Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5245

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200608332/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (hierna: het dagelijks bestuur) het besluit van 5 februari 2003 (nummer 03-5038) tot verlening van premie aan appellante ingetrokken en het uitgekeerde voorschot van € 51.046,00 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200608332/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "SNE Holding B.V.", gevestigd te Emmen,

appellante,

tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 06/606 en 06/834 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 9 oktober 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (hierna: het dagelijks bestuur) het besluit van 5 februari 2003 (nummer 03-5038) tot verlening van premie aan appellante ingetrokken en het uitgekeerde voorschot van € 51.046,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 2 maart 2006 heeft het dagelijks bestuur het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover hier van belang, het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 17 november 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 december 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

Bij brief van 22 februari 2007 heeft appellante een nadere memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. W.B. Bruins, advocaat te Emmen, en  [directeur] van appellante, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.E. van der Heijden en drs. C. van Rosendal, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 5 februari 2003 heeft de bestuurscommissie Economische Zaken van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland aan appellante een premie van maximaal € 63.807,00 verleend ten behoeve van het uitbreidingsproject ter zake van de nieuwbouw van een bedrijfspand aan de Waanderveld te Emmen. Na voltooiing van dat project is de elders in die gemeente door appellante gehuurde kantoorruimte in een bedrijfsgebouw buiten gebruik gesteld.

2.2.    Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2000 (hierna: de IPR 2000) omvatten de premiabele kosten, onverminderd de artikelen 10 en 11, kosten van verwerving van bedrijfsgebouwen.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de IPR 2000 worden de premiabele kosten recht evenredig verlaagd, indien gedurende het tijdvak tussen één jaar voor de indiening van de aanvraag en een jaar na de indiening van de aanvraag tot vaststelling van de premie als bedoeld in artikel 25 binnen de onderneming van de premieontvanger of binnen de groep waartoe die onderneming behoort, duurzame bedrijfsuitrusting of bedrijfsgebouwen buiten gebruik worden gesteld.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan, voor zover in de onderneming van de premieontvanger in de periode van drie jaar voorafgaande aan de indiening van de aanvraag bedrijfsgebouwen in gebruik zijn geweest die geen eigendom zijn of waren van de (toenmalige) eigenaar van de onderneming dan wel de groep waartoe deze behoort of behoorde, van het eerste lid worden afgeweken.

   Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt de in het eerste lid bedoelde verlaging berekend op basis van de capaciteit respectievelijk de vloeroppervlakte die buiten gebruik wordt gesteld in verhouding tot de capaciteit respectievelijk de vloeroppervlakte na uitvoering van het project.

   Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de IPR 2000 wordt een premie ten behoeve van een uitbreidingsproject geweigerd, indien de premiabele kosten minder dan € 453.780,00 bedragen.

   Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de IPR 2000, voor zover thans van belang, kan, onverminderd de artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), een besluit tot premieverlening worden ingetrokken, indien de premieontvanger niet voldoet aan de voorschriften van de Awb of van deze regeling.

2.3.    Naar aanleiding van een verzoek van appellante om vaststelling van de premie heeft een verificatieonderzoek plaatsgevonden waaruit onder meer is gebleken dat de in dit verband relevante buiten gebruik gestelde vloeroppervlakte 320 m2 in plaats van de in aanmerking genomen 160 m2 betrof, zodat de premiabele kosten na correctie en herberekening van de recht evenredige verlaging als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de IPR 2000 minder bedroegen dan het drempelbedrag van € 453.780,00. Bij besluit van 2 augustus 2005, zoals gehandhaafd bij de beslissing op bezwaar van 2 maart 2006, heeft het dagelijks bestuur vervolgens het besluit tot premieverlening ingetrokken en bepaald dat het reeds uitgekeerde voorschot van € 51.046,00 moet worden terugbetaald, omdat het uitbreidingsproject niet voldoet aan artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de IPR 2000.

2.4.    Niet in geschil is dat appellante vanaf 1 januari 1998 en derhalve eerder dan drie jaar voorafgaande aan de indiening van de premieaanvraag bij brief van 28 augustus 2002, in totaal 320 m2 kantoorruimte op de 7e en 8e etage in het kantoorpand aan de Westerstraat te Emmen huurde. Deze ruimte werd met de verhuizing naar het nieuwe pand afgestoten. Anders dan met betrekking tot de vanaf 1 juni 2001 gehuurde vloeroppervlakte van 160 m2 op de 2e etage van hetzelfde kantoorpand die toen eveneens is afgestoten, kan de vanaf 1 januari 1998 gehuurde vloeroppervlakte niet met toepassing van het vierde lid van artikel 10 van de IPR 2000, zoals dit artikelonderdeel mede gelet op de toelichting daarop moet worden uitgelegd, buiten beschouwing worden gelaten. Derhalve dient op grond van artikel 10, eerste lid, van de IPR 2000 in verband met het buiten gebruik stellen van bedrijfsgebouwen ten aanzien van die ruimte een correctie te worden toegepast in de vorm van een recht evenredige verlaging van de premiabele kosten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of die correctie ook moet gelden voor de 160 m2 vloeroppervlakte van de ruimte op de 8e etage. Volgens appellante was het niet mogelijk om alleen de 7e etage te huren en had zij alleen die etage feitelijk in gebruik omdat de 8e etage wegens de indeling ervan niet bruikbaar was. Appellante heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel een te beperkte uitleg aan de IPR 2000 heeft gegeven, nu het bij zijn beoordeling niet de omstandigheden van het geval in relatie tot de doelstelling van de IPR 2000, te weten het stimuleren van economische groei, heeft betrokken.

2.4.1.    Ingevolge artikel 10, vijfde lid, van de IPR 2000 wordt de zogenoemde afstootcorrectie berekend op basis van de vloeroppervlakte die buiten gebruik wordt gesteld in verhouding tot de vloeroppervlakte na de uitvoering van het project. Blijkens de toelichting op dit artikel wordt onder buitengebruikstelling ook verstaan de opzegging van (vaste) huurcontracten. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat het erom gaat op hoeveel vierkante meters vloeroppervlakte het opgezegde huurcontract betrekking had en dat daarbij niet van belang is hoeveel vierkante meters vloeroppervlakte daadwerkelijk werden benut. In de IPR 2000 noch in de toelichting zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het dagelijks bestuur bij de berekening van de afstootcorrectie slechts de daadwerkelijk in gebruik zijnde vloeroppervlakte op de 7e etage van 160 m2 had moeten betrekken. Dat de ruimte op de 8e etage door appellante niet werd gebruikt maakt dit, wat daar ook van zij, niet anders.

   De berekening van de afstootcorrectie op basis van de in de huurovereenkomst van 1 januari 1998 opgenomen vloeroppervlakte van 320 m2 is, anders dan appellante heeft betoogd, ook niet in strijd met het doel van de IPR 2000. Zoals ook duidelijk blijkt uit de toelichting op artikel 10 voorziet de recht evenredige verlaging van de premiabele kosten erin dat het premiebedrag meer in overeenstemming is met het netto effect van de investering. Indien gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig met de uitvoering van het uitbreidingsproject desinvesteringen plaatsvinden, bijvoorbeeld door het afstoten of buiten gebruik stellen van bestaande productiecapaciteit bij realisering van nieuwe, gepremieerde productiecapaciteit, wordt het positieve effect van de premie voor de regionale economie als gevolg van die desinvestering immers per saldo minder en doen dergelijke desinvesteringen daarmee afbreuk aan het doel van de IPR 2000. Het buiten gebruik stellen van kantoorruimte dient ook te worden aangemerkt als een dergelijke desinvestering. Door slechts de vloeroppervlakte mee te tellen die feitelijk wordt gebruikt in plaats van de gehuurde vloeroppervlakte, wordt deze desinvestering niet voldoende gecorrigeerd en wordt afbreuk gedaan aan het doel van de IPR 2000.

2.4.2.    Nu na de correctie en herberekening van de premiabele kosten op basis van een vloeroppervlakte van 320 m2 en een aantal niet in geschil zijnde correcties de premiabele kosten minder dan € 453.780,00 bedragen, is niet voldaan aan de uit artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de IPR 2000 voortvloeiende eis met betrekking tot de hoogte van de premiabele kosten. Indien ten tijde van de verlening van de premie de juiste gehuurde vloeroppervlakte bekend zou zijn geweest, zouden, gelet op de overige toen bekende en gehanteerde gegevens, de premiabele kosten onder het drempelbedrag zijn gebleven en zou de premie derhalve niet zijn verleend. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond oplevert voor het oordeel dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat het dagelijks bestuur in redelijkheid had behoren af te zien van het gebruikmaken van zijn discretionaire bevoegdheid ter zake, heeft het dagelijks bestuur op grond van artikel 20, eerste lid, van de IPR 2000 kunnen besluiten het besluit tot premieverlening van 2 augustus 2005 in te trekken. Het dagelijks bestuur heeft voorts terecht op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder b, van de IPR 2000 het uitgekeerde voorschot van € 51.046,00 teruggevorderd. Hetgeen appellante in de stukken overigens heeft aangevoerd, kan gelet op het vorenstaande buiten beschouwing blijven.

2.5.    Uit het vorenoverwogene volgt dat de voorzieningenrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. F.P. Zwart, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007

18-505.