Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5474

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
23-05-2007
Zaaknummer
200701545/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Materieel vergelijkbare beslissing / toetsingskader

Bij besluit van 16 november 2005 is geweigerd appellant op de voet van het beleid, zoals ten tijde van belang neergelegd in hoofdstuk C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, gewijzigd bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2005/11, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden. Het tegen het besluit van 19 juni 2006 ingestelde beroep strekt er aldus toe dat de rechter dezelfde kwestie opnieuw beoordeelt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, doet het feit dat het besluit van 19 juni 2006 niet op aanvraag is genomen er niet aan af dat dit besluit materieel op een lijn staat met de eerdere beslissing van 16 november 2005. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte niet onderzocht of ten opzichte van laatstgenoemd besluit sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2007/301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200701545/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/35421 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 1 februari 2007 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2006 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister), voor zover hier van belang, geweigerd om appellant ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 1 februari 2007, verzonden op 2 februari 2007, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 1 maart 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 maart 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

2.1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak no. 200700590/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

2.1.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na de eerdere beslissing zijn voorgevallen of die niet vóór die beslissing konden en derhalve, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van de eerdere beslissing konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan de eerdere beslissing kan afdoen.

2.1.3. Bij besluit van 16 november 2005 is geweigerd appellant op de voet van het beleid, zoals ten tijde van belang neergelegd in hoofdstuk C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, gewijzigd bij Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2005/11, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte onaantastbaar is geworden.

Het tegen het besluit van 19 juni 2006 ingestelde beroep strekt er aldus toe dat de rechter dezelfde kwestie opnieuw beoordeelt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, doet het feit dat het besluit van 19 juni 2006 niet op aanvraag is genomen er niet aan af dat dit besluit materieel op een lijn staat met de eerdere beslissing van 16 november 2005. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte niet onderzocht of ten opzichte van laatstgenoemd besluit sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De grief behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling beoordelen of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

2.3. Ten aanzien van de overgelegde brief van de Ethiopische ambassade van 6 september 2005 overweegt de Afdeling dat appellant deze brief voorafgaand aan de eerdere beslissing had kunnen en derhalve had behoren over te leggen. Het bewijs van de aanvraag bij de IOM van 5 september 2005 is reeds betrokken bij het eerdere besluit van 16 november 2005. De inhoud van de brief van de Ethiopische ambassade van 22 november 2005 is gelijkluidend aan de eerder genoemde brief van 6 september 2005 en kan, reeds hierom, geen afbreuk doen aan het eerdere besluit.

Gelet hierop, is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Hieruit volgt dat het bij de rechtbank bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, niet door de bestuursrechter kunnen worden getoetst. De Afdeling zal het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 1 februari 2007 in zaak no. AWB 06/35421;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

53.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de Secretaris van de Raad van State,

voor deze,