid ter plaatse en het zicht op en vanaf Landgoed Clingendael verder zal worden aangetast. De uitbreidingsmogelijkheden in het vorige bestemmingsplan zijn volgens haar onvoldoende aanleiding voor de in het plan neergelegde bebouwingsmogelijkheden. Ook wijst appellante erop dat niet aannemelijk is dat de uitbreiding nodig is, nu gedeeltes van de gebouwen aan derden zijn verhuurd en de omvang van het personeelsbestand van de ANWB zal worden teruggebracht.

Het standpunt van verweerder

2.15. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij wijst erop dat de bebouwingsmogelijkheden in overeenstemming zijn met het provinciale beleid. Hij heeft voorts van belang geacht de ligging van de kantoorgebouwen aan de stedelijke bebouwingsrand van Den Haag en de beperking van de uitbreidingsmogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Hij heeft voorts rekening gehouden met het belang van de ANWB enige uitbreidingsmogelijkheden te behouden.

Vaststelling van de feiten

2.16. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.16.1. De ANWB is sinds 1959 gevestigd op het perceel op de hoek van de Van Alkemadelaan/Wassenaarseweg. Het perceel heeft een oppervlakte van 37.514 m². Het bebouwde grondoppervlak van het kantorencomplex is 10.605 m². Deze bebouwing is in de loop van de jaren opgericht.

2.16.2. Aan het plandeel is de bestemming "Kantoordoeleinden -K-" met de aanduiding "II" toegekend. Op de plankaart zijn voor het perceel verschillende bouwvlakken ingetekend waarbij voor een deel daarvan een maximale bouwhoogte is aangegeven. Aan één bouwvlak is tevens de aanduiding "(x) kn" (bouwmogelijkheid kantoordoeleinden nieuw onder voorwaarden) toegekend.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor kantoren met de daarbij behorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, paden, watergangen en groenvoorzieningen, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Ingevolge lid 2.1 wordt voor de bestemming uitgegaan van de bestaande situatie, waarbij binnen het bestemmingsvlak met de aanduiding "II" een kantoor is gevestigd waarbij binnen bedoeld bouwvlak naast de kantoorfunctie is toegestaan:

- dienstverlening met een publieksgericht karakter (met baliefunctie) en detailhandel direct verband houdend met de vestiging, samen tot een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 1.200 m²;

- bedrijfsvoorzieningen gericht op voertuigkeuringen, onderhoud van bedrijfsvoertuigen en bedrijfsopleidingen tot een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 500 m².

Ingevolge lid 2.3 is uitsluitend binnen het bestemmingsvlak met de aanduiding "II" de bouw van een geheel of gedeeltelijk onder peil gelegen gebouwde parkeervoorziening (parkeerkelder) toegestaan.

Ingevolge lid 3.1 mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in het eerste lid genoemde bestemming worden gebouwd, waarbij:

a. de gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken, waarbij de bouwvlakken geheel mogen worden bebouwd;

b. van de gebouwen de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan de goot- en bouwhoogte als aanwezig op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan, tenzij op de kaart anders is aangegeven;

c. binnen het bouwvlak met de aanduiding "kn" de bebouwing maximaal 1.000 m² mag bedragen;

[…].

2.16.3. In het voormalige bestemmingsplan "Landelijk Gebied" uit 1975 was aan het perceel waarop de ANWB is gevestigd, de bestemming "A.N.W.B.-gebouw" toegekend. Op de aldus bestemde gronden mochten uitsluitend worden gebouwd kantoorgebouwen ten behoeve van de A.N.W.B. met daarbij behorende bijgebouwen en andere bouwwerken met dien verstande, dat:

a. van de gronden maximaal 40% mocht worden bebouwd;

b. de goothoogte van de A.N.W.B.-gebouwen maximaal 30 meter mocht bedragen;

[…].

2.16.4. In het ontwerp voor het thans voorliggende bestemmingsplan was de bestaande bebouwing op maat bestemd. Naar aanleiding van een door de ANWB ingebrachte zienswijze zijn alsnog uitbreidingsmogelijkheden in het plan opgenomen.

2.16.5. De ANWB is voornemens op twee plaatsen op het perceel uitbreidingen van het kantorencomplex te plegen.

De eerste uitbreiding ziet op de noordoostzijde van het perceel. Tussen de gebouwen E en F is de mogelijkheid geboden de maximale hoogte van de bestaande gebouwen te verhogen tot 30 meter. Daarbij wordt de bebouwingscontour, welke zich bevindt boven de entree van de daar aanwezige half verdiepte parkeergarage, ongeveer vijf meter verruimd in de richting van Landgoed Clingendael.

De tweede uitbreiding is voorzien op het huidige parkeerterrein aan de voorzijde van het kantorencomplex. De ANWB is voornemens hier een parkeergarage te bouwen waarboven een rond paviljoen wordt geplaatst met een hoogte van vijftien meter en een oppervlakte van 1.000 m².

Het oordeel van de Afdeling

2.17. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting moet het ervoor worden gehouden dat de uitbreidingsmogelijkheden op verzoek van de ANWB bij de vaststelling van het plan alsnog daarin zijn opgenomen. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de aanleiding voor de in het plan ten opzichte van het ontwerp neergelegde ruimere uitbreidingsmogelijkheden moet worden gevonden in een voorgestane verruiming van de kantoormogelijkheden ter plaatse in het algemeen, zoals ter zitting door de gemeenteraad is betoogd.

Verweerder heeft aan de belangen van de ANWB een zwaarder gewicht toegekend dan aan de door appellante aangevoerde landschappelijke belangen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de noodzaak voor de ANWB om binnen de planperiode over de uitbreidingsmogelijkheden te beschikken naar het oordeel van de Afdeling evenwel onvoldoende komen vast te staan. Daarbij is van betekenis dat recentelijk een oppervlakte van 7.000 m² kantoorruimte binnen het gebouwencomplex voor vijf jaar is verhuurd aan een derde partij. Voorts heeft de ANWB haar standpunt dat de uitbreiding op termijn nodig zou zijn vanwege concentratie van diensten op het kantorencomplex en autonome groei van het ledenbestand onvoldoende aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij in het kader van de door hem te maken belangenafweging heeft kunnen instemmen met de uitbreidingsmogelijkheden voor de ANWB.

2.17.1. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van Wijkvereniging Benoordenhout is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Aanvullende functies bij Duindigt

Het standpunt van Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt

2.18. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Sport hippisch -Sh-" voor Duindigt.

2.18.1. Zij voeren daartoe aan dat de planregeling onvoldoende mogelijkheden biedt voor een gezonde exploitatie van Duindigt aangezien geen ruimte wordt geboden voor aanvullende functies zoals zelfstandige horeca, faciliteiten voor kansspelen en evenementen.

Het standpunt van verweerder

2.19. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij stemt in met de afweging die de gemeenteraad heeft gemaakt tussen de belangen van Stichting Beheer Duindigt en de landschappelijke waarden van het gebied.

Aan de zin "Het gebruik van bouwwerken voor zelfstandige horeca-activiteiten is niet toegestaan." in artikel 43, lid 2.4, van de planvoorschriften heeft verweerder goedkeuring onthouden. Hij acht deze zin niet relevant om ongewenste ontwikkelingen te voorkomen.

Vaststelling van de feiten

2.20. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.20.1. Duindigt is gelegen aan de Waalsdorperlaan. Verspreid over het terrein bevinden zich een stallencomplex, twee tribunegebouwen en enkele bedrijfsgebouwen. Voorts zijn op het terrein naast de renbaan parkeerterreinen en paddocks aanwezig.

2.20.2. Aan de gronden is de bestemming "Sport, hippisch -Sh-" toegekend. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor de paardensport met de daarbij behorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, toegangswegen, watergangen, paddocks en groenvoorzieningen, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Ingevolge lid 2.4 is binnen de bestemming functiegebonden horeca toegestaan. Aan de zin "Het gebruik van bouwwerken voor zelfstandige horeca-activiteiten is niet toegestaan." in dit voorschrift heeft verweerder goedkeuring onthouden.

Als algemeen uitgangspunt is in artikel 1, lid 2.2, van de planvoorschriften vermeld dat het beleid voor het landelijke gebied zeer nadrukkelijk is gericht op het beschermen en versterken van de aanwezige landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden/kwaliteiten. Het oprichten van bouwwerken, het uitvoeren van andere werken of werkzaamheden dan wel het realiseren van veranderingen die een onevenredige aantasting van genoemde waarden/kwaliteiten met zich brengen dienen dan ook te worden vermeden.

2.20.3. Volgens het deskundigenbericht is de exploitatie van Duindigt kritisch te noemen, zij het dat een stijgende lijn te constateren is. In 2004 is een verlies geleden van ruim € 60.000,00, in 2005 is een winst geboekt van € 15.000,00 en in 2006 is tot september een winst geboekt van € 32.000,00. De opbrengsten van Duindigt zijn voor ongeveer een kwart toe te rekenen aan de op de baan verreden koersen. De overige inkomsten zijn afkomstig uit onder meer de verhuur van het restaurant en de stallen, huurbetalingen van de poloclub en de verkoop van onder meer tuigen, hooi en stro. De overige inkomsten worden gegenereerd door sponsoring en exploitatiebijdragen. Het voortbestaan van de renbaan is volgens het deskundigenbericht voornamelijk afhankelijk van inkomsten uit andere bronnen dan uit de koersen zelf.

Het oordeel van de Afdeling

2.21. Dat het behoud van de renbaan van belang is voor de regio is tussen partijen niet in geschil. Evenmin is in geschil dat de bestaande activiteiten in het plan dienovereenkomstig zijn bestemd en dat deze volgens het plan functiegebonden dienen te zijn. Appellanten hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat het uit een oogpunt van een gezonde bedrijfsexploitatie gewenst is over de mogelijkheid tot het aanbieden van extra, niet-functiegebonden faciliteiten te beschikken. Niet gebleken is evenwel dat de exploitatie van de renbaan met de regeling die in het plan is neergelegd, op termijn zal leiden tot een beëindiging van de activiteiten ter plaatse. De gemeenteraad heeft in het belang van de natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied aanleiding gezien de gebruiksmogelijkheden te beperken tot de paardensport. Daarbij heeft hij van belang geacht dat appellanten (nog) geen op de waarden van het gebied afgestemd plan hadden ingediend. Niet kan worden geoordeeld dat verweerder in het verlengde hiervan niet in redelijkheid aan de natuurlijke en landschappelijke waarden een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan de belangen van Duindigt. Daarbij heeft hij met de gemeenteraad als uitgangspunt kunnen nemen dat het gebied en de ontsluitingsroute minder geschikt zijn voor veel grootschalige evenementen met veel bezoekers. Ook is van belang dat zich in het gebied verscheidene woningen bevinden ter hoogte waarvan zich in geval van een verdere toename van het aantal grootschalige evenementen hindersituaties kunnen voordoen. Hoewel verder niet is uitgesloten dat kleinschalige evenementen ter plaatse inpasbaar kunnen zijn, heeft verweerder, mede gelet op het feit dat een op de waarden van het gebied afgestemd plan ontbreekt, ook in deze mogelijkheid geen aanleiding behoeven te zien voor een ruimere planregeling. Daarbij is van belang dat gebleken is dat ook binnen de huidige functiegebonden regeling nog aanvullende gebruiksmogelijkheden liggen.

2.21.1. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen.

Het beroep van Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt is op dit punt ongegrond.

De afrit van de NORAH ter hoogte van het Groenendaal

Het standpunt van [appellant sub 4]

2.22. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden II -VII-" tussen het Groenendaal en de Landscheidingsweg ten behoeve van de afrit van de Noordelijke Randweg Haagse Regio (hierna: NORAH).

2.22.1. Ten onrechte ontbreekt een onderzoek naar de gevolgen voor luchtkwaliteit, aldus appellant.

Voorts is volgens hem niet voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2001, no. 199903488/1, en de uitspraak van 10 oktober 2005 in zaak nr. Awb 04/5113 van de rechtbank 's-Gravenhage. De aansluiting van het Groenendaal op de NORAH zal leiden tot verkeersonveilige situaties omdat paarden, ruiters en gemotoriseerd verkeer tezamen gebruik zullen maken van het Groenendaal, aldus appellant.

Het standpunt van verweerder

2.23. Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Volgens hem is in de artikel 19-procedure een afgewogen besluit genomen met betrekking tot de aansluiting en is met het inpassen van een ruiterpad en het uitvoeren van verkeersremmende maatregelen de verkeersveiligheid gegarandeerd. De precieze invulling van de bestemming betreft een kwestie van uitvoering, aldus verweerder, en uit de beantwoording van de zienswijzen door het college blijkt voldoende dat het ruiterpad ook daadwerkelijk zal worden aangelegd.

Vaststelling van de feiten

2.24. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.24.1. Aan de gronden gelegen in het verlengde van het Groenendaal voorziet het plan in een aansluiting op de noordelijk daarvan gelegen Landscheidingsweg. De desbetreffende gronden hebben daartoe de bestemming "Verkeersdoeleinden II -VII-" gekregen. Het Groenendaal heeft thans een ontsluitingsfunctie voor de paardenhouderij van onder meer appellant en het woonverkeer van de woningen aan de Buurtweg en de Waalsdorperlaan. Het Groenendaal wordt veel gebruikt door ruiters. Volgens het deskundigenbericht ontstaan regelmatig conflictsituaties tussen ruiters en automobilisten. Het Groenendaal heeft een breedte variërend van vier tot vijf meter, heeft onverharde bermen en aan weerszijden hoogopgaand groen.

2.24.2. In haar uitspraak van 27 maart 2001, no. 199903488/1, inzake goedkeuring van het bestemmingsplan "Noordelijke Randweg Haagse Regio, gedeelte Wassenaar", heeft de Afdeling ten aanzien van het Groenendaal het volgende overwogen:

"Niet in geschil is dat het gebruik van deze weg door zowel ruiter- als autoverkeer een verkeersonveilige situatie oplevert. Nu door de in het plan voorziene doortrekking en aansluiting van deze weg op de NORAH het autoverkeer ter plaatse zal toenemen, is aannemelijk dat de verkeersonveiligheid eveneens verder zal toenemen. Voor zover verweerders menen dat een oplossing hiervoor uitsluitend de uitvoering van het plan betreft, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat het plan mogelijkheden biedt voor een wijze van uitvoering waarbij het ruiterverkeer op andere wijze zal kunnen plaatsvinden.

Ter zitting is van de zijde van verweerders een kaartje getoond waarop een mogelijke ontsluiting aan de achterkant van de bebouwing aan het Groenendaal is ingetekend.

Niet is komen vast te staan dat deze wijze van ontsluiting mogelijk en afdoende is en in hoeverre hiervoor een herziening van het voor deze achterzijde geldende bestemmingsplan noodzakelijk is.

Door niettegenstaande deze onduidelijkheden goedkeuring te verlenen aan het plandeel dat voorziet in doortrekking en aansluiting van het Groenendaal op de NORAH hebben verweerders gehandeld in strijd met artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht, dat vereist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen. Het beroep is in zoverre gegrond in verband waarmee het besluit op dit punt dient te worden vernietigd.".

2.24.3. Bij besluit van 7 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders aan verweerder met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling verleend voor de aanleg van de aansluiting van het Groenendaal op de Landscheidingsweg. Bij uitspraak van 10 oktober 2005 in zaak nr. Awb 04/5113 heeft de rechtbank 's-Gravenhage overwogen dat uit de uitspraak van de Afdeling blijkt dat de aansluiting van het Groenendaal op de NORAH slechts ruimtelijk aanvaardbaar kan zijn, indien afdoende maatregelen worden getroffen om de verkeersveiligheid op het gehele Groenendaal te waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de thans voorgestane maatregelen, te weten het instellen van een 30-kilometer zone en het aanleggen van verkeersdrempels, onvoldoende. Voorts bleek volgens de rechtbank uit het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2004" noch uit enig beleidsstuk de intentie om een ruiterpad aan te leggen aan de zuidelijke kant van het Groenendaal. Gelet hierop heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar inzake het vrijstellingsbesluit vernietigd en het vrijstellingsbesluit zelf geschorst.

2.24.4. In opdracht van het gemeentebestuur heeft Goudappel Coffeng Adviseurs een verkeersonderzoek verricht. Daarbij is uitgegaan van verkeerstellingen van eind 2005. In de notitie "Verkeersonderzoek Duindigt" (hierna: het verkeersonderzoek) van 28 augustus 2006 wordt onder meer geconcludeerd dat gezien de beperkte intensiteiten op het onderliggende wegennet het niet direct nodig is om een aansluiting in het verlengde van het Groenendaal te realiseren. Voorts wordt gesteld dat, als de aansluiting wordt gerealiseerd de verkeersdruk zal toenemen, maar dat het mogelijk is om het Groenendaal op een duurzaam veilige wijze in te richten. Hiertoe wordt als inrichtingsmaatregelen onder meer voorgesteld om naast de aanleg van een ruiterpad in de bocht van het Groenendaal en het Theo Mann Bouwmeesterpad op het gedeelte van het Groenendaal tussen de ingang van de manege en de Buurtweg een tegengestelde fiets-/ruiterstrook aan te leggen.

Het oordeel van de Afdeling

2.25. Ter zitting is door de gemeenteraad gesteld dat een luchtkwaliteitsonderzoek is uitgevoerd en dat de resultaten daarvan na de hoorzitting bij verweerder aan verweerder zijn toegestuurd. Onweersproken is dat deze resultaten niet aan appellant zijn toegestuurd. In het dossier is het onderzoek evenmin aangetroffen, zodat er van moet worden uitgegaan dat appellant en de Afdeling evenmin de beschikking heeft gehad over dit onderzoek. Bovendien is verweerder in het bestreden besluit noch in het verweerschrift op dit onderzoek ingegaan. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat verweerder bij het nemen van zijn besluit met dit luchtkwaliteitsonderzoek geen rekening heeft gehouden.

