Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5250

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200607953/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) geweigerd aan appellant vergunning te verlenen voor de instandhouding van de particuliere beveiligingsorganisatie [naam bedrijf] en geweigerd aan appellant toestemming te verlenen voor het leidinggeven aan deze organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607953/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 06/153 van de rechtbank Almelo van 28 september 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft de Minister van Justitie (hierna: de minister) geweigerd aan appellant vergunning te verlenen voor de instandhouding van de particuliere beveiligingsorganisatie [naam bedrijf] en geweigerd aan appellant toestemming te verlenen voor het leidinggeven aan deze organisatie.

Bij besluit van 5 januari 2006 heeft de minister het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 september 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2007 heeft de minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2007, waar appellant in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.P. Drewes, werkzaam bij het ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr), is het verboden zonder vergunning van Onze Minister door de instandhouding van een beveiligingsorganisatie of recherchebureau beveiligingswerkzaamheden of recherchewerkzaamheden te verrichten of aan te bieden.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, verleend indien, gelet op de voornemens en antecedenten van de aanvrager of van de personen die het beleid van de aanvrager bepalen, naar redelijke verwachting zal worden voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 6 tot en met 10 gestelde regels en ook overigens zal worden gehandeld in overeenstemming met hetgeen van een goede beveiligingsorganisatie of een goed recherchebureau in het maatschappelijk verkeer mag worden verwacht.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, stelt een beveiligingsorganisatie of recherchebureau aan welke een vergunning is verleend geen personen te werk die belast zullen worden met de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van Onze Minister.

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt de toestemming, bedoeld in het eerste en tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

   Artikel 7, vijfde lid, is uitgewerkt in artikel 2.1 van de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de circulaire). Ingevolge dit artikel, voor zover hier van belang, wordt de toestemming aan personen bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wpbr, onthouden indien:

(…) op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat:

deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of

deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

2.2.    De minister heeft aan zijn besluit tot weigering van vergunning aan appellant tot de instandhouding van een beveiligingsorganisatie het vermoeden ten grondslag gelegd dat de vader van appellant, aan wie in het verleden meermalen zodanige vergunning is geweigerd, van deze vergunning gebruik zal gaan maken. Het besluit om aan appellant geen toestemming te verlenen voor het vervullen van een leidinggevende functie binnen de beveiligingsorganisatie, is door de minister genomen op de grond dat hij appellant, die onbekend is met de materie van de beveiliging, ongeschikt acht voor een dergelijke functie.

2.3.    In hoger beroep komt appellant op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zich, gelet op hetgeen ten tijde van de beslissing op bezwaar omtrent hem bekend was, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevraagde toestemming en vergunning mochten worden geweigerd op de grond dat hij niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

   Appellant betoogt hiertoe dat de rechtbank heeft miskend dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het onaannemelijk is dat appellant zelf leiding zal gaan geven aan de beveiligingsorganisatie waarvoor hij vergunning heeft gevraagd en dat de kans niet onaanzienlijk is dat de vader van appellant in deze organisatie bemoeienis zal krijgen. Daarnaast betoogt appellant dat hij over voldoende kennis beschikt om leiding te kunnen geven aan een beveiligingsorganisatie en dat zijn gebrek aan relevante werkervaring zal worden ondervangen door het aannemen van gediplomeerd personeel.

2.4.    Vooropgesteld wordt dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 maart 2002, in zaak no. 200103999/1), de minister beschikt over beoordelingsvrijheid met betrekking tot het verlenen van vergunning voor de instandhouding van een beveiligingsorganisatie en het verlenen van toestemming voor het leidinggeven aan een zodanige organisatie.

2.5.    Met de rechtbank overweegt de Afdeling dat de minister zich, op grond van hetgeen omtrent appellant blijkens het advies van de korpschef bekend was, op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet onaannemelijk is dat niet appellant, maar zijn vader, aan wie in het verleden meermalen zodanige vergunning is geweigerd, zich zal bezighouden met de bedrijfsvoering van de beveiligingsorganisatie. De jeugdige leeftijd van appellant, bezien in samenhang met de omstandigheden dat hij bij zijn vader woont, geen relevante opleiding heeft genoten en in tegenstelling tot zijn vader geen ervaring heeft in de beveiligingsbranche en de verklaring van de vader van appellant dat hij actief is in de bemiddeling van horecaportiers, zijn naar het oordeel van de Afdeling een voldoende onderbouwing van dit standpunt van de minister. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de door appellant gevraagde toestemming en vergunning moeten worden geweigerd, nu hij niet beschikt over de vereiste betrouwbaarheid en bekwaamheid. Het betoog van appellant faalt derhalve.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena      w.g. Den Broeder

Lid van de enkelvoudige kamer       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007

369-546.