Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200606554/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast het zonder bouwvergunning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) geplaatste woonverblijf te verwijderen.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 40
Wet op de openluchtrecreatie
Wet op de openluchtrecreatie 1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/306
JOM 2008/840
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606554/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/924 van de rechtbank Arnhem van 26 juli 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Barneveld (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast het zonder bouwvergunning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) geplaatste woonverblijf te verwijderen.

Bij besluit van 27 december 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juli 2006, verzonden op 28 juli 2006, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 5 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 september 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en het college. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 april 2007, waar [gemachtigde] in persoon en het college, vertegenwoordigd door J.J. Duijst, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het college heeft aan het besluit van 27 december 2005 onder meer ten grondslag gelegd de overweging dat voor de plaatsing van de stacaravan op het perceel een bouwvergunning nodig is aangezien sprake is van een bouwvergunningplichtig bouwwerk. Voorts valt de stacaravan volgens het college niet onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" (hierna: het bestemmingsplan).

2.2.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de stacaravan die zich op het perceel bevindt geen bouwvergunningplichtig bouwwerk betreft, aangezien de stacaravan een verplaatsbaar tijdelijk object is en een stacaravan in de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften bovendien als kampeermiddel wordt omschreven.

2.2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

   Ingevolge artikel 40, tweede lid, van de Woningwet is ingeval een caravan als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: Wor) is aan te merken als een bouwwerk, niettemin voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning vereist in de gevallen, bedoeld in het derde lid van genoemd artikel.

   Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wor wordt onder kampeermiddel verstaan tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

   Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wor is voor het plaatsen geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet vereist ingeval een caravan is aan te merken als een bouwwerk en het plaatsen geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

2.2.2.    Vast staat dat de stacaravan is geplaatst zonder dat daarvoor een bouwvergunning is verleend.

   Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de stacaravan als bouwwerk moet worden aangemerkt, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning is vereist. De opvatting van appellanten dat voor de onderhavige stacaravan geen vergunning is vereist nu het een verplaatsbaar tijdelijk object betreft dat van een bepaalde omvang is en is voorzien van wielen, is niet juist. Voldoende voor de vergunningplicht is dat de constructie op de plaats van bestemming hetzij direct, hetzij indirect steun vindt op de grond en een plaatsgebonden karakter heeft. Aan deze voorwaarden is, mede gezien de duur dat de stacaravan op het perceel is geplaatst, voldaan. Voorts is de stacaravan niet geplaatst in overeenstemming met de Wor. De in artikel 40, tweede lid, van de Woningwet opgenomen uitzondering doet zich derhalve niet voor. De omstandigheid dat in de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan een stacaravan als kampeermiddel is omschreven, maakt dit niet anders. Het betoog faalt.

2.2.3.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat de oorspronkelijke recreatieve bestemming van het perceel het niet onmogelijk maakt dat er een stacaravan aanwezig is, faalt. Appellanten hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat de stacaravan voor de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan op 12 juni 2001 op het perceel is geplaatst, zodat het overgangsrecht daarop niet van toepassing is. Overigens geldt, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 november 2006 in zaak no. 200601469/1, dat overgangsbepalingen niet kunnen strekken tot legalisering van bouwwerken die zonder de vereiste vergunning zijn opgericht en die niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan.

2.3.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hun beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Appellanten stellen dat zij ten onrechte zijn aangeschreven de caravan te verwijderen, nu in vergelijkbare andere gevallen niet handhavend wordt opgetreden. Appellanten wijzen op minimaal 40 soortgelijke situaties, in het bijzonder de situatie aan de Klein Hofweg 13. Voorts stellen appellanten dat hun situatie gelijk is aan die aan de Brunesengweg 2. In dit verband voeren zij aan dat het college de plaatsing van de stacaravan tijdens de periode van de aanvraag van de bouwvergunning voor de verbouw van de recreatiewoning en de feitelijke bouw heeft toegestaan.

2.4.1.    Dit betoog faalt. Vast staat dat appellanten de stacaravan enkele jaren geleden als tijdelijke woonvoorziening op het perceel hebben geplaatst en in gebruik hebben genomen, in afwachting van een bouwvergunning voor de verbouw van de recreatiewoning op het perceel. Tijdens een verbouwing aan een woning wordt door het college onder voorwaarden tijdelijk toestemming verleend voor de plaatsing van een stacaravan op het betreffende perceel. Het college stelt daarbij als voorwaarden dat voor de plaatsing van een stacaravan vooraf toestemming is gevraagd en verleend en dat voor de verbouwing een bouwvergunning is verleend. De verbouwing dient de plaatsing van een stacaravan voorts noodzakelijk te maken. Aan deze voorwaarden is blijkens de besluiten van 4 oktober 2004 en 27 december 2005 niet voldaan. In tegenstelling tot de situatie op het perceel van appellanten ten tijde van de beslissing op bezwaar, is ten aanzien van de situatie aan de Brunesengweg 2 gebleken dat voor de op dat perceel plaatsvindende verbouwing vooraf toestemming is gevraagd en verkregen voor het tijdelijk plaatsen van een stacaravan. Voorts is niet aannemelijk geworden dat er toezeggingen zijn gedaan door het college waaraan appellanten de gerechtvaardigde verwachting mochten ontlenen dat niet handhavend zou worden opgetreden tegen de plaatsing van de stacaravan. Uit het gespreksverslag van 14 juni 2004 kan naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer worden afgeleid dat het appellanten is toegestaan een stacaravan op het perceel te plaatsen. Dat appellanten inmiddels hebben besloten de bestaande recreatiewoning zodanig te renoveren dat hiervoor geen bouwvergunning nodig is, hetgeen het college ter zitting heeft bevestigd, maakt het vorenstaande niet anders, nu dit feit zich pas na de in dit geding te toetsen beslissing op bezwaar heeft voorgedaan.

   De 40 soortgelijke situaties, waaronder de situatie aan de Klein Hofweg 13, betreffen geen stacaravans maar zogenoemde noodwoningen. Het betreft hier noodwoningen, die dateren uit de periode van 1 januari 1988 tot 12 juni 2001, de datum van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan, die in dat bestemmingsplan niet positief zijn bestemd. De aanwezigheid van de stacaravan op het perceel dateert van na 12 juni 2001. De Afdeling ziet met de rechtbank geen reden te twijfelen aan de motivering van het college op dit punt. In de ter zitting door appellanten naar voren gebrachte situatie in omliggende gemeenten kan reeds geen schending van het gelijkheidsbeginsel besloten liggen omdat het andere gemeenten betreft.

2.5.    Nu voorts niet is gesteld dat anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan behoort te worden afgezien van handhavend optreden, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tot handhaving over te gaan.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                        w.g. Montagne

Lid van de enkelvoudige kamer             ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007

218-374