2.25.1. Wat betreft de verkeersveiligheid op het Groenendaal staat voorop dat verweerder met de gemeenteraad voor de ruimtelijke onderbouwing van de aansluiting uitsluitend heeft verwezen naar de motivering die ten grondslag is gelegd aan het vrijstellingsbesluit, terwijl de rechtbank over die motivering heeft geoordeeld dat in zoverre geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Na het bestreden besluit is echter het verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng Adviseurs uitgebracht, dat in dit geval kan worden aangemerkt als een nadere motivering van het standpunt dat het Groenendaal toch duurzaam veilig kan worden ingericht. Deze nadere motivering is echter onvoldoende om het bestreden besluit in zoverre te kunnen dragen. In het verkeersonderzoek wordt immers geconcludeerd dat de aansluiting op de NORAH niet direct noodzakelijk is, terwijl verweerder met de gemeenteraad onverkort van de noodzaak is uitgegaan. Daarmee heeft verweerder miskend dat de vraag naar het gewenste niveau van veiligheid op het Groenendaal en de in dat verband te maken belangenafweging mede verband houdt met de noodzaak van de aansluiting. Daar komt bij dat als inrichtingsmaatregel onder meer wordt voorgesteld een tegengestelde fiets-/ruiterstrook aan te leggen op het gedeelte van het Groenendaal tussen de ingang van de manege en de Buurtweg. Volgens het verkeersonderzoek is hiervoor een minimale ruimte van vijf meter vereist, terwijl het Groenendaal op bepaalde gedeelten smaller is dan vijf meter. Niet is gebleken dat verweerder dit heeft onderkend.

2.25.2. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 4] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd.

Het paardenbeleid

Het standpunt van [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 12]

2.26. Appellanten stellen in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 19, lid 2.1, van de planvoorschriften voor zover het betreft de zin "Het trainen en africhten van paarden valt niet onder het toegestane gebruik.". Zij stellen voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 13, lid 4.2, onder b, artikel 15, lid 4.2, onder g, artikel 16, lid 4.2, onder f, en artikel 17, lid 4.2, onder h van de planvoorschriften, waarin is bepaald dat het gebruik van de weidegebieden als uitloop/weidegebied voor paarden is verboden.

2.26.1. Zij voeren daartoe aan dat aan deze voorschriften onredelijke beleidsuitgangspunten ten grondslag hebben gelegen. Het is volgens hen niet nodig paardenactiviteiten bij paardenfokkerijen te beperken, omdat het weiden van paarden geen grotere nadelige gevolgen heeft dan het weiden van runderen. Voorts wordt er ten onrechte van uit gegaan dat paardenfokkerijen niet-grondgebonden zijn, aldus appellanten. Volgens hen wordt daarmee miskend dat de paarden bij een paardenfokkerij moeten kunnen uitlopen, worden geweid en worden getraind. Het strikte onderscheid tussen productiegerichte en gebruiksgerichte paardenactiviteiten achten zij dan ook kunstmatig. Zij verwijzen in dat verband onder meer naar de brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Handreiking voor de praktijk".

Het standpunt van verweerder

2.27. Verweerder heeft geen aanleiding gezien deze planonderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft ze goedgekeurd. Hij stemt in met het gemeentelijke beleid ten aanzien van paardenactiviteiten. Met name acht hij van belang dat een uitbreiding van paardenfokkerijen naar meer manege- en stallingsachtige activiteiten moet worden voorkomen.

Vaststelling van de feiten

2.28. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.28.1. Bij besluit van 27 november 2000 heeft de gemeenteraad de "Hoofdlijnen bestemmingsregeling paardenactiviteiten in de herziening van het bestemmingsplan Landelijk Gebied" (hierna: de Hoofdlijnen) vastgesteld. In de Hoofdlijnen wordt vastgesteld dat het houden van paarden veelal gepaard gaat met negatieve ontwikkelingen, zoals geluid, geur, lichtmasten, het vertrappen van weidegronden, het verstoren van vogels en het verschijnen van allerlei hekwerken. Voorts spelen bereikbaarheid, parkeren en uitrijmogelijkheden en het daarmee gepaard gaande gebruik van wegen, fietspaden, trottoirs en bermen volgens de Hoofdlijnen een nadrukkelijke rol. Deze negatieve ontwikkelingen uiten zich zowel bij agrarische (fokkerijen) als recreatieve vormen van paardenhouderij, aldus de Hoofdlijnen.

Het uitgangspunt van behoud van weidegebieden noopt volgens de Hoofdlijnen tot een voor agrarische paardenactiviteiten specifieke bestemmingsregeling. Onder paardenfokkerijen wordt volgens de Hoofdlijnen verstaan het voortbrengen van het product "paard" en niet training en africhting. Voor gevestigde paardenfokkerijen ligt daarom een niet-grondgebonden, op het fokken van paarden toegesneden, beperkte agrarische bestemming voor de hand. Onder het begrip 'niet-grondgebonden' wordt volgens de Hoofdlijnen verstaan dat het gebruik zich hoofdzakelijk beperkt tot de bebouwing, in combinatie met een beperkte uitloop, van voldoende omvang.

Maneges en (pension)stalgebouwen zijn volgens de Hoofdlijnen recreatieve functies die als zodanig moeten worden bestemd.

De Hoofdlijnen hebben ten grondslag gelegen aan het bestemmingsplan en de essentie daarvan is in de plantoelichting overgenomen. In de plantoelichting is tevens vermeld dat uitgangspunt van het Wassenaarse planologische beleid voor het buitengebied is het behoud van de weidegebieden voor de uitoefening van het grondgebonden agrarische bedrijf en voor het behoud en herstel van landschappelijke, natuurlijke en culturele waarden. Bij grondgebonden agrarisch bedrijf moet dan met name worden gedacht aan het traditionele gebruik van de agrarische gronden (weidegebieden) voor het weiden van rundvee, met alles wat daarmee samenhangt. Dat betekent dat agrarische paardenactiviteiten, die zich in de loop der jaren in het Wassenaarse buitengebied hebben ontwikkeld, niet de voorkeur hebben, aldus de plantoelichting.

2.28.2. Aan de paardenfokkerijen in het plangebied is de specifieke bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" toegekend.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor paardenfokkerijen met de daarbij behorende bouwwerken, parkeervoorzieningen toegangswegen en -paden, paddocks uitsluitend ter plaatse van de op de kaart gegeven gelijknamige aanduiding, watergangen en groenvoorzieningen, een en ander met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid.

Artikel 19, lid 2.1, van de planvoorschriften, luidt: "De bestemming is uitsluitend opgenomen voor het fokken van paarden. Het trainen en africhten van paarden valt niet onder het toegestane gebruik. In het kader van dit plan wordt een paardenfokkerij niet onder het begrip agrarisch bedrijf begrepen en is gekozen voor een specifieke bestemmingsregeling, waarbinnen voldoende ruimte is voor een uitloopgebied voor de paarden, geconcentreerd nabij het bouwvlak, mede ter bescherming van de natuur en landschapswaarden van de directe omgeving. Agrarisch medegebruik, in de zin van het weiden en stallen van ander vee dan paarden, zoals rundvee, schapen en vergelijkbare veesoorten, is binnen de bestemming toegestaan.".

2.28.3. Ingevolge artikel 13, lid 4.2, onder b, artikel 15, lid 4.2, onder g, artikel 16, lid 4.2, onder f, en artikel 17, lid 4.2, onder h, van de planvoorschriften is gebruik van weidegebieden als uitloop/weidegebied voor paarden verboden.

2.28.4. In de brochure "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Handreiking voor de praktijk" van de VNG uit 2006 is onder meer vermeld dat de paardenhouderij een grote diversiteit aan verschijningsvormen kent en het veelal bedrijven betreft waar al dan niet in overwegende mate niet-agrarische activiteiten worden ondernomen en dat het geven van instructies dient te worden aangemerkt als inherent aan ieder type, niet-agrarische, paardenhouderij. Geadviseerd wordt om voor bedrijven waar al dan niet in overwegende mate niet-agrarische activiteiten worden ondernomen de bestemming "Paardenhouderij" op te nemen. Een productiegerichte paardenhouderij wordt in de brochure gedefinieerd als een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden.

Het oordeel van de Afdeling

2.29. Verweerder heeft zich, mede gelet op de brochure "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Handreiking voor de praktijk" van de VNG, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimtelijke uitstraling van paardenfokkerijen verschilt van die van traditionele agrarische bedrijven, zoals rundveehouderijen, zodat hij het opnemen van een specifieke regeling voor paardenfokkerijen in beginsel redelijk heeft kunnen achten.

In het bestreden besluit is verweerder echter niet ingegaan op de vraag of het specifieke verbod weilanden te gebruiken als uitloop- of weidegebied voor paarden kan worden aanvaard. Ter zitting is door hem toegelicht dat hij het beleid van de gemeenteraad met betrekking tot de paardenactiviteiten niet indringend heeft beoordeeld maar dit marginaal toetsend ten volle heeft aanvaard als een deugdelijk middel om verrommeling door paddocks en maneges tegen te gaan. De Afdeling is echter van oordeel dat het verbod weilanden te gebruiken als uitloopgebied voor paarden met het door verweerder genoemde doel verrommeling tegen te gaan geen verband houdt.

Ter zitting is door de gemeenteraad benadrukt dat het beleid is gericht op het stimuleren van grootschalige rundveehouderijen en dat het verbod weilanden te gebruiken voor de uitloop van paarden vooral is opgenomen om te voorkomen dat bij beëindiging van een rundveebedrijf het gebruik van de voormalig agrarische gronden wordt gewijzigd naar paardenactiviteiten. Door de gemeenteraad is echter noch in de Hoofdlijnen noch in de plantoelichting aannemelijk gemaakt dat de negatieve gevolgen van het gebruik van weilanden door paarden groter zijn dan die van het gebruik van weilanden door runderen. Evenmin heeft de gemeenteraad aannemelijk gemaakt dat het verbod weilanden te gebruiken voor de uitloop en het weiden van paarden kan bijdragen aan het voorkomen van versnippering van het buitengebied en aan het stimuleren en vergroten van rundveehouderijen. Uit het vorenstaande volgt dat noch door verweerder noch door de gemeenteraad deugdelijk is gemotiveerd dat het verbod weilanden te gebruiken als uitloop- of weidegebied voor paarden ruimtelijk relevant is en geschikt is om het beoogde doel te bereiken.

2.29.1. De Afdeling acht het beleid om uitbreiding van manege- en stallingsachtige activiteiten in het plangebied te voorkomen niet onredelijk. Uit de brochure "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Handreiking voor de praktijk" van de VNG en andere door appellanten overgelegde stukken blijkt echter dat het geven van instructies en het trainen en africhten van paarden dient te worden aangemerkt als inherent aan paardenfokkerijen. Dit is ter zitting niet weersproken. Voorts is in dit verband ter zitting door de gemeenteraad gesteld dat niet is onderzocht in hoeverre het reëel is dat paardenfokkerijen hun paarden en veulens elders africhten en trainen. Uit het vorenstaande volgt dat noch door verweerder noch door de gemeenteraad deugdelijk is gemotiveerd dat het redelijk is het trainen en africhten van paarden op gronden met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" geheel uit te sluiten.

2.29.2. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van [appellant sub 5], [appellant sub 8] en [appellante sub 12] zijn in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb in zoverre dient te worden vernietigd.

Het perceel [locatie 1]

Het standpunt van verweerder

2.30. Verweerder heeft de plandelen aan de [locatie 1] met de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" en de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden -Aln-" in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft daaraan goedkeuring onthouden. De daadwerkelijke activiteiten ter plaatse komen volgens hem niet overeen met de gelegde bestemming. Volgens hem zou een bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" een acceptabele bestemming zijn.

Het standpunt van [appellant sub 5]

2.31. Appellant stelt voorts in beroep dat verweerder aan de onthouding van goedkeuring van de plandelen ten onrechte heeft toegevoegd dat een bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" een acceptabele bestemming zou zijn. Ook onder de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" kan hij het gebruik dat hij van zijn gronden maakt niet voortzetten, aldus appellant. Ook is volgens hem geen rekening gehouden met zijn bouwplannen.

Vaststelling van de feiten

2.32. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.32.1. [appellant sub 5] exploiteert op zijn gronden aan de [locatie 1] een paardenfokkerij. Op het perceel bevinden zich onder meer een boerderijgebouw, bestaande uit twee woningen en een stalgedeelte met 18 paardenboxen, een schapenschuur, een ander stalgebouw met paardenboxen, een paddock met longeerbak en enkele vervallen schuren. De paarden worden geweid op de weidegronden met een oppervlakte van ongeveer tien hectare direct ten zuiden van het bouwperceel. De activiteiten van appellant bestaan uit het fokken, stallen en trainen van paarden.

2.32.2. Appellant heeft plannen om enkele schuren met een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 270 m2 te verwijderen en te vervangen door een nieuw stalgebouw met 32 paardenboxen en een oppervlakte van 486 m2.

Het oordeel van de Afdeling

2.33. Door de onthouding van goedkeuring aan de plandelen waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellant zijn gericht, is in zoverre aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.

2.33.1. Gelet op de activiteiten van het bedrijf van appellant, die mede bestaan uit het stallen en trainen van paarden, en gelet op hetgeen de Afdeling heeft overwogen in 2.29.1., heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" als een acceptabele bestemming kan worden aangemerkt. Het trainen en africhten van paarden valt immers niet onder het toegestane gebruik. Ook is onduidelijk in hoeverre op gronden met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" paarden mogen worden gestald, nu in artikel 19, lid 2.1, van de planvoorschriften is bepaald dat de bestemming uitsluitend is opgenomen voor het fokken van paarden. Nu verweerder met de onthouding van goedkeuring juist heeft beoogd mogelijk te maken dat de daadwerkelijke activiteiten van appellant als zodanig in het plan worden bestemd, heeft hij deze motivering niet in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluit.

2.33.2. De vraag of de bouwplannen van appellant in het bestemmingsplan moeten worden opgenomen, kan ten volle aan de orde komen bij het plan dat de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO zal moeten opstellen. Hetzelfde geldt voor de vraag hoeveel uitloopmogelijkheden moeten worden opgenomen. Het is in eerste instantie aan de gemeenteraad en niet aan verweerder om daarover een standpunt in te nemen. Voor het oordeel dat verweerder deze aspecten bij zijn onthouding van goedkeuring mede had moeten betrekken, bestaat dan ook geen aanleiding.

2.33.3. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 5] is ook op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb in zoverre dient te worden vernietigd.

2.33.4. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" en de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden -Aln-" aan de [locatie 1].

De paardenfokkerij aan de [locatie 2]

Het standpunt van [appellant sub 8]

2.34. Appellant stelt in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" voor zijn gronden aan de [locatie 2].

2.34.1. Hij voert daartoe aan dat het bestaande gebruik dat hij van zijn gronden maakt ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht. Voorts zijn de bestaande oude paardenstal en de lichtmasten op het perceel volgens hem ten onrechte niet in het plan opgenomen.

Het standpunt van verweerder

2.35. Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.36. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.36.1. Aan de paardenfokkerij van [appellant sub 8] is de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" toegekend. Voor een beschrijving van de relevante voorschriften wordt verwezen naar overweging 2.28.2..

2.36.2. Op de gronden van appellant met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" bevinden zich stalgebouwen met dertien stallen, waarvan er ongeveer acht worden gebruikt voor het houden van fokpaarden en ongeveer vijf voor de stalling van paarden van derden. Naast het fokken van paarden traint appellant ook paarden, waaronder paarden van derden. Voorts bevindt zich op het perceel een oude stal. Op het plandeel is een bouwvlak ingetekend met een omvang van 43 meter bij 6 meter. De uitloop van de paarden vindt plaats in een paddock met lichtmasten en op de weidegronden, die ten noorden en ten zuiden van de paddock zijn gelegen.

2.36.3. Ingevolge artikel 19, lid 2.2, van de planvoorschriften wordt geen medewerking verleend aan de plaatsing van lichtmasten. Bij brief van 29 november 2004 is door het gemeentebestuur aan appellant meegedeeld dat de lichtmasten al gedurende lange tijd aanwezig zijn en dat daartegen niet zal worden opgetreden.

2.36.4. Ingevolge artikel 59, lid 2.1, van de planvoorschriften mag het op het tijdstip van het verkrijgen van rechtskracht van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

Het oordeel van de Afdeling.

2.37. In overweging 2.29.1. en 2.29.2. is reeds geoordeeld dat noch door verweerder noch door de gemeenteraad deugdelijk is gemotiveerd dat het redelijk is het trainen en africhten van paarden binnen de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" geheel uit te sluiten en dat de goedkeuring van de zin "Het trainen en africhten van paarden valt niet onder het toegestane gebruik." in artikel 19, lid 2.1, van de planvoorschriften moet worden vernietigd.

In dit geval komt daar nog bij dat niet in geding is dat het bestaande legale gebruik van de gronden voor het stallen en africhten van paarden, zowel van appellant zelf als van derden, onder het overgangsrecht van artikel 59, lid 2.1, van de planvoorschriften is gebracht.

Indien bestaand gebruik van in het plan begrepen gronden door de gemeenteraad wordt beschouwd als strijdig met een goede ruimtelijke ordening, kan dat gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht. Dit betekent dat het desbetreffende gebruik van de gronden, hoewel dit niet wordt gezien als het meest wenselijke gebruik, gedurende de planperiode nog wel is toegestaan. Het streven is gericht op beëindiging van dit gebruik en realisatie van de bestemming die aan de gronden is toegekend overeenkomstig de bij die bestemming behorende voorschriften. Met het overgangsrecht wordt derhalve beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen totdat de gewenste bestemming met inachtneming van genoemde voorschriften wordt verwezenlijkt. Het overgangsrecht is niet bedoeld voor gebruik waarvan aannemelijk is dat het niet binnen de planperiode zal worden beëindigd. Vast staat dat het gebruik door appellant binnen de planperiode niet zal worden beëindigd en volgens de gemeenteraad ook niet behoeft te worden beëindigd.

2.37.1. Ter zitting heeft de gemeenteraad zich voorts op het standpunt gesteld dat de oude stal een legaal bouwwerk betreft en dat deze ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht.

2.37.2. Ten slotte zijn de bestaande lichtmasten niet als zodanig in het plan bestemd, terwijl door het gemeentebestuur is aangegeven dat daartegen niet handhavend zal worden opgetreden. Niet is gebleken in hoeverre de gemeenteraad hiermee bij de vaststelling van dit plandeel rekening heeft gehouden. In het kader van de het bestemmingsplan dat de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO moet vaststellen, zal hij hierop alsnog in moeten gaan.

2.37.3. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO, in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd

2.37.4. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" aan de [locatie 2].

Het koetshuis bij [locatie 3]/[locatie 4]

Het standpunt van [appellant sub 8]

2.38. Appellant stelt voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden II -WII-" aan de [locatie 3]/[locatie 4], voor zover het zogenoemde koetshuis is gelegen buiten het bouwvlak.

2.38.1. Dit koetshuis is volgens hem ten onrechte aangemerkt als bijgebouw. Het koetshuis is al jaren in gebruik als bijkeuken met slaapkamers, zonder dat daartegen handhavend is opgetreden, aldus appellant.

Voorts acht appellant onduidelijk of uit artikel 59, lid 2.3, van de planvoorschriften volgt dat gebruik dat viel onder het overgangsrecht van het vorige plan, mag worden voortgezet.

Het standpunt van verweerder

2.39. Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Volgens hem is tegen het gebruik van het koetshuis als woning door appellant wel handhavend opgetreden.

Vaststelling van de feiten

2.40. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.40.1. Op het perceel ligt een voormalig boerderijgebouw, dat bestaat uit vier geschakelde woningen. Het zogeheten koetshuis betreft een gebouw dat via een tuinkamer met de woning [locatie 3]/[locatie 4] is verbonden.

2.40.2. Ingevolge artikel 21, derde lid, onder f en g, van de planvoorschriften mogen, voor zover thans van belang, bij iedere woning bijgebouwen worden gebouwd.

Ingevolge artikel 2, lid b8, van de planvoorschriften wordt onder bijgebouw verstaan een niet voor bewoning bestemd gebouw dat zowel in functioneel als in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan en ten dienste staat van het hoofdgebouw.

In haar uitspraak van 18 mei 2005, no. 200407953/1, heeft de Afdeling overwogen dat het koetshuis een functionele eenheid vormt met, en ondergeschikt is aan, de woning [locatie 4] en daarom dient te worden aangemerkt als een bijgebouw.

2.40.3. In het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 6 mei 2003 op het bezwaar van appellant tegen de weigering bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van dakkapellen op het dak van het koetshuis, is het volgende overwogen: "Op basis van archiefstukken hebben wij vastgesteld [...] dat op 3 september 1949 bouwvergunning is verleend voor het veranderen van het koetshuis in woning. [...] Het koetshuis wordt op de tekeningen bij evengenoemde vergunning aangeduid als schuur. Noch de tekst van die vergunning noch de daarbij behorende tekeningen geven ons aanleiding om te veronderstellen dat de bouwvergunning ook betrekking heeft (gehad) op het koetshuis, toen aangeduid als schuur. Wij gaan ervan uit dat de schuur toentertijd gebruikt werd als bedrijfsruimte.".

2.40.4. Bij besluit van 6 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders appellant gelast onder meer het gebruik van het koetshuis ten behoeve van bewoning te staken en gestaakt te houden. Bij besluit van 27 januari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders het besluit op dit punt herroepen, omdat naar objectieve maatstaven onvoldoende is komen vast te staan dat het koetshuis werd bewoond.

2.40.5. Appellant heeft een verklaring van de toenmalige bewoonster overgelegd, waarin wordt verklaard dat het koetshuis in de periode 10 januari 1958 tot 13 maart 1964 bewoond is geweest.

2.40.6. Ingevolge artikel 59, lid 2.1, van de planvoorschriften mag het op het tijdstip van het krijgen van rechtskracht van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge artikel 59, lid 2.3, van de planvoorschriften geldt het vorenstaande niet voor gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Het oordeel van de Afdeling

2.41. Voorop staat dat gebruik dat ingevolge de overgangsbepaling van het vorige plan was toegestaan, op grond van artikel 59, lid 2.1, van de planvoorschriften mag worden voortgezet. Artikel 59, lid 2.3, van de planvoorschriften ziet niet op dergelijk gebruik.

2.41.1. Weliswaar is in de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2005, no. 200407953/1, geoordeeld dat het koetshuis moet worden aangemerkt als bijgebouw, maar die procedure had geen betrekking op de vraag of het koetshuis mocht worden bewoond.

Voor de vraag of wat betreft bewoning van het koetshuis sprake is van bestaande rechten die in dit bestemmingsplan moeten worden gerespecteerd, is onder meer van belang de vraag of bouwvergunning is verleend ten behoeve van bewoning, of het koetshuis wordt of werd bewoond en zo ja, wanneer de bewoning is aangevangen, en of het gebruik ten behoeve van bewoning is onderbroken, en zo ja, hoe lang die onderbreking heeft geduurd. De stukken en het verhandelde ter zitting bieden onvoldoende gegevens om op deze vragen een eenduidig antwoord te geven. Uit de stukken valt immers af te leiden dat het college van burgemeester en wethouders enerzijds heeft vastgesteld dat bouwvergunning is verleend voor het veranderen van het koetshuis in woning, maar anderszins dat het koetshuis wordt gebruikt als schuur. Voorts heeft appellant een verklaring overgelegd van een voormalige bewoner van het koetshuis, die door de gemeenteraad noch door verweerder is weersproken. Zelf heeft appellant verklaard dat het koetshuis vanaf het moment van aankoop tot de verbouwing in 2000 bewoond is geweest. Hij verwijst daarbij naar de gedane registratie.

Gelet op deze onduidelijkheden had het op de weg van verweerder gelegen nader te (laten) onderzoeken of het koetshuis waarvan vaststaat dat het wat betreft de verschijningsvorm moet worden aangemerkt als bijgebouw, desalniettemin op grond van een voor dat doel (destijds) verleende bouwvergunning dan wel op grond van het in het vorige plan opgenomen overgangsrecht voor woondoeleinden mocht worden gebruikt, in welk geval een op dat gebruik toegesneden bebouwings- en/of gebruiksregeling overwogen had moeten worden. Nu hij dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre dient te worden vernietigd, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2.

De volkstuinen aan de Raaphorstlaan

Het standpunt van [appellant sub 8]

2.42. Appellant stelt voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Volkstuinen -Vt-" met de nadere aanduiding "(o)" aan de Raaphorstlaan.

2.42.1. De bestaande bebouwing, die met vergunning is opgericht, is niet als zodanig bestemd, aldus appellant. Voorts is het volgens hem in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel ten onrechte niet mogelijk gemaakt een bedrijfswoning op te richten. Volgens hem leidt een bedrijfswoning in combinatie met sanering van het volkstuinencomplex tot een substantiële kwaliteitsverbetering.

Appellant is reeds sinds 1996 doende te komen tot de mogelijkheid van de bouw van een bedrijfswoning op het perceel. Uitgaande van het indienen van een reactie op het voorontwerp van het bestemmingsplan op 31 oktober 2001 is volgens hem de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) bedoelde redelijke termijn geschonden. Appellant verlangt hiervoor compensatie.

Het standpunt van verweerder

2.43. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft ze goedgekeurd. De bestaande met vergunning gebouwde tuinhuisjes zijn volgens hem als zodanig bestemd. Om verrommeling tegen te gaan, is geen verdere uitbreiding van bebouwing toegestaan, aldus verweerder. Een bedrijfswoning is volgens hem in strijd met het gemeentelijke beleid en het streekplan.

Vaststelling van de feiten

2.44. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.44.1. Aan de Raaphorstlaan bevindt zich een volkstuinencomplex, dat uit twee delen bestaat. Op de tuintjes liggen verouderde (kas)gebouwtjes met een gezamenlijk oppervlak van 594 m2. Aan het complex is de bestemming "Volkstuinen -Vt-" met de nadere aanduiding "(o)" toegekend.

2.44.2. Ingevolge artikel 47, lid 2.1, van de planvoorschriften wordt onderscheid gemaakt tussen complexen met en complexen zonder bebouwingsmogelijkheden op individuele volkstuinen. Binnen de bestemming zijn kleinschalige voorzieningen in de vorm van plantenkassen en/of bergingen toegestaan. Ingevolge lid 3.1 is het oprichten van bouwwerken beperkt tot het bestemmingsvlak met de aanduiding "(b)". Ingevolge de laatste zin van die bepaling blijft bebouwing, voor zover die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan op volkstuinen met de aanduiding "(o)" aanwezig was, toegestaan overeenkomstig de afmetingen in de voor die bebouwing verleende bouwvergunning.

2.44.3. Bij besluit van 10 december 1999 is de gemeenteraad akkoord gegaan met de planologische uitgangspunten voor de Raaphorstlaan, zoals voorgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In dit voorstel is ten aanzien van het perceel [locatie 5] vermeld: "bouw twee woningen, één ter plaatse voormalige dierenbegraafplaats en één ter plaatse van de volkstuinen. Hangt af van mogelijkheden tot substantiële kwaliteitsverbetering". In 2001 heeft appellant een plan ingediend, waarbij hij heeft aangegeven waar hij een bedrijfswoning wil bouwen, hoe dat landschappelijk kan worden ingepast en waarbij het volkstuinencomplex inclusief bebouwing zou worden weggesaneerd.

2.44.4. Volgens de reactie van het college van burgemeester en wethouders op de zienswijzen is het college tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan geconfronteerd met een stringente bebouwingsregeling, neergelegd in het op 19 februari 2003 vastgestelde streekplan. Voorts is op 17 september 2003 de nota "Ruimte voor Ruimte in Zuid-Holland" (hierna: de nota Ruimte voor Ruimte) vastgesteld.

De nota Ruimte voor Ruimte is bedoeld om de kwaliteit van het landschap in Zuid-Holland te vergroten. Daartoe stimuleert de regeling afbraak van voormalige (agrarische) bedrijfsgebouwen en kassen, met onder voorwaarden in ruil daarvoor de bouw van woningen met een veel kleinere bouwmassa.

De beleidsrichting voor transformatiegebieden uit het voorontwerpbestemmingsplan is daarmee volgens het college van burgemeester en wethouders achterhaald.

2.44.5. In de plantoelichting is vermeld dat buiten de zogenoemde dynamische gebieden verspreid over het plangebied een aantal specifieke locaties ligt waar het huidige gebruik geen recht doet aan de kwaliteiten van de omgeving. Deze zijn aangeduid als "transformatielocaties". Voor deze locaties wordt een wijziging in inrichting en gebruik voorgestaan. De gewenste ontwikkelingsrichting voor deze locaties staat in de bijlage aangegeven.

In bijlage 2 bij de plantoelichting worden voor onder meer het Raaphorstlaangebied gebiedsspecifieke uitgangspunten voor transformatielocaties gegeven. De mate waarin sanering van bouwvolume kan worden vertaald in de bouw van één of meer woningen, is aan voorwaarden gebonden overeenkomstig de systematiek van de nota Ruimte voor Ruimte.

Voor de locatie Raaphorstlaan liggen gebiedskwaliteiten in de relatieve kleinschaligheid van het landschap; weitjes, omgeven door hagen, afgewisseld met besloten woonpercelen (mozaïekgebied), bepalen hier het beeld. Het gebied heeft een overwegend groen karakter en vormt de overgang tussen de grootschalige openheid van het weideland en de beslotenheid van de landgoederenzone.

In bijlage 2 bij de plantoelichting is ten aanzien van het perceel [locatie 5] vermeld: "Verstoring door intensief gebruik door paarden, onder andere door de aanwezigheid van paddocks. Tevens fysiek verval van (volkstuinen en) niet-inheemse beplanting. De natuurwaarden staan hierdoor onder druk. Transformatie door reductie van paardenactiviteiten, sanering van bebouwing op volkstuinen en herstel en versterking van de landschapsstructuur (waaronder de aanwezige hoogteverschillen) en herontwikkeling tot een (zeer) extensief woonmilieu. [...] Voor het gebied nabij [locatie 5] betekent dit eveneens sanering van alle aanwezige bebouwing op twee volkstuinen, paardenfokkerij en paddock en transformatie naar een extensief woonmilieu met de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers.".

2.44.6. In het gebouw naast de woning [locatie 6], een loods die oorspronkelijk in gebruik was als timmerwerkplaats, is op verzoek van de eigenaren de mogelijkheid geboden van een bedrijfswoning. Aan de loods is de bestemming "Maatschappelijke doeleinden -M-" met de nadere aanduiding "(ms)" toegekend. Ingevolge artikel 27, lid 3.1, onder c.2, van de planvoorschriften mag, voor zover thans van belang, op deze gronden een (inpandige) dienstwoning worden gebouwd.

2.44.7. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. […]

Het oordeel van de Afdeling

2.45. Anders dan appellant meent, zijn de bestaande bouwwerken op de gronden met de bestemming "Volkstuinen -Vt-" die met vergunning zijn opgericht, ingevolge artikel 47, lid 3.1, laatste zin, van de planvoorschriften als zodanig bestemd. Het beroep mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.45.1. Bij de voorbereiding van het voorontwerpbestemmingsplan heeft het gemeentebestuur een kwaliteitsslag nagestreefd. Dit heeft geresulteerd in het raadsbesluit van 10 december 1999. In dat kader is in overleg getreden met onder meer appellant om op zijn gronden een kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen door de volkstuinen te saneren in ruil voor een bedrijfswoning.

Bij de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan heeft het gemeentebestuur echter geconcludeerd dat het gemeentelijke beleid niet paste in het provinciale beleid zoals dat inmiddels was neergelegd in het streekplan en de nota Ruimte voor Ruimte, beide door provinciale staten vastgesteld voordat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. In het (ontwerp)bestemmingsplan is daarom volstaan met het aanwijzen van onder meer de onderhavige locatie als transformatielocatie en het opnemen daarvan in de niet-bindende bijlage 2 bij de plantoelichting.

2.45.2. Uit het vorenstaande volgt dat het gemeentebestuur, voor zover appellant aan het besluit van de gemeenteraad van 10 december 1999 al de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat hij een woning mocht bouwen ter plaatse van de volkstuinen, hierop vanwege het nieuwe provinciale beleid terecht is teruggekomen. Besluiten omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan dienen immers te worden genomen met inachtneming van het recht zoals dat geldt ten tijde van het nemen van dat besluit. Het gemeentebestuur is er dan ook terecht van uit gegaan dat verweerder rekening diende te houden met het provinciale beleid, zoals het streekplan en de nota Ruimte voor Ruimte, dat op het moment van zijn besluitvorming van toepassing is, en heeft het ontwerpbestemmingsplan daaraan terecht aangepast. Bovendien is verweerder, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, niet gebonden aan gestelde toezeggingen van de gemeenteraad in het kader van de totstandkoming van dat plan. Een ander oordeel zou betekenen dat de beoordelingsruimte van verweerder door toedoen van het bestuursorgaan dat het goed te keuren besluit heeft genomen, te zeer kan worden ingeperkt. Van zeer bijzondere omstandigheden is in dit geval niet gebleken.

2.45.3. Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met het gebouw naast de woning [locatie 6], overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met de plandelen.

2.45.4. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Zoals ook uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 april 2000 inzake Thlimmenos tegen Griekenland, nr. 34369/97, AB 2000, 386), zijn daarbij van betekenis de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang alsmede de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld.

2.45.5. Met de vaststelling van het bestemmingsplan is, voor zover het betreft de plandelen van appellant, tevens een beslissing genomen omtrent zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn in een bestemmingsplanzaak waarbij verweerder aan het desbetreffende plandeel goedkeuring heeft verleend, te lopen bij het indienen van de bedenkingen door betrokkene. Anders dan appellant heeft gesteld blijft de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan, voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn buiten beschouwing.

Nu sinds het inbrengen van bedenkingen door appellant op 26 april 2005 in de goedkeuringsfase ongeveer een half jaar en in de beroepsfase ongeveer 1,5 jaar zijn verstreken, tezamen ongeveer twee jaar, kan niet worden geoordeeld dat daarmee een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook reeds om deze reden te worden afgewezen.

2.45.6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen.

Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre ongegrond.

De recreatiewoning op het perceel [locatie 7]

Het standpunt van [appellant sub 8]

2.46. Appellant stelt voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Recreatiewoning -Rw-" aan de [locatie 7].

2.46.1. Hij vreest hierdoor in zijn bedrijfsvoering te worden belemmerd. Voorts is het desbetreffende gebouw volgens hem niet jarenlang als recreatiewoning gebruikt en is er dus ook geen reden deze als zodanig te bestemmen.

Het standpunt van verweerder

2.47. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Hij stemt in met het uitgangspunt van de gemeenteraad om te bestemmen conform het huidige gebruik, dan wel illegaal gebruik waartegen niet handhavend is opgetreden. Hij heeft daarbij van belang geacht dat permanente bewoning van het gebouw niet is toegestaan.

