Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5225

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200703163/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2007 heeft verweerder (hierna: het centraal stembureau) - onder meer - de door appellante onder de aanduiding "NEDERLANDSE KLOKKENLUIDERS PARTIJ (NKP)" ingediende kandidatenlijsten voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007/219 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200703163/1.

Datum uitspraak: 10 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

De vereniging "LPF Leeuwarden" met als verkorte naam "Nederlandse Klokkenluiders Partij (NKP)", gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

en

het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2007 heeft verweerder (hierna: het centraal stembureau) - onder meer - de door appellante onder de aanduiding "NEDERLANDSE KLOKKENLUIDERS PARTIJ (NKP)" ingediende kandidatenlijsten voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal ongeldig verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 4 mei 2007, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brieven, per fax ingekomen op 6 en 7 mei 2007.

Op 7 mei 2007 heeft het centraal stembureau een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2007, waar het centraal stembureau, vertegenwoordigd door mr. J. Schipper-Spanninga en mr. R. Hoorweg, secretaris-directeur respectievelijk plaatsvervangend secretaris-directeur van de Kiesraad, is verschenen. Appellante heeft zich - zonder bericht - niet doen vertegenwoordigen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel R 1, eerste lid, van de Kieswet kunnen op de dag van de kandidaatstelling bij de commissaris van de Koning of een door gedeputeerde staten aangewezen lid van dat college, van negen tot zeventien uur kandidatenlijsten door persoonlijke overhandiging worden ingeleverd.

   Ingevolge artikel R 2 van de Kieswet, voor zover thans van belang, wordt iedere kandidatenlijst ondertekend door ten minste één lid van provinciale staten.

   Ingevolge artikel R 8, eerste lid, van de Kieswet wordt bij de lijst overgelegd een schriftelijke verklaring van iedere daarop voorkomende kandidaat dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op deze lijst.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt bij de lijst van iedere kandidaat die geen zitting in de Eerste Kamer heeft, tevens een kopie van een geldig legitimatiebewijs overgelegd. Indien van een dergelijke kandidaat een kopie van een geldig legitimatiebewijs ontbreekt, wordt de verklaring van instemming van de betreffende kandidaat geacht te ontbreken.

   Ingevolge artikel S 1, tweede lid, van de Kieswet houdt het centraal stembureau een zitting tot het onderzoeken van de kandidatenlijsten.

   Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a en c, van dit artikel, voor zover thans van belang, geeft het centraal stembureau, indien bij het onderzoek blijkt van het verzuim dat de lijst niet is ondertekend door ten minste één lid van provinciale staten, onderscheidenlijk het verzuim dat ten aanzien van een kandidaat de verklaring ontbreekt dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op de lijst, daarvan onverwijld bij aangetekende brief of tegen gedagtekend ontvangstbewijs kennis aan degene die de lijst heeft ingeleverd.

   Ingevolge artikel S 3, aanhef en onder a en b, van de Kieswet is de lijst ongeldig die niet op de dag van de kandidaatstelling tussen negen en zeventien uur bij de commissaris van de Koning of het daartoe aangewezen lid van gedeputeerde staten door persoonlijke overhandiging is ingeleverd, onderscheidenlijk niet overeenkomstig het bepaalde in artikel R 2 is ondertekend.

2.2.    Appellante heeft in alle Nederlandse provincies kandidatenlijsten ingeleverd voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer op dinsdag 29 mei 2007. In het proces-verbaal van de zitting van het centraal stembureau tot het onderzoeken van de ingeleverde kandidatenlijsten van 27 april 2007, die op de voet van artikel S 1, tweede lid, van de Kieswet is gehouden, heeft het centraal stembureau vastgesteld dat de kandidatenlijsten van appellante in alle provincies per fax dan wel per e-mail zijn ingeleverd, terwijl artikel R 1, eerste lid, van de Kieswet voorschrijft dat kandidatenlijsten door persoonlijke overhandiging moeten worden ingeleverd. Het centraal stembureau heeft daaraan toegevoegd dat dit gebrek in artikel S 1, derde lid, van de Kieswet niet is aangemerkt als een herstelbaar verzuim. Voorts zijn bij dat onderzoek met betrekking tot de in alle provincies ingeleverde kandidatenlijsten onder meer de volgende verzuimen geconstateerd:

- dat de lijst niet is ondertekend door ten minste één lid van provinciale staten;

- dat ten aanzien van [kandidaat] de verklaring dat hij instemt met zijn kandidaatstelling op de lijst ontbreekt;

- dat ten aanzien van [kandidaat] geen kopie van een geldig legitimatiebewijs is overgelegd.

   Volgens het proces-verbaal van de zitting van het centraal stembureau, die op de voet van artikel S 2 van de Kieswet op donderdag 3 mei 2007 is gehouden, heeft het centraal stembureau de door appellante ingediende kandidatenlijsten voor alle provincies behalve Fryslân ongeldig verklaard op de gronden dat die kandidatenlijsten niet door persoonlijke overhandiging op de dag van de kandidaatstelling tussen negen en zeventien uur bij de commissaris van de Koning of het daartoe aangewezen lid van gedeputeerde staten zijn ingeleverd en dat zij niet zijn ondertekend door ten minste één lid van provinciale staten. Voor de provincie Fryslân is de lijst ongeldig verklaard omdat deze niet is ondertekend door ten minste één lid van provinciale staten.

