Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200606152/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 31 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor een prieel met schutting en een berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606152/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in de zaken nos. 05/6584 en 06/6585 van de rechtbank Haarlem van 11 juli 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Velsen.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 31 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Velsen (hierna: het college) geweigerd appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor een prieel met schutting en een berging op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij twee besluiten van 22 februari 2005 - een betreffende een prieel met schutting, het ander betreffende een berging - heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juli 2005 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door appellant daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden besluiten van 22 februari 2005 vernietigd.

Bij twee besluiten van 18 oktober 2005 - een betreffende een prieel met schutting, het ander betreffende een berging - heeft het college het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2006, verzonden op 13 juli 2006, heeft de rechtbank het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 september 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 13 november 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2007, waar appellant, in persoon, bijgestaan door mr. W.G.C. Wijsman, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Broere, werkzaam bij de gemeente Velsen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Velsen-Oost", rust op het perceel de bestemming "onbebouwd erf".

   Het prieel, in de stukken ook aangeduid als overkapping, de schutting, die twee meter hoog is, en de berging, die op het perceel vóór de voorgevelrooilijn zijn gerealiseerd, zijn in strijd met de bestemming.

2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beoordelings- en beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college niet in redelijkheid tot zijn besluit de vrijstelling te weigeren is kunnen komen. De rechtbank heeft evenwel ten onrechte geoordeeld dat aan het door het college vastgestelde "Beleid Handhaving Bouwen en Gebruik", op grond waarvan overtredingen die geen grote impact hebben op de omgeving en waarbij de veiligheid niet in het geding is, niet zullen worden aangepakt, in dit verband geen betekenis toekomt omdat dat beleid eerst aan de orde is indien tot handhaving wordt overgegaan.

2.3.    De rechtbank heeft in haar uitspraak van 26 juli 2005, die gezag van gewijsde heeft, op basis van namens het college ter zitting gedane mededelingen vastgesteld dat het vorenbedoelde generaal pardonbeleid in het kader van de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking wordt genomen. Gelet hierop kwam aan het college bij het nemen van nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellant niet langer de vrijheid toe zich op het standpunt te stellen dat het generaal pardonbeleid in het kader van het verzoek om vrijstelling niet aan de orde is. Gelet hierop ontberen de beslissingen op bezwaar een draagkrachtige motivering en komen deze wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

2.4.    Nu de aangevallen uitspraak reeds hierom geen stand kan houden, kan hetgeen appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd buiten beschouwing blijven.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en de beslissingen op bezwaar van het college van 18 oktober 2005 vernietigen.

2.6.    Bij de te nemen nieuwe beslissingen op bezwaar behoort het college na te gaan of het generaal pardonbeleid aanleiding geeft tot het verlenen van vrijstelling. Weliswaar heeft het college gesteld dat dit beleid op de onderhavige bouwwerken niet van toepassing is, omdat de bouwwerken aan elkaar zijn vast gebouwd, doch uit de tekst van het "Beleid Handhaving Bouwen en Gebruik" blijkt niet dat als voorwaarde is gesteld dat het om losstaande bouwwerken moet gaan. Voorts dient bij de beantwoording van de vraag of de bouwwerken een grote impact op de omgeving hebben te worden betrokken de stelling van appellant dat de bouwwerken vanaf de openbare weg niet of nauwelijks zichtbaar zijn, gelegen zijn tegenover een brandweergarage met een groenvoorziening en een kruising met intensief gemotoriseerd verkeer en in de directe omgeving van zijn woning uitbouwen zijn gerealiseerd die zich eveneens vóór de voorgevelrooilijn bevinden.

2.7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 juli 2006 in de zaken nos. 05/6584 en 06/6585;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Velsen van 18 oktober 2005, een betreffende een prieel met schutting, het ander betreffende een berging;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Velsen tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 340,33 (zegge: driehonderdveertig euro en drieëndertig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 349,00 (zegge: driehonderdnegenenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink                         w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer              ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007

202