Vaststelling van de feiten

2.48. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.48.1. Aan gronden ten oosten van het oude stalgebouw van [appellant sub 8] is de bestemming "Recreatiewoning -Rw-" toegekend. Ter plaatse bevond zich een gebouw, dat in december 2005 is afgebrand. De eigenaar van de gronden, [appellant sub 16], wenst het gebouw te herbouwen.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Recreatiewoning -Rw-" bestemd voor een tuinhuis/gastenverblijf met de daarbij behorende bouwwerken. Ingevolge lid 2.1 is ook recreatief (nacht)verblijf toegestaan. Permanente bewoning is uitdrukkelijk niet toegestaan.

2.48.2. In het vorige bestemmingsplan was ter plaatse een recreatiewoning niet toegestaan.

2.48.3. In de door appellant overgelegde memo van de Sector Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken van 8 februari 2005 is vermeld dat op het moment van het in werking treden van het vorige bestemmingsplan het gebouwtje niet in gebruik was als recreatiewoning.

Het oordeel van de Afdeling

2.49. Verweerder heeft volstaan met het enkele onderschrijven van het uitgangspunt van de gemeenteraad. Niet is gebleken dat de belangen van verzoeker op enigerlei wijze in de beoordeling zijn betrokken. In het bijzonder is ter zitting gebleken dat geen rekening is gehouden met de oude stal die zich op de gronden van appellant bevindt. Gelet op hetgeen appellant heeft aangevoerd en de stukken die hij heeft overgelegd heeft verweerder voorts niet aannemelijk gemaakt dat het gebouw dat zich tot 2005 op het perceel bevond onder het vorige plan al werd gebruikt als recreatiewoning.

2.49.1. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 8] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb in zoverre dient te worden vernietigd.

Het perceel [locatie 8]

Het standpunt van [appellant sub 9]

2.50. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan gedeeltes van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" voor zijn perceel [locatie 8].

2.50.1. Hij voert hiertoe aan dat ten aanzien van twee schuren op zijn perceel en het gebruik daarvan ten onrechte niet is voorzien in de bestemming "Opslagdoeleinden -O-". Het gebruik is volgens hem daarmee ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. Verder acht hij de gewenste bestemming noodzakelijk in verband met de mogelijkheid in het kader van de ruimte-voor-ruimteregeling nieuwbouw te plegen. Het gaat volgens appellant niet aan dat de gemeenteraad bepaalt welke opslagruimte op het perceel nog reëel is te achten. Voorts voert hij aan dat de planregeling zich ten onrechte verzet tegen het huidige recreatieve gebruik dat hij van de stacaravan op het perceel maakt.

Het standpunt van verweerder

2.51. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat de gemeenteraad heeft kunnen volstaan aan de reële opslagmogelijkheden met toekomstwaarde een daarop gerichte bestemming toe te kennen.

Vaststelling van de feiten

2.52. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.52.1. Op het perceel [locatie 8], groot ongeveer 6.600 m², bevinden zich de woning van appellant en een garage en verder verspreid over het perceel een loods (een voormalige kippenschuur), een stacaravan, enkele volières, een kas en twee bouwwerken. De oppervlakte van alle gebouwen gezamenlijk is ongeveer 1.200 m². Appellant verhuurt een gedeelte van de gebouwen voor de stalling van caravans en oude auto's. De stacaravan heeft appellant in eigen gebruik.

2.52.2. Appellant wil alle bebouwing op het perceel, behoudens de woning, saneren en ter compensatie twee woningen oprichten. Hiertoe heeft hij in april 2001 een plan ontwikkeld.

2.52.3. Aan het grootste gedeelte van het perceel is de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" met de nadere aanduiding "eengezinswoning" toegekend. De aldus aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor woondoeleinden met de daarbij behorende bouwwerken, erven en tuinen, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Ingevolge het derde lid mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd, waarbij:

a. 1. binnen het bouwvlak waaraan op de kaart de aanduiding:

[…]

- "(v)", "(e)" of "(edw)" is aangegeven: uitsluitend vrijstaande eengezinswoningen mogen worden gebouwd;

2. […]

b. de gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken waarbij het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;

[…]

f. bij iedere woning uitsluitend vrijstaande bijgebouwen mogen worden gebouwd, waarbij:

1. de bijgebouwen dienen te worden opgericht op een afstand van ten minste vijf meter achter (de lijn welke kan worden getrokken in het verlengde van de) voorgevelbouwgrens van de woning;

2. per woning de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen maximaal 50% van de oppervlakte van de woning mag bedragen met een maximum van:

- […]

- ter plaatse van de nadere aanduiding "(e)" en "(edw)": 30 m²;

3. de goot- en bouwhoogte van de bijgebouwen maximaal respectievelijk 2,75 meter en vijf meter mag bedragen;

4. voor zover op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan de maatvoering van bijgebouwen afweek van het onder twee en drie bepaalde de bestaande maatvoering als maximum geldt;

[…].

2.52.4. Aan het gedeelte van het perceel waar zich de loods bevindt, is de bestemming "Opslagdoeleinden -O-" toegekend. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor opslagdoeleinden met de daarbij behorende bouwwerken, los- en laadgelegenheden, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

2.52.5. In overweging 2.44.5 is ingegaan op hetgeen in de plantoelichting is aangeven over de transformatielocaties en het Raaphorstlaangebied.

Wat betreft het perceel [locatie 9] en omgeving is volgens de plantoelichting sprake van verstoring door gebiedsvreemd gebruik (caravanstalling) en fysiek verval. Het perceel van appellant is op de bijlagekaart Transformatielocaties ingetekend.

2.52.6. In overweging 2.44.4. is ingegaan op de nota Ruimte voor Ruimte.

Het oordeel van de Afdeling

2.53. Uit de planregeling volgt dat alle bebouwing die zich ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan op het perceel bevond, met uitzondering van de loods met de bestemming "Opslagdoeleinden -O-", als bijgebouwen bij de woning wordt aangemerkt. Verweerder heeft het huidige gebruik van beide door appellant bedoelde schuren in redelijkheid als hobbymatig kunnen aanmerken en geen noodzaak behoeven te zien voor een daarop toegespitste bestemming. Nu de bestemmingsregeling zich niet tegen dit gebruik verzet, kan dit worden voortgezet. Ook staat het plan het huidige recreatieve gebruik van de stacaravan door appellant zelf niet in de weg.

2.53.1. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze van bestemmen aan toepassing van de nota Ruimte voor Ruimte, zo aan de voorwaarden in die regeling wordt voldaan, in de weg staat. De schuren dienen in dat kader, zo heeft ook verweerder ter zitting bevestigd, niettegenstaande de toegekende bestemming, als voormalige agrarische bedrijfsopstallen te worden aangemerkt. Daarbij komt dat ook vanuit het gemeentelijke beleid een transformatie van het perceel wordt voorgestaan. Bij brief van 30 november 2006 heeft het college de bereidheid uitgesproken in geval van plannen die de ruimtelijke kwaliteit kunnen verbeteren, in beginsel een herziening van het bestemmingsplan te willen voorbereiden.

2.53.2. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 9] is ongegrond.

Het perceel [locatie 10]

Het standpunt van [appellant sub 6]

2.54. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Sport, golf -Sg-" en de aanduiding "(edw)" voor zijn gronden ter plaatse van het perceel [locatie 10].

2.54.1. Hij voert hiertoe aan dat zijn woning en erf ten onrechte ten behoeve van de golfsport zijn bestemd en dat de woning ten onrechte als dienstwoning voor de golfvereniging is aangemerkt. De relatie met het agrarische gebruik van het perceel wordt hierdoor ten onrechte verbroken. Volgens appellant wordt hij hierdoor ook beperkt in zijn mogelijkheden de woning en het erf vrij te verkopen.

Het standpunt van verweerder

2.55. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel en de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij kan zich gelet op de functieverandering van het perceel en de omliggende gronden in golfsport vinden in de toegekende bestemming en aanduiding. De woning kan als burgerwoning worden verkocht, maar blijft formeel voor de golfvereniging als dienstwoning meetellen, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.56. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.56.1. In het verleden is op het perceel van appellant een veehouderij geëxploiteerd. Tegenwoordig houdt appellant nog enkele koeien en schapen. Een deel van de huiskavel en de zich daarop bevindende bebouwing heeft hij verkocht aan en is thans in gebruik bij de Wassenaarse Golfclub Rozenstein. Deze golfvereniging heeft de omliggende gronden in gebruik als golfterrein. Appellant verhuurt tevens twee voormalige agrarische bedrijfsgebouwen op het huisperceel aan de golfvereniging.

2.56.2. Aan de huiskavel en de omliggende gronden is de bestemming "Sport, golf -Sg-" toegekend. Aan de woning van appellant is tevens de aanduiding "(edw)" toegekend. Ingevolge artikel 42, lid 1.1, van de planvoorschriften zijn de met voornoemde bestemming aangewezen gronden bestemd voor de golfsport met de daarbij behorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, toegangswegen en paden, watergangen en groenvoorzieningen, een en ander met inachtneming van het tweede lid. Ingevolge lid 3.1, aanhef en onder d, mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd, waarbij uitsluitend binnen ieder bouwvlak waaraan op de kaart de nadere aanduiding "(dw)" is aangegeven een dienstwoning mag worden gebouwd met een inhoud van maximaal 650 m3, inclusief bijgebouwen.

2.56.3. In het voormalige bestemmingsplan "Landelijk Gebied" uit 1975 waren aan het plandeel de bestemmingen "Agrarische doeleinden - B (produktiegebied met landschappelijke waarde)" en "Landbouw-, tuinbouwbedrijfscentrum" toegekend. Daarbij was tevens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van sport algemeen.

Het oordeel van de Afdeling

2.57. Het is de Afdeling niet duidelijk geworden waarom de gemeenteraad voor het plandeel met de woning en het erf van appellant de bestemming "Sport, golf -Sg-" een passende bestemming heeft geacht en niet heeft gekozen voor de voormalige agrarische bestemming of een woonbestemming. Het moet er immers voor worden gehouden dat de woning en het bijbehorende erf, althans een gedeelte daarvan, niet ten behoeve van de golfsport in gebruik zijn. Dat appellant enige tijd de functie van greenkeeper bij de golfvereniging heeft bekleed en de omliggende gronden in gebruik zijn ten behoeve van de golfsport acht de Afdeling ontoereikend voor de keuze voor de toegekende bestemming. Daarbij is van belang dat de woning als agrarische bedrijfswoning bij de voormalige veehouderij in de familie van appellant in gebruik is geweest en thans feitelijk als burgerwoning wordt gebruikt. Dat bij de vaststelling van het plan de aanduiding "(dw)" is gewijzigd in "(edw)" om daarmee tevens een zelfstandig gebruik van de woning als eengezinswoning/burgerwoning mogelijk te maken, biedt geen verklaring voor de keuze van de onderliggende bestemming. Daarbij komt dat het erf bij de woning ruimer is dan het vlak waaraan de aanduiding is toegekend.

2.57.1. Wat betreft de toegekende aanduiding overweegt de Afdeling dat, naar uit de stukken volgt, aan het plandeel met de woning van appellant in het ontwerpplan de aanduiding "(dw)" was toegekend. Uit het raadsvoorstel van 25 februari 2005 volgt dat daarmee werd gedoeld op een functie als dienstwoning voor de golfvereniging. Voor zover het gemeentebestuur bij de vaststelling van het plan heeft willen aangeven dat de woning formeel als dienstwoning bij de omliggende gronden, die thans ten behoeve van de golfsport in gebruik zijn, blijft gelden, komt dit de Afdeling niet onredelijk of onjuist voor. Hiermee wordt immers een mogelijke verdere verstening van het gebied tegengegaan.

In het renvooi bij de plankaart is als verklaring voor de aanduiding "(edw)" "eengezinshuis/dienstwoning" opgenomen. In artikel 42 van de planvoorschriften is voor gronden met de bestemming "Sport, golf -Sg-" niet voorzien in een mogelijkheid voor burgerwoningen. Evenmin is in dit voorschrift de aanduiding "(edw)" nader verklaard noch is in dit voorschrift op dit punt een verwijzing naar een ander voorschrift gemaakt. Een verklaring van de aanduiding "(edw)" in een ander specifiek planvoorschrift zonder dat in artikel 42 naar dat voorschrift wordt verwezen, kan er niet toe leiden dat die verklaring moet worden ingelezen. Hieruit volgt dat aan de aanduiding "(edw)" voor het plandeel met de woning van appellant geen betekenis toekomt. Dit betekent dat het plan ondanks de uitdrukkelijke bedoeling van de gemeenteraad ter plaatse niet voorziet in de functie wonen. Verweerder heeft dit miskend.

2.57.2. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Hieruit volgt dat verweerder, door het plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.57.3. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Sport, golf -Sg-" voor het perceel [locatie 10], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 3.

Het perceel [locatie 11]

Het standpunt van [appellant sub 7]

2.58. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" en de aanduiding "villa" alsmede de bestemming "Stalgebouw -Stg-" voor het perceel [locatie 11].

2.58.1. Hij voert hiertoe aan dat zijn perceel ten onrechte niet is aangemerkt als transformatielocatie waardoor vervangende nieuwbouw mogelijk zou zijn. Hij is van mening dat de situatie op zijn perceel aan de uitgangspunten voor transformatie voldoet. Het gemeentebestuur heeft bovendien jarenlang aangestuurd op transformatie zodat bij hem een gerechtvaardigd vertrouwen op transformatie is ontstaan. Hij heeft daarbij veel tijd en geld in de ontwikkeling van een plan geïnvesteerd. Dat hij zijn percelen goed heeft onderhouden, mag hem niet worden tegengeworpen, aldus appellant.

Hij is voorts van mening dat de voorwaarden om te komen tot toepassing van de nota Ruimte voor Ruimte versoepeld dienen te worden. De hoeveelheid te saneren opstallen dient daartoe te worden beperkt, hetgeen in het plan had moeten worden vastgelegd. Met de huidige voorwaarden zullen veel ongewenste opstallen gehandhaafd blijven, aldus appellant.

Nu het gemeentebestuur reeds sinds 1999 doende is te komen tot een regeling voor het gebruik van het perceel is een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM verstreken. Appellant verlangt hiervoor compensatie.

Het standpunt van verweerder

2.59. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij wijst erop dat aan nieuwe ontwikkelingen die geen relatie hebben met de ontwikkeling van de hoofdfuncties van het landelijke gebied beperkingen worden gesteld. Woningbouw is buiten de verstedelijkingscontouren alleen mogelijk in het kader van de nota Ruimte voor Ruimte, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.60. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.60.1. Het perceel [locatie 11], waar appellant woonachtig is, wordt in twee delen gedeeld door een oprijlaan. Ten noorden van de oprijlaan bevinden zich weidegronden die door appellant als oefenvelden voor zijn paarden worden gebruikt en ten zuiden van de oprijlaan bevindt zich de woning met een stallencomplex met een oppervlakte van ongeveer 250 m².

2.60.2. Aan de gronden met de woning is de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" toegekend met de aanduiding "villa". Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als

"Woondoeleinden I -WI-" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden met de daarbij behorende bouwwerken, erven en tuinen, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, sub 1, mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd waarbij binnen het bouwvlak waaraan op de kaart de aanduiding "(v)" is aangegeven uitsluitend vrijstaande eengezinswoningen mogen worden gebouwd.

Aan de gronden met het stallencomplex is de bestemming "Stalgebouw -Stg-" toegekend. De aldus aangewezen gronden zijn ingevolge artikel 50, eerste lid, van de planvoorschriften bestemd voor de pensionstalling van paarden met de daarbij behorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, toegangswegen en -paden, paddocks uitsluitend ter plaatse van de op de kaart gegeven gelijknamige aanduiding, watergangen en groenvoorzieningen, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de planvoorschriften wordt in dit artikel in hoofdlijnen beschreven op welke wijze met het bestemmingsplan de doeleinden met betrekking tot de functionele en ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied worden nagestreefd. Het artikel vormt mede het afwegingskader bij het beheer en bij de beoordeling van ontwikkelingen.

Ingevolge artikel 1, lid 2.3.2, van de planvoorschriften kan binnen het plangebied en met name binnen de in de toelichting aangegeven transformatielocaties medewerking worden verleend aan een functiewijziging en herinrichting met het doel voor deze gebieden te komen tot een duurzame verbetering van de landschappelijke en natuurwaarden van de onderscheiden gebieden en de ruimtelijke inpassing in de omgeving. In het voorschrift worden voorts enkele uitgangspunten bij een functiewisseling en herinrichting bij transformatie gegeven.

In bijlage 2 bij de plantoelichting met de gebiedsspecifieke uitgangspunten voor transformatielocaties is het perceel van appellant niet aangemerkt als transformatielocatie.

2.60.3. Bij besluit van 10 december 1999 is de gemeenteraad akkoord gegaan met de planologische uitgangspunten voor de Raaphorstlaan, zoals voorgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In dit voorstel is ten aanzien van het perceel [locatie 11] vermeld:

"Principeverzoek [locatie 11] uitbreiden woning en wijzigen bestemmingsregeling perceel (Maas) niet toegestaan. Bestemmingswijziging naar burgerwoning alleen als daar sanering van stalgebouwen tegenover staat.".

2.60.4. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. […]

Het oordeel van de Afdeling

2.61. Uit de wijze waarop in de planvoorschriften en in de plantoelichting is ingegaan op het transformatiebeleid volgt dat aan een aanduiding als transformatiegebied geen juridisch bindende betekenis toekomt. Hoewel het wellicht minder snel in de rede ligt dat in een gebied dat niet uitdrukkelijk als transformatiegebied in bijlage 2 bij de plantoelichting is aangemerkt, transformatie zal plaatsvinden, wordt dit door het plan, zoals volgt uit de eerste volzin van artikel 1, lid 2.3.2. van de planvoorschriften en ook ter zitting door gemeenteraad is bevestigd, niet uitgesloten. Dit zal per concreet geval worden bezien. De vraag of een gebied in redelijkheid wel of niet als transformatiegebied is aangemerkt, kan, nu deze niet ziet op een bindend deel van het plan, in deze procedure niet worden beantwoord.

