Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200607813/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2005 heeft het College van toezicht op de zorgverzekeringen (hierna: CTZ) een verzoek van appellante om gebruik te maken van zijn toezichtsbevoegdheden ten aanzien van de onderlinge waarborgmaatschappijen met uitgesloten aansprakelijkheid "O.W.M. zorgverzekeraar DSW u.a." (hierna: DSW) vanwege onrechtmatige en ondoelmatige bestedingen ter zake van het exploiteren van apotheken in Nootdorp en Ypenburg en handhavend tegen de deelneming van DSW in Apotheek Ypernburg op te treden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2007, 121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607813/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Apotheek Nootdorp B.V.", gevestigd te Nootdorp,

appellante,

en

de Nederlandse Zorgautoriteit (voorheen: het College van toezicht op de zorgverzekeringen),

verweerster.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2005 heeft het College van toezicht op de zorgverzekeringen (hierna: CTZ) een verzoek van appellante om gebruik te maken van zijn toezichtsbevoegdheden ten aanzien van de onderlinge waarborgmaatschappijen met uitgesloten aansprakelijkheid "O.W.M. zorgverzekeraar DSW u.a." (hierna: DSW) vanwege onrechtmatige en ondoelmatige bestedingen ter zake van het exploiteren van apotheken in Nootdorp en Ypenburg en handhavend tegen de deelneming van DSW in Apotheek Ypernburg op te treden afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2006 heeft CTZ het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 januari 2007 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: NZa), rechtsopvolger van CTZ, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 februari 2007 heeft appellante hierop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. K. van Berloo, advocaat te Utrecht, en de NZa, vertegenwoordigd door mr. M.M. Janssen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is daar DSW Apotheken B.V., vertegenwoordigd door mr. J.D. Loorbach, gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.1.1 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet, die in werking is getreden op 1 januari 2006, is de Ziekenfondswet met ingang van die dag ingetrokken.

   Ingevolge artikel 2.1.2, tweede lid, is ten aanzien van bezwaar en beroep tegen een besluit op grond van het bepaalde bij of krachtens paragraaf 2.1 het recht, zoals dat gold, voorafgaand aan het tijdstip van intrekking van de Ziekenfondswet, van toepassing.

   Ingevolge artikel 1x8, eerste lid, van de Ziekenfondswet kan CTZ uit hoofde van zijn toezichthoudende taak een aanwijzing geven aan een uitvoeringsorgaan.

   Ingevolge het vierde lid kan het bestuursdwang toepassen, indien het uitvoeringsorgaan niet binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, aan de aanwijzing voldoet.

   Ingevolge artikel 1x9, eerste lid, kan het een ziekenfonds geheel of gedeeltelijk onder bewind stellen, indien het van oordeel is dat bij het ziekenfonds sprake is van wanbeheer of dat een toestand dreigt te ontstaan waarin het ziekenfonds zijn taak niet naar behoren vervult. De onderbewindstelling beslaat ten hoogste twee jaar en kan telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd.

   Ingevolge artikel 21, derde lid, kan het vaststellen dat uitgaven van een ziekenfonds niet verantwoord waren, voor zover deze door hem niet noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van de verzekering ingevolge deze wet.

2.2.    Appellante betoogt dat CTZ ten onrechte heeft nagelaten handhavend op te treden tegen de oneerlijke concurrentie die zij ondervindt van in het bijzonder apotheek Ypenburg, die DSW in 2005 met publieke ziekenfondsgelden in het leven heeft geroepen.

2.3.    Bij de inwerkingtreding van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet is de bepaling van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 dat de ziekenfondsen die overeenkomstig de Ziekenfondswet zijn toegelaten niet als verzekeringsbedrijf worden beschouwd vervallen. Als gevolg daarvan mogen de zorgverzekeraars geen apotheek als nevenactiviteit exploiteren. Niet in geschil is dat DSW sinds 31 december 2005 geen apotheek exploiteert, zodat op die dag een einde is gekomen aan de situatie, waartegen appellante wenste dat CTZ zou optreden.

2.3.1.    Appellante kan met het beroep niet bereiken dat de gelden die DSW vóór 1 januari 2006 in apotheek Ypenburg heeft geïnvesteerd, van DSW dan wel de apotheek, kunnen worden teruggevorderd. Ook indien DSW, zoals appellante stelt, ziekenfondsgelden onrechtmatig of ondoelmatig heeft besteed, door in apotheek Ypenburg te investeren en deze onderneming onder de marktwaarde onderhands te verkopen en de concurrentieverhoudingen daardoor zijn verstoord, kon CTZ deze bestedingen van DSW krachtens de Ziekenfondswet, noch krachtens de Zorgverzekeringswet ongedaan maken, dan wel gelden terugvorderen. CTZ kon slechts vaststellen dat uitgaven niet verantwoord waren.

   Appellante heeft voorts niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij ten gevolge van de weigering van CTZ om handhavend op te treden, als door appellante verzocht, schade heeft geleden. De enkele stelling dat, wanneer CTZ zou vaststellen dat de bestedingen van DSW niet verantwoord waren, bij de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding zou kunnen worden ingesteld, is onder die omstandigheden onvoldoende voor het aannemen van belang van appellante bij het door haar ingestelde beroep.

2.4.    De conclusie is dat appellante geen belang heeft bij het door haar tegen het besluit van 18 september 2006 ingestelde beroep en het daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.

w.g.                  w.g. Poot

Voorzitter            ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007

362