Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5233

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200605936/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap "Afvalzorg Deponie B.V." een vergunning verleend als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het voor een periode van 10 jaar lozen van afvalwater op het Noordzeekanaal en Zijkanaal D en het brengen van afvalstoffen, verontreinigende stoffen en/of schadelijke stoffen anders dan via een werk op Zijkanaal D, afkomstig van Afvalzorg Deponie, stortplaats Nauernasche Polder, gelegen aan de Nauerna 1 te Assendelft. Dit besluit is op 20 juli 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200605936/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2006 heeft verweerder aan de besloten vennootschap "Afvalzorg Deponie B.V." een vergunning verleend als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren voor het voor een periode van 10 jaar lozen van afvalwater op het Noordzeekanaal en Zijkanaal D en het brengen van afvalstoffen, verontreinigende stoffen en/of schadelijke stoffen anders dan via een werk op Zijkanaal D, afkomstig van Afvalzorg Deponie, stortplaats Nauernasche Polder, gelegen aan de Nauerna 1 te Assendelft. Dit besluit is op 20 juli 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 december 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2007, waar  verweerder vertegenwoordigd door mr. drs. Van Gellekom en ing. W.K.J. Heeren, beiden ambtenaar van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, is verschenen. Appellant is niet ter zitting verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door ir. A. de Wit, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Wet uov) en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (hierna: Aanpassingswet) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het geding.

   Het bij deze wetten behorende overgangsrecht is geregeld in artikel IV van de Wet uov, zoals dat artikel luidt na wijziging bij de Aanpassingswet. Ingevolge artikel IV, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals het gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet uov van toepassing ten aanzien van besluiten die zijn aangevraagd vóór dat tijdstip.

   Het bestreden besluit is vóór de inwerkingtreding van de Wet uov op 1 juli 2005 aangevraagd, namelijk op 13 april 2005, bij verweerder ingekomen op 15 april 2005. Op het geding zijn daarom de bepalingen van de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht zoals die luidden vóór deze bij de Wet uov en de Aanpassingswet werden gewijzigd, van toepassing.    

2.2.    Verweerder stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat appellant geen belanghebbende bij het bestreden besluit zou zijn.

   Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, gelezen in samenhang met artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door - onder meer - degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Vaststaat dat appellant tijdig bedenkingen heeft ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat appellant ontvankelijk is in zijn beroep.

2.3.    Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

   Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4.    Appellant vreest dat door de vergunde lozingen het oppervlaktewater dusdanig zal verontreinigen dat de kwaliteit van dit water als viswater zal verslechteren. Appellant stelt hierdoor schade te zullen lijden omdat de lozingen plaatsvinden in oppervlaktewateren die tot zijn werkterrein als beroepsvisser behoren.

2.4.1.    Verweerder voert aan dat de verleende vergunning ziet op verlenging van reeds eerder vergunde lozingen. De vergunde activiteiten wijzigen dan ook niet. Ten aanzien van de lozing van afvalwater op het Noordzeekanaal merkt verweerder op dat de in de vergunning begrepen uitbreiding van de biologische zuivering zal leiden tot een verdere beperking van de verontreiniging. Deze uitbreiding is nodig in verband met de toenemende neerslaghoeveelheid. Met het oog op deze optimalisatie van het zuiveringsproces is in het aan de vergunning verbonden voorschrift 3 een aangepaste - strengere - normering opgenomen voor totaal-stikstof (totaal-N) vanaf 1 januari 2008.

2.4.2.    Verweerder heeft ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid de Derde en Vierde Nota Waterhuishouding gehanteerd. Ingevolge dit beoordelingskader moet de verontreiniging, ongeacht de stofsoort die wordt geloosd, zoveel mogelijk worden beperkt. Daarbij geldt dat voor de stoffen als bedoeld in lijst I van de bijlage van de richtlijn 76/464/EEG, de verontreiniging door deze stoffen in beginsel moet worden beëindigd. Sanering dient aan de bron te geschieden door toepassing van de beste beschikbare technieken. Indien na toepassing van deze technieken de restlozing tot onaanvaardbare concentraties in het oppervlaktewater leidt, dan zijn verdergaande maatregelen nodig.

2.5.    De Afdeling stelt op basis van de stukken vast dat verweerder reeds bestaande lozingen van afvalwater dat afkomstig is uit de baggerspecieverwerking respectievelijk de biologische waterzuivering  opnieuw heeft vergund. De aan de vergunning verbonden lozingseisen zijn niet veranderd ten opzichte van de eerder vergunde lozingen. Volgens verweerder voldoen de maatregelen om deze lozingen te beperken aan de beste beschikbare technieken. Onvoldoende gesteld noch gebleken is dat deze maatregelen onvoldoende zijn om de verontreinigingen zoveel mogelijk te beperken dan wel dat door de lozingen de kwaliteit van het oppervlaktewater verder zal verslechteren. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zal de vergunde lozing op het Noordzeekanaal door middel van de - inmiddels gerealiseerde - uitbreiding van de biologische zuivering leiden tot een verdere beperking van de verontreiniging. De met het oog op deze verbetering aan de vergunning verbonden lozingseis voor totaal-stikstof (totaal-N) van gemiddeld 100 mg/l, die geldt vanaf 1 januari 2008, en neerkomt op een stikstofreductie van 70%, moet blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting als de hoogst haalbare worden aangemerkt. Ter zitting heeft vergunninghoudster aangegeven dat de uitbreiding van de biologische zuivering naar verwachting functioneert.

Niet is gebleken dat de restlozing tot onaanvaardbare concentraties in het oppervlaktewater leidt. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden tegen onaanvaardbare aantasting van de kwaliteit van het oppervlaktewater.

    Ten aanzien van de door appellant gevreesde economische schade overweegt de Afdeling dat, wat hier ook van moge zijn, nu de vergunde lozing niet tot onaanvaardbare concentraties in het oppervlaktewater leidt, er voor verweerder geen aanleiding behoefde te zijn de gevraagde vergunning te weigeren, dan wel aanvullende voorschriften aan de vergunning te verbinden.

2.6.    Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.P.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007

159-529.