Voor zover appellant van mening is dat in de in artikel 1 van de planvoorschriften vermelde voorwaarden voor transformatie een minimum te slopen bebouwingsoppervlak van 200 m² had moeten worden opgenomen, overweegt de Afdeling dat dit neerkomt op het opnemen van een minimummaat in een door de gemeenteraad als beleid bedoeld gedeelte van de planvoorschriften. Er valt geen regel aan te wijzen die de gemeenteraad ertoe noopt een dergelijke maatvoering in de planvoorschriften op te nemen.

2.61.1. Voor het oordeel dat de zaak van appellant niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is behandeld, ziet de Afdeling om dezelfde reden als bij [appellant sub 8] geen grond. Appellant heeft bij brief van 22 april 2005 bedenkingen ingebracht. De Afdeling verwijst verder naar haar overwegingen in 2.45.4. en 2.45.5.. Het verzoek van appellant om schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

2.61.2. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plandelen.

Het beroep van [appellant sub 7] is ongegrond.

Het perceel E 2007

Het standpunt van [appellanten sub 19]

2.62. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Hoveniersdoeleinden -Hv-" voor het perceel kadastraal bekend gemeente Wassenaar, sectie E, nummer 2007 (gedeeltelijk).

2.62.1. Zij voeren hiertoe aan dat het perceel wordt gebruikt ten behoeve van hun boomkwekerij en hoveniersbedrijf. Ten behoeve van deze activiteiten zou in het plan een bouwmogelijkheid voor een opslagruimte, kantoor, kantine en toilet/wasruimte moeten worden opgenomen. Er zou dan ook verkoop aan particulieren kunnen plaatsvinden. Appellanten achten de natuur- en landschapswaarden te gering om bebouwing van het perceel om die reden af te wijzen. Daarbij geven zij aan dat in verscheidene andere gevallen wel bebouwingsmogelijkheden zijn geboden.

Het standpunt van verweerder

2.63. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij wijst erop dat de gronden zich in een gebied bevinden dat in het streekplan is aangeduid als "Natuurgebied" en is omgeven door een groene contour. Het behoud van natuur- en landschapswaarden staat in deze gebieden voorop. Daarbij komt volgens verweerder dat de volwaardigheid van het bedrijf van appellanten niet is komen vast te staan.

Vaststelling van de feiten

2.64. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.64.1. In het ontwerpbestemmingsplan was aan het plandeel de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik -Nla-" toegekend. Naar aanleiding van de door appellanten ingebrachte zienswijze is aan het plandeel in het vastgestelde plan de bestemming "Hoveniersdoeleinden -Hv-" toegekend.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor hoveniersbedrijven met de daarbij behorende bouwwerken, parkeervoorzieningen, paden, watergangen en groenvoorzieningen, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

Ingevolge het tweede lid geldt in aanvulling op artikel 1 met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde bestemming onder meer als hoofdlijn van beleid dat mede in verband met de kwetsbaarheid van de omgeving waarin de bedoelde bedrijven zijn gelegen, aan de bedrijven geen uitbreidingsmogelijkheden worden geboden.

Ingevolge het derde lid mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd, waarbij onder meer de gebouwen, met uitzondering van de bij de dienstwoning behorende bijgebouwen, dienen te worden opgericht binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken en uitsluitend binnen de bouwvlakken één (dienst)woning mag worden gebouwd. Op de plankaart is voor het perceel van appellanten geen bouwvlak aangegeven.

2.64.2. Volgens het deskundigenbericht bevindt het perceel van appellanten zich in een vrij verwaarloosde staat. Het perceel is onbebouwd en er is enige aanplant (in potten) aanwezig in de vorm van coniferen.

Het perceel ligt in een zone langs de Rijksstraatweg die zich onderscheidt door het onbebouwde karakter met afwisselend bospercelen en open weidegebieden.

2.64.3. In het streekplan is in structurerend element SE. 3 vermeld dat (inter)nationale en provinciale natuurgebieden van een groene contour zijn voorzien. Met uitzondering van sanering van gebiedsvreemde of ongewenste functies zijn binnen deze groene contourgebieden slechts in uitzonderingsgevallen ingrepen mogelijk (een nee-tenzij-principe). Dit beleid geldt voor de op kaart 5 van het streekplan aangegeven bestaande en geplande natuurgebieden. De nee-tenzij-afweging in concrete gevallen is voorbehouden aan provinciale staten.

Als toelichting wordt bij dit structurerend element aangegeven dat door de werking van de groene contouren als structurerend element op te nemen het besluit over een eventuele nee-tenzij-afweging bij provinciale staten wordt gelegd via de weg van een partiële herziening. Voor geplande natuurgebieden geldt het nee-tenzij-principe voor nieuwe ontwikkelingen. Bestaande functies en gebruik in geplande natuurgebieden kunnen in beginsel doorgang vinden.

Het oordeel van de Afdeling

2.65. Niet in geschil is dat, nu voor het perceel van appellanten geen bouwvlak op de plankaart is aangegeven, zij niet over de door hen gewenste bebouwingsmogelijkheden beschikken. Wel voorziet het plan met de toegekende bestemming in een voortzetting van het bestaande gebruik van het perceel.

Het oprichten van bebouwing zou in dit geval neerkomen op een geheel nieuwe ontwikkeling. Op het perceel bevindt zich immers geen bebouwing. De toegenomen behoefte bij appellanten aan bebouwingsmogelijkheden komt voort uit het verlies van gronden elders. Het provinciale beleid is terughoudend in het toestaan van nieuwe ontwikkelingen in het onderhavige gebied. Het gewicht daarvan is in het streekplan benadrukt door dit beleid als structurerend element waarvan alleen provinciale staten kunnen afwijken, te benoemen.

De Afdeling acht het in het streekplan neergelegde beleid niet onredelijk. Daarbij acht zij van belang dat dit beleid niet met zich brengt dat in het als "Natuurgebied" aangemerkte gebied nimmer nieuwe ontwikkelingen kunnen plaatsvinden. In het geval van appellanten heeft verweerder zich evenwel in redelijkheid op het in het streekplan neergelegde beleid kunnen baseren.

2.65.1. Ten aanzien van de door appellanten gemaakte vergelijkingen met andere situaties in en in de nabijheid van het plangebied, waar wel bebouwingsmogelijkheden zouden zijn geboden, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met hun situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plandeel. De door appellanten in hun beroepschrift en in hun reactie op het deskundigenbericht genoemde gevallen betreffen percelen waar bebouwing aanwezig is of is geweest.

2.65.2. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellanten sub 19] is ongegrond.

Het perceel [locatie 12]

Het standpunt van [appellanten sub 13]

2.66. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" met de aanduiding "(tb)" voor het perceel [locatie 12].

2.66.1. Zij voeren hiertoe aan dat het plan ten onrechte slechts voorziet in één agrarisch bouwperceel en niet in twee bouwpercelen van ongeveer 1.000 m² met de mogelijkheid van een dienstwoning op elk bouwperceel. Over de gewenste splitsing van het bouwperceel zijn zij ten onrechte niet gehoord door de agrarische beoordelingscommissie. De vraag naar de volwaardigheid van hun bedrijven kon om die reden niet worden beantwoord, aldus appellanten.

Het standpunt van verweerder

2.67. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Hij acht de door appellanten voorgestane ontwikkeling strijdig met het provinciale beleid. Het gemeentelijke beleid voor agrarische bouwpercelen en het specifieke beleid voor het gebied Oostdorperweg sluit volgens verweerder daarbij aan. Verweerder stelt aan de hand van de door appellanten ingebrachte stukken niet te hebben kunnen vaststellen of sprake is van twee volwaardige bedrijven.

Vaststelling van de feiten

2.68. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.68.1. Het perceel [locatie 12] heeft een oppervlakte van ongeveer 15.000 m² en is eigendom van [appellant sub 13A]. Hij exploiteert ter plaatse een zomerbloemenbedrijf met een oppervlakte van thans ongeveer 6.700 m². In 1995 is het bedrijf economisch, functioneel en organisatorisch gesplitst. Sindsdien exploiteert [appellant sub 13B], de zoon van [appellant sub 13A], op de gronden van zijn vader, die hij van hem pacht, ook een zomerbloemenbedrijf met een oppervlakte van ongeveer 7.500 m². [appellant sub 13 B] woont elders in Wassenaar. Op het perceel [locatie 12] bevinden zich de woning van [appellant sub 13A], twee loodsen en een rolkas.

Alle werkzaamheden op beide bedrijven vinden volgens opgave van appellanten onafhankelijk van elkaar plaats en worden in eigen beheer uitgevoerd. De verwerking van de planten vindt plaats in afzonderlijke bedrijfsruimten. Het transport naar de veiling vindt met eigen middelen plaats. Ook wordt de aankoop van meststoffen, zaai- en plantgoed, bestrijdingsmiddelen en dergelijke volgens opgave van appellanten apart en in eigen beheer gedaan. Appellanten hebben geen werknemers in dienst. Uit de overgelegde bedrijfsresultaten van 1995 tot 2003 volgt volgens het deskundigenbericht dat beide bedrijven uit de bloementeelt ieder jaar een meer dan volwaardig inkomen genereren.

Appellanten hebben een plan gemaakt voor de bouw van een dienstwoning voor [appellant sub 13B], waarbij de openheid van het landschap volgens hen blijft behouden. Het bestaande bouwperceel behoeft daartoe niet te worden vergroot en alle bebouwing zal daarbinnen worden geconcentreerd. De bebouwing die deels buiten het bouwperceel is gelegen, zal dan worden geamoveerd.

2.68.2. Aan de plandelen die zien op het perceel [locatie 12], zijn de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" met de nadere aanduiding "(t)" en, voor zover het betreft de woning en de bedrijfsbebouwing, de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" met de nadere aanduiding "(tb)" toegekend. Op de plankaart is ten behoeve van deze laatste bestemming aangegeven dat de afmetingen hiervan 32 meter bij 65 meter zijn (derhalve 2.080 m²).

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met eerstgenoemde bestemming onder meer bestemd voor de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering op een bestaand op de kaart aangegeven agrarisch bouwperceel alsmede behoud, versterking en/of herstel van de aan de gronden eigen zijnde landschapswaarde, bestaande uit openheid en het kavel-/slotenpatroon. In lid 2.2 is aangegeven dat het gebied ter weerzijden van de Oostdorperweg zich kenmerkt door het landelijke en kleinschalige karakter waarbinnen naast de agrarische functie ook diverse andere landelijke bedrijven en woningen zijn gesitueerd. Voor dit deelgebied wordt gestreefd naar het behoud van het landelijke en kleinschalige karakter. Mede daarom dient te worden uitgegaan van een beperking van de bebouwingsmogelijkheden. De gronden gelegen ter weerszijden van de Oostdorperweg met de aanduiding "(t)" mogen ingevolge lid 4.3 gebruikt worden voor (vollegronds)tuinbouw.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, gelezen in samenhang met lid 2.3, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" en de aanduiding "(tb)" bestemd voor de uitoefening van een tuinbouwbedrijf binnen agrarische bouwpercelen, met de daarbij behorende bouwwerken, boomgaarden en andere voorzieningen, een en ander met inachtneming van het tweede lid. Ingevolge lid 3.1, aanhef en onder b, mag een agrarisch bouwperceel geheel worden bebouwd en is uitsluitend binnen een agrarisch bouwperceel waaraan op de kaart de aanduiding "(tb)" is gegeven, maximaal 300 m² kassen toegestaan. Ingevolge lid 3.1, aanhef en onder d, sub 1, mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering worden gebouwd, met dien verstande dat per agrarisch bouwperceel maximaal één agrarische bedrijfswoning voor een volwaardig agrarisch bedrijf is toegestaan.

In artikel 1, lid 5.2.2, van de planvoorschriften is als hoofdlijn van beleid vermeld dat binnen het plangebied geen medewerking wordt verleend aan de nieuwvestiging van tuinbouwbedrijven.

Ingevolge artikel 2, onder v2, van de planvoorschriften wordt onder "volwaardig agrarisch bedrijf" verstaan een agrarisch bedrijf waarbij sprake is van een agrarisch hoofdberoep en dat de arbeidsomvang heeft van ten minste een volledige arbeidskracht en waarvan de continuïteit ook op langere termijn gewaarborgd is.

Het oordeel van de Afdeling

2.69. De Afdeling acht, mede gelet op het deskundigenbericht, voldoende aannemelijk gemaakt dat beide bedrijven als volwaardig kunnen worden aangemerkt. Voor de beoordeling van het beroep komt aan de beantwoording van de vraag naar de volwaardigheid van de bedrijven om de volgende reden evenwel geen doorslaggevende betekenis toe.

Het op de door appellanten voorgestane wijze in twee delen splitsen van het agrarische bouwperceel [locatie 12] zou ertoe leiden dat naast de bestaande dienstwoning van [appellant sub 13A] ook [appellant sub 13B] ter plaatse een dienstwoning zou kunnen oprichten. De hoeveelheid bebouwing zou daardoor derhalve toenemen. Niet kan worden uitgesloten dat in dat geval ook de hoeveelheid andere bebouwing en de intensiteit van het gebruik daarvan zouden toenemen. De gemeenteraad en in het verlengde daarvan verweerder hebben deze mogelijke gevolgen terecht in strijd geacht met het op dit punt niet onredelijke gemeentelijke beleid dat erin voorziet de openheid van het gebied zoveel mogelijk te behouden. Dat de planregeling het ook thans mogelijk maakt het agrarische bouwperceel geheel te bebouwen maakt dat niet anders, aangezien volledige bebouwing van het thans toegekende bouwperceel bij één bedrijf minder in de rede ligt en de intensiteit van het gebruik daarvan bovendien anders zou zijn. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder er niet in redelijkheid mee heeft kunnen instemmen dat de gemeenteraad aan dit beleid heeft willen vasthouden. Daarbij betrekt zij dat appellanten hun bedrijven reeds meerdere jaren op de huidige wijze exploiteren en dat de noodzaak van twee bedrijfswoningen onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

2.69.1. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellanten sub 13] is ongegrond.

Camping De Duinhorst

Het standpunt van de vennootschap onder firma "Camping De Duinhorst" (hierna: Camping De Duinhorst)

2.70. Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding van haar gronden als "Transformatielocatie A". Uit het plan blijkt volgens haar niet welke gevolgen deze aanwijzing voor haar heeft.

2.70.1. Appellante stelt voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" voor haar gronden aan de Buurtweg 135, voor zover aan deze gronden nadere aanduidingen zijn toegekend die het gebruik van de gronden beperken ten opzichte van het gebruik dat was toegestaan onder het vorige plan.

2.70.2. Hierdoor wordt de bedrijfsvoering onnodig belemmerd en is bovendien bestaand gebruik onder het overgangsrecht gebracht, aldus appellante. Voorts is volgens haar ten onrechte een tweede bedrijfswoning op het perceel niet mogelijk gemaakt, terwijl vanwege de omvang van de camping in het hoogseizoen een tweede beheerder noodzakelijk is. Ook is een tweede bedrijfswoning in dit geval niet in strijd met het streekplan, en als dat wel het geval is, had verweerder in de door haar aangevoerde bijzondere omstandigheden aanleiding moeten zien van het beleid af te wijken, aldus appellante.

Het standpunt van verweerder

2.71. Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het goedgekeurd. Door de nadere aanduidingen kan de landschappelijke kwaliteit van het gebied beter worden gehandhaafd en gegarandeerd en worden de kampeermogelijkheden niet aangetast.

Het niet toekennen van een tweede bedrijfswoning acht hij in overeenstemming met het provinciale beleid en bovendien is de noodzaak voor een tweede bedrijfswoning niet aangetoond. Permanent beheer betekent volgens verweerder niet dat het personeel ook buiten werktijden aanwezig moet zijn. Voor sociaal toezicht kunnen ook andere gebouwen worden ingezet, zoals de kantine en de winkel, aldus verweerder. De aanwijzing als transformatielocatie geeft blijk van een lange termijnvisie en getuigt volgens verweerder juist van een goede ruimtelijke ordening.

Vaststelling van de feiten

2.72. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.72.1. Volgens de plantoelichting zijn als zogenoemde "transformatielocaties" aangeduid specifieke locaties, waar het huidige gebruik geen recht doet aan de kwaliteiten van zijn omgeving. Voor deze locaties wordt een wijziging in inrichting en gebruik voorgestaan.

In bijlage 2 van de toelichting zijn de gebiedsspecifieke uitgangspunten voor de verschillende transformatielocaties beschreven.

Ingevolge artikel 1, Hoofdlijnen van beleid, lid 2.3.2, van de planvoorschriften kan binnen het plangebied en met name binnen de in de toelichting aangegeven transformatielocaties medewerking worden verleend aan een functiewijziging en herinrichting met het doel voor deze gebieden te komen tot een duurzame verbetering van de landschappelijke en natuurwaarden van de onderscheiden gebieden en de ruimtelijke inpassing in de omgeving. Het betreft hier veelal gegroeide situaties die door de jaren zijn verrommeld en een negatieve uitstraling hebben op een groter gebied. Naar de huidige maatstaven zijn in deze gebieden zowel de functies als de uiterlijke verschijning ongewenst.

2.72.2. De kampeergronden van appellante hebben de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" gekregen. Binnen de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" bevindt zich een bouwvlak met de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" en de aanduiding "(edw)".

In de woning op deze gronden woont één van de twee beheerders die bij appellante in dienst zijn. De tweede beheerder woont met zijn gezin in een stacaravan op het terrein. De beheerders van de camping werken in het hoogseizoen zes dagen per week van 08:00 uur tot 23:00 uur, aangevuld met twee of drie nachtdiensten per week. Het terrein heeft een oppervlakte van ongeveer tien hectare. Er bevinden zich 190 plaatsen voor caravans, 160 plaatsen voor toeristisch kamperen, vijf trekkershutten en enkele veldjes voor tenten. Bij volle bezetting kunnen er 1.500 tot 2.000 gasten aanwezig zijn.

2.72.3. In de provinciale Nota "Regels voor ruimte" is bepaald dat nieuwe bedrijfswoningen bij niet-agrarische bedrijven zijn uitgesloten. De camping is gelegen buiten de bebouwingscontour in het streekplan. De bebouwingscontour is aangemerkt als concrete beleidsbeslissing.

2.72.4. De bestemming "Kampeerterrein -Kt-" kent een onderverdeling in vier nadere aanduidingen.

Ingevolge artikel 48, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" bestemd voor een kampeerterrein en voor dagrecreatieve voorzieningen, met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, watergangen, wegen, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en overige voorzieningen, met dien verstande, dat de op de kaart met "(c)" aangeduide gronden uitsluitend zijn bestemd voor afschermende beplantingen en de op de kaart met "(d)" aangeduide gronden uitsluitend zijn bestemd voor speel- en parkeerterrein.

Ingevolge lid 2.1 richt de bestemming zich op recreatief nachtverblijf, waarbij, voor zover van belang:

a. binnen de met "(a)" aangeduide gronden dit uitsluitend in toeristische kampeermiddelen trekkershutten en in stacaravans is toegestaan;

b. binnen de met "(b)" aangeduide gronden dit uitsluitend in toeristische kampeermiddelen is toegestaan.

In het vorige plan was aan deze gronden de bestemming "Camping" toegekend. Deze bestemming kende geen differentiatie.

2.72.5. Volgens het deskundigenbericht zijn de gronden met de aanduiding "(c)" deels in gebruik als tentenveld en deels als parkeerterrein. Voorts bevinden zich de vijf trekkershutten op gronden met de aanduiding "(b)". Deze trekkershutten zijn geplaatst op een verrijdbaar onderstel en zijn onder het vorige plan zonder bouwvergunning opgericht. Daarvoor stonden ter plaatse stacaravans.

2.72.6. Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie is, ingeval een caravan is aan te merken als een bouwwerk en het plaatsen geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze wet, voor het plaatsen geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet vereist.

Het oordeel van de Afdeling

2.73. De transformatielocaties zijn genoemd in bijlage 2 bij de plantoelichting en in de beschrijving in hoofdlijnen van artikel 1, lid 2.3.2, van de planvoorschriften. Gelet op de bewoordingen heeft deze bepaling geen bindend karakter. Ook aan de plantoelichting komt geen bindende betekenis toe. Ook overigens zijn aan de transformatielocaties geen bindende voorschriften verbonden. Gelet hierop is het beroep van appellante voor zover het is gericht tegen de aanwijzing als transformatielocatie ongegrond.

2.73.1. Voor zover appellante betoogt dat haar gronden niet behoren tot het landelijke gebied en mitsdien ten onrechte niet vallen binnen de rode contour, overweegt de Afdeling dat de rode contouren in het streekplan zijn aangemerkt als concrete beleidsbeslissing en dat daartegen beroep heeft opengestaan. De concrete beleidsbeslissing rond Wassenaar is thans onherroepelijk.

Voorts is niet in geding dat het in strijd is met het provinciale beleid om bij niet-agrarische bedrijven meer dan één bedrijfswoning toe te staan. Verweerder heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat een camping niet kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf en ook geen hoofdfunctie is van het landelijke gebied. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid van dit beleid had moeten afwijken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat de camping alleen in het hoofdseizoen twee beheerders nodig heeft. Buiten het hoofdseizoen is de noodzaak van twee beheerders die beiden op de camping wonen niet aangetoond. De Afdeling acht het voldoende aannemelijk dat met de bestaande bedrijfswoning en de aanvullende voorzieningen op het terrein voldoende toezicht mogelijk is. Verweerder heeft zich mitsdien in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het plan geen tweede bedrijfswoning voor Camping De Duinhorst behoefde te worden opgenomen.

2.73.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Appellante heeft derhalve niet zonder meer recht op dezelfde bestemming als zij had in het vorige bestemmingsplan. De Afdeling acht het beleid dat is gericht op behoud van de waarden van het terrein en de landschappelijke kwaliteit van het gebied voorts redelijk. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een meer gedetailleerde bestemmingsregeling aan dat beleid kan bijdragen.

2.73.3. Anders dan appellante veronderstelt, is het op grond van artikel 48, eerste lid, van de planvoorschriften overal op haar gronden met de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" toegestaan te parkeren en niet alleen op de gronden met de nadere aanduiding "(d)". In zoverre wordt zij door de in het plan aangebrachte differentiatie dan ook niet belemmerd.

2.73.4. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. De trekkershutten op het terrein zijn echter opgericht zonder bouwvergunning. De trekkershutten zijn niet aan te merken als caravans als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet op de openluchtrecreatie, zodat de uitzondering op de verplichting om te bouwen met bouwvergunning op grond van die bepaling reeds daarom niet van toepassing is. Verweerder heeft zich mitsdien in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de trekkershutten niet als zodanig behoefden te worden bestemd. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" en de nadere aanduiding "(b)" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.73.5. Vast staat dat het bestaande gebruik van de op de kaart met "(c)" aangeduide gronden voor tenten niet meer is toegestaan.

Indien bestaand gebruik van in het plan begrepen gronden door de gemeenteraad wordt beschouwd als strijdig met een goede ruimtelijke ordening, kan dat gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht. Dit betekent dat het desbetreffende gebruik van de gronden, hoewel dit niet wordt gezien als het meest wenselijke gebruik, gedurende de planperiode nog wel is toegestaan. Het streven is gericht op beëindiging van dit gebruik en realisatie van de bestemming die aan de gronden is toegekend overeenkomstig de bij die bestemming behorende voorschriften. Met het overgangsrecht wordt derhalve beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen totdat de gewenste bestemming met inachtneming van genoemde voorschriften wordt verwezenlijkt. Het is niet bedoeld voor gebruik dat niet binnen de planperiode zal worden beëindigd.

Het bestaande legale gebruik van de op de kaart met "(c)" aangeduide gronden voor tenten is onder het overgangsrecht van artikel 59, lid 2.1, van de planvoorschriften gebracht. Vast staat evenwel dat dit gebruik binnen de planperiode niet zal worden beëindigd en volgens de gemeenteraad ook niet behoeft te worden beëindigd.

Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" en de nadere aanduiding "(c)" niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.73.6. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder voor het overige terecht goedkeuring heeft verleend aan dit plandeel. Voor het overige is het beroep van Camping De Duinhorst ongegrond.

2.73.7. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" en de nadere aanduiding "(c)" aan de Buurtweg 135.

[locatie 7]

Het standpunt van [appellant sub 16]

2.74. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Stalgebouw -Stg-" voor zijn gronden aan de [locatie 7].

2.74.1. Volgens hem heeft verweerder miskend dat zijn bedrijfsmatige manege-activiteiten onder deze bestemming niet meer zijn toegestaan. Hij wijst in dat verband op afspraken met de wethouder over het toekennen van een manege-bestemming op zijn gronden. Ook zijn de uitbreidingsmogelijkheden volgens hem drastisch beperkt. Ten slotte is volgens hem alleen het stalgebouw als zodanig in het plan opgenomen en zijn de overige bouwwerken ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht.

Het standpunt van verweerder

2.75. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Volgens verweerder is geen sprake van bedrijfsmatige manege-activiteiten. Volgens hem volgt uit de plansystematiek voorts dat overige bouwwerken buiten het bouwvlak mogen worden opgericht en dat daarvoor geen bouwvlak behoefde te worden opgenomen. Het stalgebouw waarvoor met vrijstelling bouwvergunning is verleend, is wel als zodanig in het plan opgenomen.

Vaststelling van de feiten

2.76. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.76.1. Op de gronden van appellant aan de [locatie 7] bevinden zich onder meer stalboxen met een oppervlakte van ongeveer 40 m2, 10 m2 en 30 m2, een stalgebouw van ongeveer 256 m2 en een tuinhuisje. Verder liggen rond het stalgebouw een paddock, een kleinere buitenbak, een mestput en enkele parkeerplaatsen. Ten tijde van het bezoek van de deskundige van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening waren zeven manegepaarden en drie eigen paarden aanwezig. Aan het grootste gedeelte van de gronden, waarop zich ook onder meer de stalboxen en enkele verspreid liggende bouwwerken bevinden, is de bestemming "Stalgebouw -Stg-" toegekend met de nadere aanduiding "paddock of buitenbak toegestaan".

2.76.2. Bij brief van 24 maart 1994 heeft appellant aan het college van burgemeester en wethouders meegedeeld de bouwaanvraag voor een manege in te trekken, waarbij is vermeld "dus geen manege-activiteiten, ook niet op het aangrenzende terrein". In plaats daarvan heeft appellant in deze brief verzocht een paardenstal te mogen bouwen, die zal dienen voor het stallen van privépaarden.

Bij brief van 7 april 1994 heeft appellant in aanvulling op zijn brief van 24 maart 1994 aan het college van burgemeester en wethouders meegedeeld dat hij het stalgebouw ziet als een eerste stap en dat hij zijn rechten voorbehoudt ten aanzien van het bouwvolume en de manege-bestemming.

2.76.3. Bij besluit van 30 januari 1995 heeft de gemeenteraad ingestemd met het voorstel van het college van burgemeester en wethouders om akkoord te gaan met het bouwplan voor een stalgebouw van 256 m2. In het raadsvoorstel is vermeld dat in plaats van de manege nu toestemming wordt gevraagd voor een stalgebouw. Bij besluit van 25 juli 1995 is appellant door het college van burgemeester en wethouders vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van een stalgebouw met een oppervlakte van 256 m2.

2.76.4. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover van belang, zijn de op de kaart als "Stalgebouw -Stg-" aangewezen gronden bestemd voor de pensionstalling van paarden met de daarbij behorende bouwwerken en paddocks uitsluitend ter plaatse van de op de kaart gegeven gelijknamige aanduiding.

Ingevolge het derde lid, onder a, mogen gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak.

Ingevolge het derde lid, onder a.2, mag, voor zover op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bebouwing is toegestaan buiten de bouwvlakken, deze overeenkomstig de bestaande afmetingen worden veranderd en vernieuwd.

Ingevolge artikel 2, lid g1, van de planvoorschriften wordt onder gebouw verstaan elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Het oordeel van de Afdeling

2.77. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting moet het er voor worden gehouden dat onder het vorige plan aan de gronden van appellant niet de bestemming "Manege" was toegekend, maar de bestemming "Agrarische doeleinden - A". Manege-activiteiten waren op gronden met die bestemming niet toegestaan. Gelet hierop is het betoog van appellant dat de bestaande manegebestemming is verdwenen, onjuist. De aangrenzende gronden hadden wel de bestemming "Manege", maar op die gronden zijn inmiddels woningen gebouwd en deze gronden zijn thans niet in geding.

Voor zover de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan zijn verkleind overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op dit uitgangspunt. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op deze grond goedkeuring te onthouden aan de bestemming "Stalgebouw -Stg-".

2.77.1. Ten aanzien van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een manegebestemming zou voorzien. De afspraken met de wethouder kunnen niet aan de gemeenteraad worden toegerekend, te meer nu de gemeenteraad blijkens zijn besluit van 30 januari 1995 heeft ingestemd met de bouw van een stalgebouw in plaats van een manege. De brief van appellant van 7 april 1994, waarin hij ontkent te hebben afgezien van de manegebestemming, was gericht aan de wethouder en niet aan de gemeenteraad. De gemeenteraad kan met deze brief dan ook geen rekening hebben gehouden. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

2.77.2. De stalboxen en het tuinhuisje zijn gebouwen als bedoeld in artikel 2, lid g1, van de planvoorschriften. Gelet hierop mogen deze ingevolge artikel 50, eerste lid, van de planvoorschriften uitsluitend worden opgericht binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak. Weliswaar mag, voor zover op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bebouwing is toegestaan buiten de bouwvlakken, deze overeenkomstig de bestaande afmetingen worden veranderd en vernieuwd, maar onduidelijk is welke bebouwing op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan was toegestaan. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat de bestaande bebouwing op de gronden van appellant, die zijn gelegen buiten het op de plankaart ingetekende bouwvlak, zijn toegestaan en dat daarvoor geen bouwvlak behoefde te worden opgenomen.

2.77.3. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellant sub 16] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Stalgebouw -Stg-" aan de [locatie 7]die zijn gelegen buiten het op de kaart ingetekende bouwvlak.

Het perceel [locatie 13]

Het standpunt van [appellant sub 18]

2.78. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemming "Natuurgebied -N-" en de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden -Aln-" voor zijn gronden aan de [locatie 13].

2.78.1. Volgens appellant zijn de bestaande paardenstallen en zijn atelier niet als zodanig in het plan opgenomen.

2.78.2. Hij voert voorts aan dat ten onrechte in zoverre geen flexibiliteitbepaling is opgenomen die zijn concrete plannen voor het landgoed mogelijk maakt.

Het standpunt van verweerder

2.79. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft ze goedgekeurd. Volgens hem zijn de paardenstallen aan te merken als bijgebouwen bij de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" op het perceel. Het atelier is volgens verweerder gebouwd zonder bouwvergunning. Daartegen wordt thans handhavend opgetreden, zodat dit gebouw niet als zodanig in het plan behoefde te worden opgenomen. Voor de meeste ontwikkelingen binnen landgoederen is geen flexibiliteitbepaling opgenomen, omdat deze in afzonderlijke procedures aan de orde worden gesteld op het moment dat eventuele plannen meer zijn uitgewerkt, aldus verweerder.

Vaststelling van de feiten

2.80. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.80.1. Op [locatie 13] bevindt zich, voor zover thans van belang, een stallencomplex met een omvang van ongeveer 396 m2. Voorts bevinden zich op het terrein een tuinkas, twee schuren en een tennishuisje. Een gedeelte van het stallencomplex is in gebruik als atelier/woonruimte. Aan het perceel is gedeeltelijk de bestemming "Natuurgebied -N-" toegekend. Het stallencomplex bevindt zich binnen deze bestemming. Aan de gronden ter plaatse van het voormalige landhuis en de voormalige portierswoning is de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" met de nadere aanduiding "(l)" respectievelijk "(edw)" toegekend.

2.80.2. Ingevolge artikel 13, lid 3.1, onder b, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Natuurgebied -N-" uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de bedoelde bestemming worden gebouwd.

Ingevolge artikel 13, lid 1.3, van de planvoorschriften zijn, voor zover op de kaart binnen de bestemming "Natuurgebied -N-" tevens bouwvlakken met andere bestemmingen zijn gelegen, de gronden mede bestemd voor voorzieningen zoals erven en tuinen, ontsluitingspaden en parkeervoorzieningen bij die andere bestemmingen, met dien verstande dat voor het realiseren van bouwwerken en/of het uitvoeren van werkzaamheden het bepaalde in dit artikel van toepassing blijft.

Ingevolge artikel 20, derde lid, onder f, van de planvoorschriften mogen op de gronden met de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" bij iedere woning uitsluitend vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd. Artikel 20, derde lid, van de planvoorschriften bevat terzake voorts bebouwingsvoorschriften.

2.80.3. Naast de herbouw van de afgebroken portierswoning en het afgebrande landhuis, die in het plan mogelijk zijn gemaakt, wenst appellant een derde woning op het landgoed te bouwen, waarbij hij heeft aangegeven in ruil daarvoor het stallencomplex en de twee schuren te zullen saneren. Appellant is in 2000 door het gemeentebestuur benaderd om een landgoedontwikkelingsplan op te stellen. Dit heeft hij gedaan.

De bestemming "Agrarisch doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden -Aln-" en de bestemming "Natuurgebied -N-" bevatten voor [locatie 13] geen flexibiliteitsbepaling.

Het oordeel van de Afdeling

2.81. Niet is gebleken dat de plannen van appellant voor het landgoed zo concreet zijn, dat daarmee bij de vaststelling en goedkeuring van het plan in redelijkheid rekening had moeten worden gehouden. Voor het oordeel dat verweerder aan het plandeel goedkeuring had moeten onthouden omdat een vrijstellings- of wijzigingsbepaling voor de plannen van appellant ontbreekt, bestaat dan ook geen aanleiding.

2.81.1. Artikel 20 van de planvoorschriften heeft betrekking op de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden I -WI-". Voor zover ingevolge dit artikel bijgebouwen zijn toegestaan, kan deze regeling geen betrekking hebben op plandelen met een andere bestemming.

De gronden met de bestemming "Woondoeleinden I -WI-" bevinden zich binnen de bestemming "Natuurgebied -N-". Ingevolge artikel 13, lid 1.3, van de planvoorschriften blijft voor het realiseren van bouwwerken bij andere bestemmingen op gronden met de bestemming "Natuurgebied -N-" echter artikel 13 van toepassing. Het stallencomplex, dat gedeeltelijk wordt gebruikt als atelier en als woonruimte, staat niet ten dienste van en is niet noodzakelijk voor de bestemming "Natuurgebied -N-". Ter zitting is namens de gemeenteraad erkend dat het stallencomplex is opgericht met bouwvergunning. Het is derhalve onder het overgangsrecht gebracht. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. In dit geval is echter gebleken dat niet is beoogd het bestaande stallencomplex niet als zodanig in het plan op te nemen.

2.81.2. Gelet op het vorenstaande is het plandeel met de bestemming "Natuurgebied -N-" in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Door het plandeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder tevens gehandeld in strijd met dit beginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 18] is in zoverre gegrond.

2.81.3. Voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Agrarisch doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden -Aln-" heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden -Aln-".

Het beroep van [appellant sub 18] is in zoverre ongegrond.

2.81.4. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied -N-" voor [locatie 13].

Het koppelteken tussen de percelen [locatie 14] en [locatie 15]

Het standpunt van de [appellanten sub 11]

2.82. Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding "koppelteken; een bestemming(svlak)/verbindingsteken tussen "(edw)" en gebiedsbestemming" voor het perceel [locatie 14].

2.82.1. Zij voeren hiertoe aan dat er met de aanduiding ten onrechte van wordt uitgegaan dat de woning op het perceel [locatie 15] als een tweede agrarische bedrijfswoning bij het perceel [locatie 14] heeft te gelden. De woning is volgens hen nimmer als (tweede) dienstwoning bij het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 14] in gebruik geweest.

Het standpunt van verweerder

2.83. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de aanduiding in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft deze goedgekeurd. Hij is van mening dat alle agrarische gronden in planologisch opzicht tezamen moeten worden bezien en dat de woning op het perceel [locatie 15] om die reden als bedrijfswoning bij het veeteeltbedrijf op het perceel [locatie 14] dient te worden aangemerkt.

Vaststelling van de feiten

2.84. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.84.1. Appellanten zijn eigenaar van het perceel [locatie 14]. Op dit perceel bevinden zich een (dienst)woning en diverse bedrijfsgebouwen. Deze gronden met opstallen en de bijbehorende aangrenzende weidegronden werden tot 1 april 2002 gepacht door [partij C] en vanaf deze datum door zijn [zoon]. Tezamen met de aangrenzende, ten zuiden van het perceel [locatie 15] gelegen gronden vormden deze het agrarische bedrijf van [partij C]. De pachtovereenkomst is op 15 februari 2006 door de pachtkamer van de sector kanton van de rechtbank 's-Gravenhage ontbonden. Op 24 oktober 2006 heeft de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem dit vonnis in hoger beroep bekrachtigd. In de woning op het perceel [locatie 15] is [partij C] woonachtig.

2.84.2. Aan het plandeel voor het perceel [locatie 14 zijn de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" met de nadere aanduiding "(t)" en, voor zover het betreft de woning en de bedrijfsbebouwing, de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" met de nadere aanduiding "(tb)" toegekend.

Ingevolge artikel 17 van de planvoorschriften zijn de gronden met eerstgenoemde bestemming bestemd voor de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering en mogen de gronden gebruikt worden voor (vollegronds)tuinbouw.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met lid 2.3, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" en de aanduiding "(tb)" bestemd voor de uitoefening van een tuinbouwbedrijf binnen agrarische bouwpercelen, met de daarbij behorende bouwwerken, boomgaarden en andere voorzieningen, een en ander met inachtneming van het tweede lid.

2.84.3. De gronden met daarop de woning [locatie 15] zijn ook bestemd als "Agrarisch bouwperceel -Ab-", met daarbij de aanduiding "(dw)". Het perceel is op de plankaart met een verbindingsteken verbonden met het agrarische bouwperceel van appellanten.

Het oordeel van de Afdeling

2.85. In het renvooi bij de plankaart is als verklaring voor de door appellanten bedoelde aanduiding "koppelteken; een bestemming(svlak)/verbindingsteken tussen "(edw)" en gebiedsbestemming" opgenomen. Nog daargelaten de omstandigheid dat op de plankaart voor het perceel [locatie 15] de aanduiding "(dw)" is vermeld en het de vraag is of het koppelteken om die reden in dit geval van toepassing zou kunnen zijn, bieden de artikelen 17 en 18 van de planvoorschriften noch andere algemene planvoorschriften een verklaring van de betekenis van het koppelteken. Hieruit volgt dat aan de door appellanten bedoelde aanduiding geen bindende betekenis toekomt.

2.85.1. Het beroep van de [appellanten sub 11] mist derhalve feitelijke grondslag en is dan ook ongegrond.

Het perceel [locatie 16]

Het standpunt van [appellante sub 12]

2.86. Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" voor haar gronden aan de [locatie 16]. Zij stelt dat zij ten onrechte niet is aangemerkt als volwaardig agrarisch bedrijf en geen paarden mag africhten.

Ook is de woning op het perceel ten onrechte niet als zodanig bestemd, aldus appellante. Anders dan verweerder stelt, is volgens appellante nooit handhavend opgetreden tegen het gebruik van het gebouw als woning. Gelet op de aard van het bedrijf is een dienstwoning noodzakelijk, aldus appellante, en bovendien beschikken de andere twee paardenfokkerijen in het gebied wel over een dienstwoning.

2.86.1. Appellante stelt voorts in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" voor haar gronden aan de [locatie 16], voor zover zij deze gronden niet mag gebruiken ten behoeve van de uitloop van paarden. Volgens haar gebruikte de vorige eigenaar deze gronden al voor de uitloop van paarden en is dit gebruik ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht.

Het standpunt van verweerder

2.87. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft ze goedgekeurd. Volgens hem is niet aantoonbaar onderbouwd dat sprake is van bedrijfsmatige exploitatie.

2.87.1. De uitloopmogelijkheden zijn volgens verweerder terecht beperkt tot het gebied dat de vorige eigenaar in gebruik had voor uitloop. Volgens verweerder heeft appellante het gebruik in strijd met de vorige bestemming geïntensiveerd.

2.87.2. Ten aanzien van de woning is volgens verweerder door het gemeentebestuur al voor de vaststelling van het bestemmingsplan handhavend opgetreden, zodat geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen dat een dienstwoning zou worden toegestaan.

Vaststelling van de feiten

2.88. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.88.1. Appellante heeft de gronden in 2003 gekocht met het doel een paardenfokkerij te exploiteren. Zij houdt zich bezig met het fokken, trainen en africhten van paarden voor dressuur en springen. Op het perceel bevinden zich een woning, een stalgebouw, een schuur en aangrenzend een paddock. Ten oosten van de paddock liggen weidegronden met een oppervlakte van ongeveer drie hectare.

2.88.2. De gronden hebben ter plaatse van de woning, het stalgebouw en de paddock de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" gekregen. Dit bestemmingsvlak heeft een omvang van ongeveer 3.500 m2 en is thans in gebruik als woning, parkeerplaats, groenvoorzieningen en als paddock.

2.88.3. De weidegronden hebben de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" gekregen. Ingevolge artikel 17, lid 4.2, onder h, van de planvoorschriften is het gebruik van de weidegebieden als uitloop/weidegebied voor paarden, behoudens enkele paarden voor (eigen) recreatief gebruik, verboden.

2.88.4. Op de gronden Oostdorperweg 214, grenzend aan het perceel van appellante, bevindt zich een voormalige bedrijfswoning, die is bestemd als burgerwoning. Appellante beschikt niet over een bedrijfswoning op haar gronden. Op haar gronden bevindt zich een ruime verblijfsruimte, die is gebouwd met bouwvergunning. Vanaf 1991 wordt dit gebouw in strijd met de voorschriften van het vorige bestemmingsplan bewoond. Bij brief van 23 augustus 1996 heeft de desbetreffende gemeentelijke dienst de voormalige eigenaar medegedeeld dat het voornemen is het college van burgemeester en wethouders te adviseren hem te gelasten het gebruik als woning te staken. Bij brief van 20 juni 1997 is de voormalige eigenaar door de desbetreffende gemeentelijke dienst medegedeeld dat besloten is in afwachting van de toekomstige planologische regeling de beslissing over het al dan niet optreden tegen het gebruik van het stalgebouw als woning uit te stellen.

Het oordeel van de Afdeling

2.89. De Afdeling begrijpt het betoog van appellante dat haar paardenfokkerij ten onrechte niet is aangemerkt als agrarisch bedrijf aldus, dat niet al haar bedrijfsactiviteiten in het plan als zodanig zijn bestemd. Voor zover zij betoogt dat voor een paardenfokkerij geen andere voorschriften zouden mogen worden gesteld dan voor andere agrarische bedrijven, heeft de Afdeling in overweging 2.29. reeds overwogen dat dit betoog faalt.

In overweging 2.29.1. en 2.29.2. is voorts al geoordeeld dat noch door verweerder noch door de gemeenteraad deugdelijk is gemotiveerd dat het redelijk is het trainen en africhten van paarden binnen de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" geheel uit te sluiten en dat de goedkeuring van de zin "Het trainen en africhten van paarden valt niet onder het toegestane gebruik." in artikel 19, lid 2.1, van de planvoorschriften moet worden vernietigd. Voorts is in die overwegingen al geoordeeld dat noch door verweerder noch door de gemeenteraad deugdelijk is gemotiveerd dat het verbod weilanden te gebruiken als uitloop- of weidegebied voor paarden ruimtelijk relevant is en geschikt is om het beoogde doel te bereiken. Het beroep van [appellante sub 12] is in zoverre gegrond.

2.89.1. In dit geval komt daar nog bij dat de gemeenteraad, door aan het plandeel de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" toe te kennen, blijkbaar heeft beoogd de paardenfokkerij van appellante als zodanig in het plan op te nemen, ook al bevond het bedrijf zich ten tijde van de vaststelling van het plan nog in de opstartfase. Een belangrijk deel van de bedrijfsactiviteiten van appellante bestaat uit het africhten van paarden. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, door het bedrijf wel als zodanig in het plan op te nemen maar wezenlijke bedrijfsactiviteiten van het toegestane gebruik uit te sluiten, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.89.2. Ten aanzien van de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" op de desbetreffende gronden is voorts gebleken dat de gemeenteraad noch verweerder heeft onderzocht of het bedrijf van appellante moet worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf en uit dien hoofde op grond van het provinciale beleid in aanmerking zou kunnen komen voor een bedrijfswoning, mede gelet op hetgeen appellante daaromtrent mocht verwachten en mede gelet op het feit dat het gebouw dat thans wordt bewoond met bouwvergunning is opgericht. Ook is de gemeenteraad noch verweerder ingegaan op de vraag of betekenis toekomt aan de omstandigheid dat op het perceel geen bedrijfswoning is toegestaan terwijl de voormalige bedrijfswoning op het aangrenzende perceel al jaren niet meer in gebruik is als dienstwoning en in het plan ook niet als zodanig is bestemd. In het kader van het bestemmingsplan dat de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO moet vaststellen, zal hij hierop alsnog in moeten gaan.

2.89.3. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de uitloop van paarden op de gronden die thans de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" hebben, onder het vorige plan was toegestaan en dat deze gronden ook als zodanig werden gebruikt. Door de gemeenteraad is ter zitting gesteld dat dit gebruik door [appellante sub 12] niet is geïntensiveerd.

Indien bestaand gebruik van in het plan begrepen gronden door de gemeenteraad wordt beschouwd als strijdig met een goede ruimtelijke ordening, kan dat gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht. Dit betekent dat het desbetreffende gebruik van de gronden, hoewel dit niet wordt gezien als het meest wenselijke gebruik, gedurende de planperiode nog wel is toegestaan. Het streven is gericht op beëindiging van dit gebruik en realisatie van de bestemming die aan de gronden is toegekend overeenkomstig de bij die bestemming behorende voorschriften. Met het overgangsrecht wordt derhalve beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen totdat de gewenste bestemming met inachtneming van genoemde voorschriften wordt verwezenlijkt. Het is niet bedoeld voor gebruik dat niet binnen de planperiode zal worden beëindigd.

Het bestaande legale gebruik van de weidegronden als uitloopgebied voor paarden is onder het overgangsrecht van artikel 59, lid 2.1, van de planvoorschriften gebracht. Vast staat evenwel dat dit gebruik binnen de planperiode niet zal worden beëindigd. Gelet hierop heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 17, lid 4.2, onder h, van de planvoorschriften, wat betreft dit plandeel, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.89.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 12] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.89.5. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan het plandeel met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" en aan artikel 17, lid 4.2, onder h, van de planvoorschriften, wat betreft de gronden van [appellante sub 12] aan de [locatie 16].

[locatie 17]

Het standpunt van [appellante sub 14]

2.90. Appellante stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Handelskwekerij -Hk-" voor het perceel [locatie 17].

2.90.1. Volgens haar zijn de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vorige plan ten onrechte beperkt tot 3.200 m2 zonder dat onderzoek is verricht naar de behoefte die zij heeft aan uitbreidingsmogelijkheden. Zij stelt in dat verband door de verkoop van haar vestiging in Leidschendam behoefte te hebben aan extra uitbreidingsmogelijkheden bij haar vestiging in Wassenaar.

2.90.2. Voorts is de wijzigingsbevoegdheid van artikel 34, zesde lid, van de planvoorschriften volgens appellante niet objectief begrensd. Toepassing van deze bevoegdheid zou er toe leiden dat de handelskwekerij ter plaatse niet kan worden voortgezet. Daarvoor bestaan geen zwaarwegende redenen, aldus appellante. Bedrijfsbeëindiging binnen de planperiode is volgens haar bovendien niet aannemelijk.

Het standpunt van verweerder

2.91. Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft dit goedgekeurd. Volgens hem heeft appellante aangegeven behoefte te hebben aan uitbreidingsmogelijkheden van 3.000 m2, die bij de gewijzigde vaststelling ook alsnog in het plan zijn opgenomen. Gelet op het overleg tussen appellante en het gemeentebestuur acht hij het aannemelijk dat de bedrijfsvoering binnen de planperiode zal worden beëindigd. Een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden en een ontwikkeling naar meer natuurwaarden acht hij derhalve redelijk.

2.91.1. De criteria waaronder gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid zijn neergelegd in de beschrijving van de desbetreffende transformatielocatie in de toelichting, aldus verweerder. De wijzigingsbevoegdheid voldoet volgens hem aan de wettelijke eisen.

Vaststelling van de feiten

2.92. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.92.1. Appellante exploiteert aan de [locatie 17] een handelskwekerij. De gronden zijn gelegen in de landgoederenzone tussen Den Haag en Katwijk, een open agrarisch gebied, grotendeels omsloten door bebost gebied. Volgens de toelichting is het bestemmingsplan onder meer gericht op het veiligstellen en behouden van de landgoederenzone. Uitbreiding van de bestaande bebouwing in de landgoederenzone kan in beginsel niet worden toegestaan, aldus de toelichting. Volgens bijlage 2 bij de plantoelichting is het gebruik als handelskwekerij storend binnen de landgoederenzone, die gekenmerkt wordt door bossen en weides. Als gebiedsspecifiek uitgangspunt geldt ter plaatse transformatie door sanering van bebouwing, beëindiging van niet-grondgebonden teelt en ingebruikname van gronden door een grondgebonden agrarisch bedrijf en gedeeltelijke herontwikkeling naar een zeer extensief woonmilieu, passend in de landgoederensfeer.

2.92.2. In haar zienswijze heeft appellante gewezen op de door haar aangevraagde bouwvergunning voor uitbreiding van de aanwezige bebouwing. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeenteraad bij de vaststelling de bouwmogelijkheden uitgebreid van 1.000 m2 tot 3.200 m2. In het voorgaande plan bestond de mogelijkheid om uit te breiden tot 6.000 m2.

2.92.3. Ingevolge artikel 34, lid 2.1, van de planvoorschriften wordt voor de bestemming "Handelskwekerij -Hk-" uitgegaan van de bestaande situatie, waarbij de bedrijfsactiviteiten gericht zijn op het voortbrengen, verhandelen en distribueren van (in hoofdzaak zelf geteelde) gewassen.

Ingevolge het derde lid, onder a.2, mag de gezamenlijke grondoppervlakte van de bedrijfsgebouwen -geen kassen zijnde- maximaal 3.200 m² bedragen.

Ingevolge het zesde lid is het college van burgemeester en wethouders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO, bevoegd het plan te wijzigen waarbij de bestemming van de gronden gelegen tussen de Rijksstraatweg en de Raaphorstlaan mag worden gewijzigd in de bestemming -N- en/of -Aln- als bedoeld in artikel 13 respectievelijk artikel 16 van de planvoorschriften. Bij een herinrichting van deze gebieden binnen de genoemde bestemmingen met houtopstanden is het beleid gericht op het handhaven van de zichtlijn op de open polder en de boerderijen Raaphorstlaan 1 en 3. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling dient de procedure te worden gevolgd als omschreven in het tweede lid van artikel 6 (Procedureregels).

Het oordeel van de Afdeling

2.93. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Appellante heeft derhalve niet zonder meer recht op dezelfde uitbreidingsmogelijkheden tot 6.000 m2 als die het vorige plan bood. Het streven van de gemeenteraad is thans gericht op het veiligstellen en behouden van de landgoederenzone en beëindiging van de bedrijfsvoering. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat appellante van de uitbreidingsmogelijkheden in het vorige plan geen gebruik heeft gemaakt, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het bestemmingsplan niet meer uitbreidingsmogelijkheden behoefden te worden opgenomen dan die waarvoor ten tijde van de vaststelling van het plan een bouwaanvraag was ingediend. De omstandigheid dat appellante haar vestiging in de gemeente Leidschendam-Voorburg heeft verkocht, zodat zij behoefte heeft aan meer uitbreidingsmogelijkheden, maakt dat niet anders. Ter zitting is bovendien gebleken dat appellante verweerder van de verkoop van die vestiging niet op de hoogte heeft gesteld, zodat verweerder daarmee geen rekening kon houden.

2.93.1. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Het beroep van [appellante sub 14] is op dit punt ongegrond.

