Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200607633/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft verweerder appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de bij het besluit van 26 oktober 2001 gestelde nadere eis voor de horecagelegenheid gelegen op het perceel Ina Boudier Bakkerlaan 153 te Utrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607633/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Chez Bé Bé", gevestigd te Utrecht,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2005 heeft verweerder appellante een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de bij het besluit van 26 oktober 2001 gestelde nadere eis voor de horecagelegenheid gelegen op het perceel Ina Boudier Bakkerlaan 153 te Utrecht.

Bij besluit van 24 maart 2006, verzonden op 28 maart 2006, heeft verweerder het door appellante hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 8 mei 2006, ingekomen bij de arrondissementsrechtbank Utrecht op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2006.

Bij brief van 19 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft deze geschriften met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Raad van State.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door R. Pieterson, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. de Werker, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 26 oktober 2001 heeft verweerder op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) in samenhang met voorschrift 4.1.4, aanhef en onder a en d, van de bijlage van het Besluit een nadere eis gesteld met betrekking tot het voldoen aan voorschrift 1.1.1 van de bijlage van het Besluit. Op grond van de nadere eis moet de in de inrichting aanwezige muziekinstallatie zijn afgesteld met een verzegelde limiter op respectievelijk 103, 98, en 93 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Voor housemuziek bedraagt het toelaatbare muziekgeluidniveau respectievelijk 97, 92 en 87 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode. Gedurende de tijd dat er muziekgeluid geproduceerd wordt, dienen deuren en ramen van de inrichting gesloten te worden gehouden.

   Bij het bestreden besluit heeft verweerder de last onder dwangsom, die bij besluit van 13 juli 2005 is opgelegd, gehandhaafd.

2.2.    Appellante voert aan dat de bij besluit van 26 oktober 2001 opgelegde nadere eis niet voor haar geldt, nu deze niet aan haar maar aan de vereniging "Vereniging IBB" is opgelegd.

2.3.    Niet in geschil is dat appellante sinds circa vijf jaar de exploitante is van de onderhavige inrichting, zodat zij degene is die de inrichting drijft, als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Besluit. Zij moet er zorg voor dragen dat de nadere eis wordt nageleefd. Voor zover appellante stelt dat zij niet bekend was met de gestelde nadere eis, merkt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 19 juli 2006, in zaak no. 200510482/1 op, dat appellante voorafgaand aan het opleggen van de bestreden last onder dwangsom geacht moet worden bekend te zijn geweest met de gestelde nadere eis. Het betoog van appellante kan derhalve niet slagen.

2.4.    Appellante stelt voorts dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat er een overtreding heeft plaatsgevonden van de bij besluit van 26 oktober 2001 opgelegde nadere eis. Volgens haar heeft zich geen geluidoverlast voorgedaan, als gevolg van de sluiswerking van de ruimte tussen de buitendeur en de interne tussendeur, en kan er dus ook geen overtreding van de voor de inrichting geldende geluidnormen zijn geconstateerd.

2.5.    Op 17 april 2005 is om ongeveer 01.00 en 01.45 uur geconstateerd dat de buitendeur van de inrichting, langer dan noodzakelijk om bezoekers in- en uit te laten, openstond terwijl er muziekgeluid werd geproduceerd. Verweerder heeft deze constateringen ten grondslag gelegd aan de opgelegde last onder dwangsom. Ter zitting heeft appellante desgevraagd erkend dat de buitendeur op de hiervoor aangeduide tijden langer geopend is gebleven dan nodig was voor het in- en uitlaten van bezoekers. Uit het proces-verbaal blijkt dat ten tijde van de eerste constatering tevens de interne tussendeur niet slechts geopend was voor het in- en uitlaten van bezoekers. Hetzelfde valt daaruit niet af te leiden voor de situatie ten tijde van de tweede constatering.

   Uit de stukken en het verklaarde ter zitting concludeert de Afdeling dat in strijd is gehandeld met de bij het besluit van 26 oktober 2001 opgelegde nadere eis, die - zoals verweerder heeft aangevoerd - redelijkerwijs zo moet worden geïnterpreteerd dat de buitendeur van de inrichting tijdens het produceren van muziekgeluid gesloten dient te zijn, behoudens het in- en uitlaten van bezoekers, teneinde te kunnen voldoen aan de voor de inrichting geldende geluidnormen. Het al dan niet gesloten zijn van de interne tussendeur, wat de situatie geweest moge zijn tijdens de geconstateerde overtredingen, maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders. Gezien het vorenstaande kon verweerder ter zake handhavend optreden.

2.6.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.    Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan behoort te worden afgezien van handhaving, heeft verweerder de last onder dwangsom op goede gronden opgelegd en in bezwaar op goede gronden gehandhaafd.

2.8.    Het beroep is ongegrond.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll                           w.g. Van Leeuwen

Lid van de enkelvoudige kamer       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007

373-541.