Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5494

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
200605801/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 1993 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een tuinbouwkas op een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Eersel, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te Eersel (hierna: perceel […], nr. […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605801/1.

Datum uitspraak: 23 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eersel,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/1693 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 1993 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eersel (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een tuinbouwkas op een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Eersel, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te Eersel (hierna: perceel […], nr. […].

Bij besluit van 21 december 1993 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 1997, no. R03.94.0204, heeft de Afdeling het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 21 december 1993 vernietigd.

Bij besluit van 27 augustus 2001 heeft het college het tegen het besluit van 22 juni 1993 gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft het college opnieuw geweigerd bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een tuinbouwkas op het perceel.

Bij brief van 25 september 2003 heeft appellant daartegen beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit beroep is bij brief van 29 december 2003 doorgezonden naar de rechtbank ’s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank).

Bij uitspraak van 1 november 2004 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 29 juli 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 juli 2005, no. 200410140/1, heeft de Afdeling het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de besluiten van het college van 27 augustus 2001 en 29 juli 2003 vernietigd.

Bij uitspraak van 2 maart 2006 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat het college binnen twee weken een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaarschrift.

Bij besluit van 23 maart 2006 heeft het college het door appellant tegen het besluit van 22 juni 1993 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en opnieuw geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een tuinbouwkas op het perceel.

Bij uitspraak van 4 juli 2006 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 oktober 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2007, waar appellant, in persoon, bijgestaan door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans en E.J.M. Lueb, ambtenaren bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in de oprichting van een tuinbouwkas met een oppervlakte van 300 m² op het perceel […], nr. […], ten behoeve van de op de aangrenzende percelen met de kadastrale aanduidingen gemeente Eersel, sectie […], nrs. […] geëxploiteerde rododendronkwekerij.

2.2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1988, 1e partiële herziening" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel […] nr. […] de bestemming "Woondoeleinden -W-". Het bouwplan is met deze bestemming in strijd.

2.3.    Ingevolge artikel VI, eerste lid, van de Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1999, 302) blijft ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag om vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en om bouwvergunning, die - zoals in het onderhavige geval - is ingediend voor de genoemde datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet (3 april 2000), het recht van toepassing dat gold voor dat tijdstip tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden. Ingevolge artikel 44 van de Woningwet mag alleen en moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het geldende bestemmingsplan, redelijke eisen van welstand of een ingevolge de Monumentenwet 1988 benodigde vergunning ontbreekt. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet dient een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17,18 of 19 van de WRO tevens worden geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.         Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van kassen en andere bij algemene maatregel van bestuur daarmee gelijk te stellen bedrijfsgebouwen voor een daarbij te stellen termijn vrijstelling verlenen van de voorschriften van een bestemmingsplan.

   Ingevolge artikel 19, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt een dergelijke vrijstelling slechts verleend indien aannemelijk is dat het gebouw niet langer in stand zal blijven dan gedurende een termijn waarvoor burgemeester en wethouders redelijkerwijs vrijstelling zouden kunnen verlenen. Ingevolge artikel 19 van de WRO, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders voor het gebied, waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

2.4.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat met het besluit van 23 maart 2006 haar uitspraak van 2 maart 2006, waarin is bepaald dat het college binnen twee weken een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaarschrift van appellant, niet in acht is genomen.

2.4.1.    Het betoog dat het besluit van 23 maart 2006 niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn is genomen, is op zichzelf juist, maar kan, aangezien het een termijn van orde betreft, niet leiden tot vernietiging van dit besluit.

2.5.    Appellant betoogt dat het college in zijn beslissing op bezwaar ten onrechte het primaire besluit heeft herroepen. Hij betoogt verder dat het college ten onrechte geen nieuw heroverwegingsbesluit heeft genomen.

2.5.1.    Dit betoog slaagt niet. Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) moet het bestuursorgaan bij een beslissing op bezwaar het besluit herroepen voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft en voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit nemen. Bij primair besluit van 22 juni 1993, dat bij beslissing op bezwaar van 21 december 1993 is gehandhaafd, heeft het college geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 18 van de WRO en bouwvergunning te verlenen voor het bouwplan. In haar uitspraak van 14 februari 1997, zaak no. R03.94.0204 (aangehecht), waarbij het besluit van 21 december 1993 is vernietigd, heeft de Afdeling overwogen dat van het college had kunnen worden verwacht dat het had onderzocht of het oprichten van een als tijdelijk bedoeld bouwwerk kon worden toegestaan en dat het college ten tijde van het besluit van 21 december 1993 ook had kunnen onderzoeken of verlening van de bouwvergunning met toepassing van de zogenoemde anticipatieprocedure mogelijk was. Bij de op 23 maart 2006 door het college genomen nieuwe beslissing op het gemaakte bezwaar is nader bezien of aanleiding bestond voor toepassing van artikel 18 of 19 van de WRO, het gebrekkige besluit van 22 juni 1993 herroepen en het besluit van 23 maart 2006 daarvoor in de plaats gesteld. Aldus heeft het college in overeenstemming met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb gehandeld. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.6.    Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college in de beslissing op bezwaar van 23 maart 2006 ten onrechte niet heeft beoordeeld of voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 19, lid CIII, van de planvoorschriften kon worden verleend dan wel toepassing kon worden gegeven aan de in artikel 19, lid BIII, onder 1, sub c, van de planvoorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Voormelde voorschriften zijn bij de herziening van het bestemmingsplan in 1998 vervallen.