2.94. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheid overweegt de Afdeling dat in een wijzigingsbepaling mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden in voldoende mate dient te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 11 van de WRO berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

2.94.1. Anders dan verweerder betoogt, zijn in de plantoelichting geen wijzigingsvoorwaarden opgenomen, nog afgezien van het feit dat aan de plantoelichting geen bindende betekenis kan worden toegekend. Ook de voorschriften bevatten geen voorwaarden waaronder van de wijzigingsbevoegdheid gebruik kan worden gemaakt. Uit de stukken, waaronder de plantoelichting, blijkt echter dat de bevoegdheid om de bestemming te wijzigen met name samenhangt met de mogelijke sanering van het bedrijf. Als er een plan is met betrekking tot het saneren van het bedrijf en het ontwikkelen van een landgoedachtige ontwikkeling, is de wijzigingsbevoegdheid het middel om de bestemming te wijzigen. Ter zitting is gebleken dat appellante en het gemeentebestuur daarover in gesprek zijn, maar dat er nog geen resultaten zijn bereikt. De enkele omstandigheid dat het beleid is gericht op bedrijfsbeëindiging en versterking van de landgoederenzone rechtvaardigt niet dat kan worden volstaan met een ongeclausuleerde wijzigingsbevoegdheid. In het bijzonder is niet gemotiveerd waarom toepassing van de wijzigingsbevoegdheid niet op enigerlei wijze behoeft te worden gekoppeld aan de voorgenomen bedrijfsbeëindiging en versterking van de landgoederenzone.

2.94.2. Hieruit volgt dat artikel 34, zesde lid, van de planvoorschriften is vastgesteld in strijd met artikel 11 van de WRO. Door dit voorschrift niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van Griffioen Wassenaar is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.94.3. Hieruit volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan artikel 34, zesde lid, van de planvoorschriften.

Het perceel Ruigelaan 1

Het standpunt van verweerder

2.95. Verweerder heeft de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" en de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" voor het perceel Ruigelaan 1 in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft daaraan goedkeuring onthouden. Volgens hem is ter plaatse een paardenfokkerij gevestigd, die niet valt onder genoemde bestemmingen. Volgens verweerder is in dit geval de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" een acceptabele bestemming. Ook aan de bij de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" opgenomen wijzigingsbevoegdheid naar een bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik -Nla-" heeft verweerder wat betreft dit plandeel goedkeuring onthouden.

Het standpunt van [appellanten sub 17]

2.96. Appellanten stellen in beroep dat verweerder aan de onthouding van goedkeuring van deze plandelen ten onrechte niet ten grondslag heeft gelegd dat ook de bevoegdheid de bestemming te wijzigen naar de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik -Nla-" in strijd met een goede ruimtelijke ordening en het recht moet worden geacht.

Vaststelling van de feiten

2.97. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.97.1. Op de gronden van [appellanten sub 17] een onderneming die is gericht op het fokken en trainen van polopaarden. Aan deze gronden zijn de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" en de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" toegekend. Verweerder heeft aan deze plandelen goedkeuring onthouden.

2.97.2. Ingevolge artikel 17, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO, het plan te wijzigen waarbij de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" mag worden gewijzigd in de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik -Nla-" als bedoeld in artikel 15, gericht op de ontwikkeling van natuurwaarden, landschapswaarden en/of cultuurhistorische waarden, waarbij een eventueel agrarisch medegebruik uitsluitend of overwegend is gericht op de ontwikkeling van genoemde waarden.

2.97.3. De bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" kent geen wijzigingsbevoegdheid.

Het oordeel van de Afdeling

2.98. Verweerder heeft geheel goedkeuring onthouden aan de bestemmingsregeling voor de gronden van appellanten om de reden dat deze bestemming hier niet voldoet. Dat betekent dat niet alleen de bestemming, maar ook de bestreden wijzigingsbevoegdheid op deze gronden niet meer van toepassing is. Appellanten hebben gelet hierop geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel over de wijzigingsbevoegdheid van artikel 17, zevende lid, onder a, van de planvoorschriften en deze beroepsgrond behoeft derhalve geen verdere bespreking.

2.98.1. De gemeenteraad moet ingevolge artikel 30, eerste lid, van de WRO een nieuw bestemmingsplan voor deze gronden vaststellen. Het is volgens verweerder de bedoeling dat de gemeenteraad de paardenfokactiviteiten en het agrarische medegebruik als zodanig in het plan opneemt. In het bestreden besluit is in dat verband dan ook uitdrukkelijk aangegeven dat verweerder de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" acceptabel acht. Aangezien deze bestemming geen wijzigingsbevoegdheid bevat, ligt het niet voor de hand dat de gemeenteraad wederom een wijzigingsbevoegdheid opneemt voor deze gronden. Voor het oordeel dat verweerder het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid op voorhand geheel had moeten uitsluiten, bestaat echter geen aanleiding. De keuze voor het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is primair de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. Deze kan na afweging van alle belangen en in aanmerking genomen de feiten en omstandigheden die zich voordoen op het moment van vaststelling van het plan besluiten om in het plan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen voor de gronden van appellanten. De aanvaardbaarheid van die keuze kan niet op voorhand thans reeds worden afgewezen. Eventuele bezwaren van appellanten kunnen in de procedure tegen dat bestemmingsplan nog ten volle aan de orde komen.

Het beroep van [appellanten sub 17] is ongegrond.

De uitbreiding van de zandwinning in het Valkenburgse Meer

Het standpunt van het college

2.99. Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" die zien op gronden ten zuiden van het Valkenburgse Meer.

2.99.1. Hij voert daartoe aan dat de gekozen plaats vanwege de (langdurige verstoring van) natuur- en cultuurhistorische waarden ongeschikt is voor zandwinning. De zandwinning staat de verwezenlijking van een ecologische verbindingszone in de weg. Een uitbreiding van de zandwinning kan volgens het college beter aan de westelijke zijde van het Valkenburgse Meer plaatsvinden. Appellant is van mening dat de ontwikkelingen in het kader van de sluiting van vliegveld Valkenburg en de As Leiden - Katwijk aanleiding geven de plaats voor de zandwinning in ruimer verband te heroverwegen.

Het standpunt van verweerder

2.100. Verweerder heeft de plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en hieraan goedkeuring onthouden. Hij acht het niet-opnemen van een mogelijkheid tot uitbreiding van de zandwinning aan de zuidkant van het Valkenburgse Meer in strijd met het provinciale beleid. Hij acht de uitbreiding van de zandwinning verder niet strijdig met het rijksbeleid.

Vaststelling van de feiten

2.101. Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.101.1. Het Valkenburgse Meer is sinds de jaren '50 van de vorige eeuw in gebruik als zandwinlocatie voor de provincie Zuid-Holland. Daarnaast wordt het meer gebruikt als recreatiegebied.

2.101.2. Aan de plandelen is de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden -Al-" toegekend. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor de ontwikkeling van een duurzame landbouw, de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering op een bestaand, op de kaart aangegeven agrarisch bouwperceel of agrarische bouwstede, alsmede behoud, versterking en/of herstel van de aan de gronden eigen zijnde landschapswaarde, bestaande uit openheid en het kavel-/slotenpatroon, behoud van de floristische en/of vogelkundige waarde en extensief recreatief medegebruik.

2.101.3. In het (voormalige) streekplan Zuid-Holland West van 24 mei 1996 is een deel van de Ommedijkse Polder aangewezen ten behoeve van de uitbreiding van de zandwinning in het Valkenburgse Meer.

In haar uitspraak van 14 december 2000, no. E01.97.0151-1 (JM 2001/72), heeft de Afdeling de beslissing op bezwaar van provinciale staten van 17 januari 1997 en de afzonderlijke besluiten van 5 maart 1997, vernietigd voor zover de uitbreiding van de zandwinning daarbij is gehandhaafd.

2.101.4. In het streekplan van 19 februari 2003 is in paragraaf 5.1 concrete beleidsbeslissing 3, Zandwinning in de Ommedijkse Polder, weergegeven: "Zandwinning vindt plaats op de daarvoor op kaartblad 30 aangegeven locatie in de Ommedijkse Polder (zie ook plankaart).". Op kaartblad 30 en op de streekplankaart is ter plaatse voorzien in de aanduiding "Zandwinning".

In het streekplan is verder vermeld dat in de Ommedijkse Polder reeds in het streekplan van 1996 een locatie als concrete beleidsbeslissing voor uitbreiding van de zandwinning was aangewezen in aansluiting op het gebied waar al sinds jaren zandwinning plaatsvindt. Nieuwe inzichten hebben geleid tot een aanpassing van het gebied waarbinnen de uitbreiding van de zandwinning zal plaatsvinden. De in heroverweging bepaalde nieuwe begrenzing leidt niet alleen tot een geringere aantasting van bestaande natuurwaarden maar legt ook minder beslag op nog in gebruik zijnde agrarische gronden, aldus het streekplan.

In haar uitspraak van 21 juli 2004 in zaak no. 200301816/1 heeft de Afdeling vorenbedoelde concrete beleidsbeslissing 3 vernietigd.

2.101.5. Op 18 februari 2004 hebben provinciale staten het bouwgrondstoffenplan voor de provincie Zuid-Holland vastgesteld. Hierin is onder meer opgenomen dat in het provinciale ruimtelijke beleid geen rekening wordt gehouden met primaire winningen en dat een uitzondering daarop vormt het streekplan waarin voor de winning van zand voor de kalkzandsteenindustrie een uitbreiding van het door zandwinning ten behoeve van de kalkzandsteenindustrie ontstane Valkenburgse Meer te Valkenburg is opgenomen. Daarmee is, aldus het bouwgrondstoffenplan, in het ruimtelijke beleid van de provincie de grondstofvoorziening voor de kalkzandsteenindustrie voor een periode van ongeveer 20 jaar verzekerd.

2.101.6. [partij A] stelt zich op het standpunt dat het beroep van het college niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat de gemeenteraad het bestemmingsplan heeft vastgesteld en het college gelet hierop geen rechtstreeks belang heeft.

Het oordeel van de Afdeling

2.102. Over de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep van het college overweegt de Afdeling dat tegen een onthouding van goedkeuring onder het te dezen geldende recht een ieder, derhalve ook het college van burgemeester en wethouders, beroep kan instellen. Dat dit college niet bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen, maakt dat niet anders.

2.103. De Afdeling overweegt verder dat niet in geschil is dat de planregeling de uitbreiding van de zandwinning ten zuiden van het Valkenburgse Meer ter plaatse van de gronden waarop de onthouding van goedkeuring ziet, niet toelaat.

2.103.1. In haar vorenbedoelde uitspraak van 14 december 2000 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat provinciale staten op zich aan de belangen die door de uitbreiding van de zandwinning in de Ommedijkse Polder worden gediend een groter gewicht hadden kunnen toekennen dan aan de belangen die hierdoor worden aangetast. Aangezien echter een onderzoek naar de gevolgen van de zandwinning voor de in die procedure betrokken bedrijven niet had plaatsgevonden, hadden provinciale staten bij het voorbereiden van het bestreden besluit op dat punt niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard.

2.103.2. In haar vorenbedoelde uitspraak van 21 juli 2004 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat provinciale staten de mogelijkheden om de gevolgen van het verlies aan gronden te beperken voor een betrokken agrarisch bedrijf onvoldoende hadden bezien. In de in die procedure door het college aangevoerde argumenten ten aanzien van de noodzaak voor zandwinning, de mogelijke aantasting van de waarden van het gebied en de gevolgen voor de te verwezenlijken ecologische verbindingszone heeft de Afdeling geen aanleiding gezien de concrete beleidsbeslissing te vernietigen.

2.103.3. Uit het bestreden besluit volgt dat het provinciale beleid, ook na de vernietiging door de Afdeling op 21 juli 2004 van de concrete beleidsbeslissing voor de uitbreiding van de zandwinning in de Ommedijkse Polder, onverkort wordt gehandhaafd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de agrarische bestemming zonder de mogelijkheid van de zandwinning in strijd is met het provinciale beleid. Wat betreft de door appellant gestelde gevolgen voor de natuur- en cultuurhistorische waarden ziet de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen dan zij in haar uitspraak van 21 juli 2004 heeft gedaan. Niet is gebleken dat de door het college genoemde ontwikkelingen, waaromtrent overigens nog nadere besluitvorming dient plaats te vinden, een belemmering vormen voor de zandwinning op de volgens het provinciale beleid voorziene plaats dan wel dat de zandwinning op de voorziene plaats voor die ontwikkelingen een belemmering vormt. Verweerder heeft zich, mede gelet op de belangen die zijn betrokken bij het continueren van de zandwinning, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze ontwikkelingen geen aanleiding geven voor een totale heroverweging van de ontwikkelingen binnen het gebied. Hij heeft dan ook in het vorenstaande geen aanleiding behoeven te zien van het provinciale beleid af te wijken.

Overigens hebben provinciale staten op 1 februari 2006 opnieuw een concrete beleidsbeslissing voor de zandwinning op de in het provinciale beleid voorziene plaats vastgesteld. Het beroep van het college tegen deze concrete beleidsbeslissing is door de Afdeling in haar uitspraak van 21 maart 2007 in zaak no. 200601946/1 ongegrond verklaard. De concrete beleidsbeslissing is daarmee onherroepelijk geworden.

2.103.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen.

Het beroep van het college is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.104. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 8], Camping De Duinhorst, [appellante sub 12], [appellante sub 14], [appellant sub 16] en [appellant sub 18] te worden veroordeeld. Wat betreft Wijkvereniging Benoordenhout is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 20] geheel en het beroep van Polo Club Wassenaar, Stichting Beheer Duindigt en Draf- en Renbaan Duindigt, voor zover ingediend door Draf- en Renbaan Duindigt, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 12] en [appellant sub 16] geheel en de beroepen van Wijkvereniging Benoordenhout, [appellant sub 8], Camping De Duinhorst, [appellant sub 14] en [appellant sub 18] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 25 oktober 2005, kenmerk DRM/ARB/05/3212A, voor zover dit betreft:

a. de goedkeuring van de zinsnedes "en parkeervoorzieningen bij die andere bestemmingen" in artikel 13, lid 1.3, en artikel 15, lid 1.2, van de planvoorschriften, alsmede de zinsnede "- binnen een strook met een diepte van respectievelijk 20, 40 en 60 meter, aansluitend aan bouwvlakken voor eengezinswoningen, villa's en landhuizen, die in redelijkheid tot het normale gebruik van de tuin dan wel het erf kunnen worden gerekend" in artikel 13, lid 5.3, onder b, van de planvoorschriften, voor zover deze zinsnedes zien op Landgoed Clingendael zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 1;

b. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Kantoordoeleinden -K-" en de aanduiding "II" voor het perceel Wassenaarseweg 220;

c. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden II -VII-" tussen het Groenendaal en de Landscheidingsweg;

d. de goedkeuring van de zin "Het trainen en africhten van paarden valt niet onder het toegestane gebruik." in artikel 19, lid 2.1, van de planvoorschriften;

e. de goedkeuring van artikel 13, lid 4.2, onder b, artikel 15, lid 4.2, onder g, artikel 16, lid 4.2, onder f, en artikel 17, lid 4.2, onder h, van de planvoorschriften;

f. de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch bouwperceel -Ab-" en de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden -Aln-" aan de [locatie 1];

g. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" aan de [locatie 2];

h. de goedkeuring van een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden II -WII-" aan de [locatie 3]/[locatie 4], zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 2;

i. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Recreatiewoning -Rw-" aan de [locatie 3];

j. het plandeel met de bestemming "Sport, golf -Sg-" voor het perceel Hoge Klei 1, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart 3;

k. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Kampeerterrein -Kt-" en de nadere aanduiding "(c)" aan de Buurtweg 135;

l. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Paardenfokkerij -Pf-" aan de [locatie 16];

m. de goedkeuring van artikel 34, zesde lid, van de planvoorschriften;

n. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Stalgebouw -Stg-" aan de [locatie 7], voor zover het betreft de gronden die zijn gelegen buiten het op de kaart ingetekende bouwvlak;

o. de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Natuurgebied -N-" voor [locatie 13];

IV. onthoudt goedkeuring aan:

a. de onder III.f. genoemde plandelen;

b. het onder III.g. genoemde plandeel;

c. het onder III.j. genoemde plandeel;

d. het onder III.k. genoemde plandeel;

e. het onder III.l. genoemde plandeel;

f. artikel 17, lid 4.2, onder h, van de planvoorschriften, voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden -Aln-" aan de [locatie 16];

g. het onder III.m. genoemde voorschrift;

h. het onder III.o. genoemde plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voor zover dit betreft de planonderdelen genoemd onder IV.a. tot en met IV.h.;

VI. verklaart de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellanten sub 11], [appellanten sub 13], Samenwerkingsverband Amonsvlakte, [appellanten sub 17], en [appellanten sub 19] geheel en de beroepen van Wijkvereniging Benoordenhout, Polo Club Wassenaar en Stichting Beheer Duindigt, [appellant sub 8], Camping De Duinhorst, [appellante sub 14] en [appellant sub 18] voor het overige ongegrond;

VII. wijst de verzoeken van [appellant sub 8] en [appellant sub 7] om schadevergoeding af;

VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 6.954,79 (zegge: zesduizend negenhonderdvierenvijftig euro en negenenzeventig cent); dit bedrag dient door de provincie Zuid-Holland onder vermelding van het zaaknummer als volgt te worden betaald aan:

a. [appellant sub 4] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellant sub 5] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. [appellant sub 6] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. [appellant sub 8] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. Camping De Duinhorst € 836,79 (zegge: achthonderdzesendertig euro en negenenzeventig cent), waarvan een gedeelte groot € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

f. [appellante sub 12] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. [appellante sub 14] € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

h. [appellant sub 16] € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

i. [appellant sub 18] € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor Wijkvereniging Benoordenhout;

b. € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 4];

c. € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 5];

d. € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 6];

e. € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 8];

f. € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor Camping De Duinhorst;

g. € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor [appellante sub 12];

h. € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) voor [appellante sub 14];

i. € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 16];

j. € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) voor [appellant sub 18].

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren                             w.g. Bechinka

Voorzitter                           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007

371-410

plankaart 1

plankaart 2

plankaart 3