Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA5206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
16-05-2007
Zaaknummer
200607665/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland het wijzigings- en uitwerkingsplan "Wijziging, tevens uitwerking van het bestemmingsplan Drachtstervaart" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/4933
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607665/1.

Datum uitspraak: 16 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland het wijzigings- en uitwerkingsplan "Wijziging, tevens uitwerking van het bestemmingsplan Drachtstervaart" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 11 juli 2006, kenmerk 00647483, beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 17 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 oktober 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 20 november 2006.

Bij brief van 11 januari 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2007, waar appellanten, in persoon, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland, vertegenwoordigd door mr. J. Jukema en mr. E. Ridder, ambtenaren van de gemeente. Verweerder is met voorafgaande berichtgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

Toetsingskader

2.1.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigings- en uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen en dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen en gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.2.    Het wijzigings- en uitwerkingsplan "Wijziging, tevens uitwerking van het bestemmingsplan Drachtstervaart" (hierna: het plan) is gebaseerd op het bestemmingsplan "Drachtstervaart" (hierna: het bestemmingsplan), dat door de gemeenteraad is vastgesteld bij besluit van 3 juli 2001. Het plan voorziet onder meer in een verschuiving van de bestemmingsgrens tussen het gebied met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden 1" en het gebied met de bestemming "Woongebied 1". De bedoelde bestemmingsgrens wordt in zuidelijke richting verschoven.

Het standpunt van appellanten

2.3.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid nu, door het ontbreken van de bestemmingsgrenzen op de plankaart van het bestemmingsplan, geen sprake kan zijn van een andere situering van de bestemmingsgrenzen. Volgens appellanten leidt het plan tot aantasting van het woon- en leefklimaat. In dit kader stellen appellanten dat de oorspronkelijke verkavelingsopzet voor het plangebied ten onrechte is gewijzigd waardoor de bebouwingsdichtheid van het gebied is toegenomen. Voorts vrezen zij dat op de gronden met de bestemming "Woongebied 1" meer dan 90 woningen zullen worden gebouwd.

Het bestreden besluit

2.4.    Verweerder heeft het plan niet in strijd met het recht of een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Hij heeft daartoe overwogen dat door de verschuiving van de bestemmingsgrens het gebied met de bestemming "Woongebied 1" wordt verkleind met ongeveer 3% zodat van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat geen sprake kan zijn. Hij stelt zich voorts op het standpunt dat door verschuiving van de bestemmingsgrens het maximum toegestane aantal van 90 woningen op de gronden met de bestemming "Woongebied 1" niet wordt overschreden.

De vaststelling van de feiten

2.5.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.5.1.    In het bestemmingsplan is aan de gronden ten noorden van de bedoelde bestemmingsgrens de bestemming "Uit te werken woondoeleinden 1" toegekend. De gronden ten zuiden van de bedoelde bestemmingsgrens hebben de bestemming "Woongebied 1".

   Ingevolge artikel 7, lid A2, onder 2, onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan mogen op de gronden met de bestemming "Woongebied 1" uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

(…);

b.    ten minste 70 woningen dienen te worden gebouwd en ten hoogste 90 woningen mogen worden gebouwd;

(…).

2.5.2.    Ingevolge artikel 25 van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO het plan met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op:

(…);

d.    een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bestemmings- en/of bebouwingsgrenzen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de uitvoering van een bouwplan waarvan realisering wenselijk of noodzakelijk wordt geacht, nodig zijn, mits de oppervlakte van een bestemmings- en/of bebouwingsvlak met niet meer dan 20% wordt gewijzigd;

(…).

2.5.3.    Het college van burgemeester en wethouders stelt in de reactie op het beroepschrift dat het onderhavige plan is opgesteld met het doel de bestemmingsgrenzen in het betrokken gebied af te stemmen op de in een later stadium dan het bestemmingsplan vastgestelde verkaveling van het gebied. Volgens voornoemde reactie wordt door verschuiving van de bestemmingsgrens tussen de gronden met de bestemming "Uit te werken woondoeleinden 1" en de gronden met de bestemming "Woongebied 1" het maximum toegestane aantal van 90 woningen in het gebied met de bestemming "Woongebied 1" niet overschreden. Volgens het college van burgemeester en wethouders wordt de bestemmingsgrens ongeveer tussen de 6 en 25 meter in zuidelijke richting verplaatst waardoor het gebied met de bestemming "Woongebied 1" wordt verkleind met ongeveer 3%.

2.5.4.    Op de plankaart van het bestemmingsplan is mede door middel van inkleuring aangegeven dat de bestemmingsgrens tussen de voornoemde gronden samen valt met de aanwijzing "zonegrens industrielawaai".

Het oordeel van de Afdeling

2.6.    Wat betreft de stelling van appellanten dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid overweegt de Afdeling het volgende. Zoals in overweging 2.5.2. is overwogen is het college van burgemeester en wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO in artikel 25 van de voorschriften van het bestemmingsplan de bevoegdheid toegekend om het bestemmingsplan te wijzigen, wat betreft een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bestemmings- en/of bebouwingsgrenzen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de uitvoering van een bouwplan waarvan realisering wenselijk of noodzakelijk wordt geacht, nodig zijn, mits de oppervlakte van een bestemmings- en/of bebouwingsvlak met niet meer dan 20% wordt gewijzigd. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder respectievelijk het college van burgemeester en wethouders aannemelijk gemaakt dat verschuiving van de bestemmingsgrens noodzakelijk is in verband met de verkaveling van het betrokken gebied. Voorts hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de verkleining van de tot "Woongebied 1" bestemde gronden meer bedraagt dan ongeveer 3% dan wel dat de bestemmingsgrens meer dan het door het college van burgemeester en wethouders genoemde aantal meters wordt verschoven zodat, gelet op het voorgaande, naar het oordeel van de Afdeling is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden. Ten aanzien van de stelling van appellanten dat de bedoelde bestemmingsgrens op de plankaart van het bestemmingsplan ontbreekt, overweegt de Afdeling dat deze bestemmingsgrens samen valt met de aanwijzing "zonegrens industrielawaai" en dat van een ontbreken derhalve geen sprake is. Gelet op het voorgaande kan de Afdeling appellanten dan ook niet volgen in hun stelling dat het college van burgemeester en wethouders niet bevoegd was de onderhavige wijziging vast te stellen. De omstandigheid dat appellanten een andere verwachting hadden ten aanzien van de verkavelingsopzet van het betrokken gebied, kan aan deze bevoegdheid niet afdoen.

2.6.1.    Gelet op overweging 2.5.3. acht de Afdeling niet uitgesloten dat de verschuiving van de bestemmingsgrens zal leiden tot een iets grotere bebouwingsdichtheid in het gebied met de bestemming "Woongebied 1". De Afdeling ziet evenwel, gezien de beperkte verschuiving van de bestemmingsgrens en de beperkte verkleining van de oppervlakte van de tot "Woongebied 1" bestemde gronden geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door het plan veroorzaakte aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten in de vorm van verdichting van het gebied beperkt is. Dat de bebouwingsdichtheid mogelijkerwijs het meest toeneemt in de omgeving van het perceel van appellanten, maakt dit niet anders. De vrees van appellanten dat binnen dit gebied meer dan 90 woningen worden verwezenlijkt, deelt de Afdeling niet nu, gelet op de voorschriften van het bestemmingsplan, nog immer maximaal 90 woningen op de betrokken gronden mogen worden gebouwd.

2.6.2.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren         w.g. Matulewicz

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2007

45-500.