2.7.    Appellant betoogt dat de rechtbank uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 14 februari 1997, zaak no. R03.94.0204 ten onrechte slechts een onderzoeksplicht afleidt voor het college om te bezien of met toepassing van artikel 18 van de WRO vrijstelling kan worden verleend. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat voormelde uitspraak een verdergaande inhoudelijke beoordeling inhoudt ten aanzien van de toepasbaarheid van artikel 18 van de WRO.

2.7.1.    Dit betoog slaagt niet. Anders dan appellant betoogt, volgt uit deze uitspraak niet dat het college verplicht was om daadwerkelijk vrijstelling voor het bouwplan te verlenen.

2.8.    Gelet op het vorenoverwogene diende het college in de beslissing op bezwaar van 23 maart 2006 na te gaan of voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 18 van de WRO kon worden verleend. Zoals de Afdeling heeft overwogen in voormelde uitspraak van 14 februari 1997, zaak no. R03.94.0204, dienen voor een dergelijke vrijstelling, ten tijde van het daaromtrent te nemen besluit, buiten de daaraan te verbinden termijn gelegen objectieve feiten en omstandigheden aanwezig te zijn op grond waarvan de tijdelijkheid van het bouwwerk ten behoeve waarvan vrijstelling is verzocht, kan worden aangenomen. Mede blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18 van de WRO heeft de wetgever bedoeld om op gronden met een niet daarvoor bedoelde bestemming oprichting van tuinbouwkassen mogelijk te maken, zij het voor een bepaalde - niet te korte - termijn. Gedacht is aan een termijn die samenvalt met de bij de financiering aangehouden afschrijvingsduur van twaalf tot vijftien jaren. Dit betekent echter wel dat waarborgen moeten bestaan dat een krachtens tijdelijke vergunning met vrijstelling gebouwde kas na afloop van deze termijn, die niet kan worden verlengd, ter plaatse niet meer aanwezig is.

2.9.    Appellant betoogt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan de tijdelijkheid van de kas kan worden aangenomen en het college derhalve terecht heeft geweigerd voor het bouwplan vrijstelling als bedoeld in artikel 18 van de WRO te verlenen.

2.9.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat door appellant niet aannemelijk is gemaakt dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar objectieve feiten en omstandigheden aanwezig waren op grond waarvan de tijdelijke aanwezigheid van de kas op het perceel […], nr. […] kon worden aangenomen. Bij de beoordeling of het college de beoogde kas terecht niet heeft aangemerkt als tijdelijk bouwwerk heeft de rechtbank van belang geacht dat het college appellant reeds voor het nemen van het besluit van 23 maart 2006 heeft laten weten dat het mogelijk is eenzelfde kas te bouwen op het perceel […], nr. […]. Ter zitting bij de Afdeling is door het college nog eens bevestigd dat als appellant een bouwaanvraag zou indienen voor de bouw van eenzelfde kas op het perceel […], nr. […], daarvoor bouwvergunning kan worden verleend. Het betoog van appellant dat, in afwachting van de mogelijkheid een kas te bouwen op het perceel […], nr. […], tijdelijk een kas op het perceel […], nr. […] benodigd is, slaagt dan ook niet. Ook het betoog van appellant dat de tijdelijkheid van de kas aannemelijk is gemaakt nu hij naar verwachting in 2020 met pensioen zal gaan, slaagt niet. Die pensionering van appellant sluit immers geenszins uit dat het bedrijf wordt voortgezet. De rechtbank is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het college terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 18 van de WRO. Voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval de situatie ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag beslissend is, zoals appellant heeft gesteld, bestaat geen grond. Indien ten tijde van de beslissing op bezwaar objectieve feiten en omstandigheden als vorenbedoeld ontbreken, kan van het alsnog verlenen van een bouwvergunning met toepassing van artikel 18 van de WRO geen sprake zijn, omdat niet is voldaan aan het vereiste van tijdelijkheid.

2.10.    Appellant betoogt tenslotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college ten tijde van de beslissing op bezwaar niet bevoegd was vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19 van de WRO.

2.10.1.    Dit betoog slaagt niet. Nu ten tijde van het besluit op bezwaar niet was voldaan aan het uit artikel 19 van de WRO voortvloeiende vereiste dat ter plaatse een voorbereidingsbesluit geldt, dan wel een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet bevoegd was vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO te verlenen.

2.11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Zwart w.g. Soede

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2007

270-494.