   Bij brief van 3 mei 2007 heeft het centraal stembureau aan appellante meegedeeld dat het na de zitting van 27 april 2007 en na verzending van de brief van die datum heeft geconstateerd dat de kandidatenlijst in de provincie Fryslân wel door persoonlijke overhandiging is ingeleverd. Het centraal stembureau heeft bij deze brief verder aan appellante meegedeeld dat kiesrechtelijke besluiten in het algemeen, dus ook het eerdere besluit van 27 april 2007, niet kunnen worden teruggedraaid. Daaraan heeft het centraal stembureau toegevoegd dat de Kieswet de mogelijkheid biedt om tegen het besluit van 3 mei 2007 over de geldigheid van de kandidatenlijsten, binnen vier dagen beroep aan te tekenen bij de Afdeling. Daarbij heeft het centraal stembureau voorts vermeld dat indien appellante beroep instelt, het centraal stembureau de Raad van State zal verzoeken voor de door appellante ingediende lijst in de provincie Fryslân artikel I 8 (lees: S 6) van de Kieswet analoog van toepassing te verklaren op deze situatie en dat dit zou kunnen betekenen dat appellante alsnog de verzuimen ten aanzien van die lijst alleen voor de provincie Fryslân kan herstellen.

2.3.    Appellante betoogt dat in artikel R 1 van de Kieswet voorheen niet het vereiste was opgenomen om kandidatenlijsten door persoonlijke overhandiging in te leveren. Zij stelt dat kandidatenlijsten ook anders dan door persoonlijke overhandiging kunnen worden ingeleverd. Indien een inleveraar door calamiteiten buiten staat is de lijsten door persoonlijke overhandiging in te leveren moet dit op een andere manier kunnen, zoals per telefax, telex, koerier of e-mail. Appellante stelt voorts van opvatting te zijn dat het hier niet gaat om een niet-herstelbaar gebrek of verzuim zoals limitatief opgenomen in artikel S 1, derde lid, van de Kieswet.

2.3.1.    Dit betoog slaagt niet.

   De Kieswet vereist in artikel R 1 uitdrukkelijk dat kandidatenlijsten door persoonlijke overhandiging worden ingeleverd. Dit sluit inlevering op een andere wijze dan door persoonlijke overhandiging - waarbij in het midden wordt gelaten wie die persoon dient te zijn - uit. De wetgever heeft na een advies van de Kiesraad van 5 oktober 1999, waarin is uiteengezet waarom hij hecht aan een inlevering in persoon, de formulering van artikel R 1, eerste lid, van de Kieswet bij wetswijziging van 20 december 2001 aangepast, zodat dat vereiste thans expliciet in de wet is opgenomen. In artikel S 1, derde lid, van de Kieswet wordt het gebrek van persoonlijke overhandiging niet aangemerkt als een verzuim dat ingevolge het vierde lid van dit artikel kan worden hersteld. De Kieswet biedt ook anderszins niet de mogelijkheid dit gebrek te herstellen. Aan de bepalingen van de Kieswet dient strikt de hand te worden gehouden. Appellante heeft de constatering van het centraal stembureau dat zij aan dit vereiste in alle provincies behalve Fryslân niet heeft voldaan, niet weersproken. Het centraal stembureau heeft dan ook terecht met toepassing van artikel S 3 van de Kieswet op deze grond de door appellante in alle provincies behalve Fryslân ingeleverde kandidatenlijsten ongeldig verklaard.

2.4.    Appellante betoogt voorts dat zij de kandidatenlijst in de provincie Fryslân wel door persoonlijke overhandiging heeft ingeleverd. Zij stelt dat de Kieswet haar ingevolge artikel I 8 (bedoeld is: S 6) de mogelijkheid biedt de in artikel S 1, derde lid, van die wet vermelde verzuimen alsnog ter secretarie van de Raad van State te herstellen.

2.4.1.    Het centraal stembureau heeft de Afdeling in zijn verweerschrift en ter zitting verzocht appellante in de gelegenheid te stellen de verzuimen met betrekking tot de in de provincie Fryslân ingediende lijst alsnog te herstellen, omdat het centraal stembureau eerst op 3 mei 2007 heeft ontdekt dat het tijdens de zitting van 27 april 2007 ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante de lijst ook in die provincie niet door persoonlijke overhandiging had ingeleverd en daarbij heeft vermeld dat dit een onherstelbaar gebrek betrof. Volgens het centraal stembureau valt daarom niet uit te sluiten dat appellante geen poging heeft ondernomen de wel herstelbare verzuimen te herstellen vanuit de gedachte dat dit toch zinloos was.

   De Afdeling ziet, nu sprake is van een fout van het centraal stembureau die doorwerkt in het besluit van 3 mei 2007, geen aanleiding deze redenering van het centraal stembureau niet te volgen. Zij heeft appellante na de zitting van 8 mei 2007 in de gelegenheid gesteld tot woensdag 9 mei 2007 12.00 uur de hiervoor in overweging 2.2 genoemde drie verzuimen, die ingevolge artikel S 6, gelezen in samenhang met artikel S 1, derde lid, van de Kieswet kunnen worden hersteld, ter secretarie van de Raad van State te herstellen. Appellante heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Aangezien het verzuim dat de kandidatenlijst niet door ten minste één lid van provinciale staten is ondertekend, niet is hersteld, is de lijst ingevolge het bepaalde in artikel S 3, aanhef en onder b, van de Kieswet ongeldig. Het centraal stembureau heeft de door appellante in de provincie Fryslân ingeleverde kandidatenlijst dan ook terecht ongeldig verklaard, zodat het besluit van 3 mei 2007 in stand kan blijven.

2.5.    Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak        w.g. Dallinga

Voorzitter       ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007

18-507.