Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5512

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
200701887/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / generaal pardonregeling / vaste gedragslijn / datum onderzoek

De staatssecretaris heeft zich ter zitting van de Afdeling op het standpunt gesteld, dat de bewaring met ingang van 28 februari 2007 onrechtmatig is, omdat hem op die datum, daags voor de zitting bij de rechtbank op 1 maart 2007, had kunnen blijken dat geen grond bestond de inbewaringstelling van appellant te laten voortduren. Dit nader ingenomen standpunt is in overeenstemming met de hiervoor onder 2.2.1. vermelde gedragslijn, die niet onredelijk is te achten. Voor het oordeel dat de staatssecretaris aanleiding had behoren te zien de door hem aan het regeerakkoord verbonden consequenties vóór genoemde beëdigingsdatum van 22 februari 2007 te laten intreden, bestaat geen grond. Evenmin heeft de staatssecretaris aanleiding hoeven zien om voor de gevolgen van de te hanteren vaste gedragslijn 22 februari 2007 als ingangsdatum aan te houden. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de bewaring vanaf een eerder tijdstip dan 28 februari 2007 onrechtmatig was.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 50
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/291
RV20070061 met annotatie van Red. Rechtspraak Vreemdelingenrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701887/1.

Datum uitspraak: 8 mei 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 07/7175 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 8 maart 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2007 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 maart 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 maart 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2007, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.A. van der Plas-Slot, advocaat te Druten en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D Kuiper, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In het coalitieakkoord van 7 februari 2007 (TK 2006-2007, 30891, nr. 4, blz. 35) (hierna aan te duiden als: het regeerakkoord), is in onderdeel 6 van de paragraaf over het immigratiebeleid vermeld dat er, om op korte termijn de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet af te wikkelen, een regeling komt in het kader waarvan ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend aan personen die aan de nader in dit onderdeel opgesomde objectieve criteria voldoen (hierna aan te duiden als: de pardonregeling).

2.2. Appellant klaagt onder meer dat de rechtbank, door te overwegen dat de aangekondigde pardonregeling niet tot onrechtmatigheid van de aan hem opgelegde maatregel kan leiden, ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn betoog dat de maatregel onrechtmatig is omdat niet valt uit te sluiten dat hij aan de voorwaarden van de in het regeerakkoord opgenomen voornemen om te komen met een regeling betreffende het zogenoemde generaal pardon zal voldoen.

2.2.1. Namens de staatssecretaris is ter zitting bij de Afdeling het volgende naar voren gebracht. De staatssecretaris, die zich gebonden acht aan de uitvoering van het regeerakkoord, hanteert met ingang van 22 februari 2007, de datum waarop de leden van het kabinet zijn beëdigd, de vaste gedragslijn dat in verband met de vast te stellen pardonregeling vreemdelingen die voldoen aan de navolgende voorwaarden, niet in bewaring worden gesteld dan wel, voor zover zij vóór die datum reeds in bewaring waren gesteld, niet langer in bewaring worden gehouden. Bedoelde voorwaarden luiden als volgt:

a. de vreemdeling heeft vóór 1 april 2001 een eerste asielaanvraag

ingediend;

b. er bestaan ten aanzien van de vreemdeling geen contra-indicaties van

openbare orde, waarbij wordt uitgegaan van de in artikel 67, eerste lid,

aanhef en onder b tot en met e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna:

Vw 2000) vermelde voorwaarden voor ongewenstverklaring en het

terzake daarvan gevoerde beleid, dat is vastgelegd in de

Vreemdelingencirculaire 2000. Voor het bestaan van deze contra-

indicaties is niet noodzakelijk dat de vreemdeling daadwerkelijk ongewenst

verklaard is;

c. niet aantoonbaar is dat de vreemdeling buiten Nederland heeft verbleven.

Een kort bezoek aan het buitenland wordt de vreemdeling niet

tegengeworpen.

Het onderzoek of de op de voet van artikel 50 van de Vw 2000 staande gehouden dan wel overgedragen vreemdeling aan deze voorwaarden voldoet, wordt in de gevallen waarin die staandehouding of overdracht dateert van na 22 februari 2007 verricht binnen de voor de ophouding van de vreemdeling geldende maximale termijn.

In geval een vreemdeling reeds voor 22 februari 2007 in bewaring is gesteld, geldt, gelet op het grote aantal te behandelen zaken, als uitgangspunt dat bedoeld onderzoek binnen 14 dagen na genoemde datum alsnog wordt verricht. Indien er voor de staatssecretaris een concrete aanleiding is zich op een eerder tijdstip over de rechtmatigheid van de bewaring uit te laten, vindt het onderzoek bij die gelegenheid plaats. Bij een tegen de inbewaringstelling ingesteld beroep dat binnen genoemde termijn van 14 dagen ter zitting wordt behandeld, wordt dat onderzoek in ieder geval daags voor die zitting verricht.

2.2.2. Appellant heeft ter zitting van de Afdeling betoogd dat nu het regeerakkoord, waarin een pardonregeling is aangekondigd, op 7 februari 2007 is bekendgemaakt, de hem op diezelfde dag opgelegde maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is geweest. Voor zover niettemin zou worden geoordeeld dat de staatssecretaris niet ten onrechte vanaf 22 februari 2007 consequenties aan het regeerakkoord heeft verbonden, had de inbewaringstelling met ingang van die datum en niet eerst met ingang van 20 maart 2007 behoren te worden opgeheven, aldus appellant.

2.2.3. De staatssecretaris heeft zich ter zitting van de Afdeling op het standpunt gesteld, dat de bewaring met ingang van 28 februari 2007 onrechtmatig is, omdat hem op die datum, daags voor de zitting bij de rechtbank op 1 maart 2007, had kunnen blijken dat geen grond bestond de inbewaringstelling van appellant te laten voortduren. Dit nader ingenomen standpunt is in overeenstemming met de hiervoor onder 2.2.1. vermelde gedragslijn, die niet onredelijk is te achten. Voor het oordeel dat de staatssecretaris aanleiding had behoren te zien de door hem aan het regeerakkoord verbonden consequenties vóór genoemde beëdigingsdatum van 22 februari 2007 te laten intreden, bestaat geen grond. Evenmin heeft de staatssecretaris aanleiding hoeven zien om voor de gevolgen van de te hanteren vaste gedragslijn 22 februari 2007 als ingangsdatum aan te houden. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de bewaring vanaf een eerder tijdstip dan 28 februari 2007 onrechtmatig was.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht behoeft geen nadere bespreking. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, verklaart de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het inleidende beroep gegrond. Nu de maatregel met ingang van 28 februari 2007 onrechtmatig is, komt aan appellant schadevergoeding toe over de periode van 28 februari 2007 tot en met 7 maart 2007.

2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 8 maart 2007 in zaak no.

AWB 07/7175;

III. verklaart het door appellant bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) om aan appellant een bedrag van € 560,00 (zegge: vijfhonderdzestig euro) aan schadevergoeding te betalen;

V. veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de Secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

Voorzitter w.g. Van Dokkum

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2007

480

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak