Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2007:BA4710

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
200604776/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2005 heeft verweerder een nadere eisen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) gesteld, ten aanzien van de op het perceel Kromsteeg 45 te Kerkdriel gelegen besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Automobielbedrijf Kerkdriel B.V."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604776/1

Datum uitspraak: 9 mei 2007

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2005 heeft verweerder een nadere eisen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) gesteld, ten aanzien van de op het perceel Kromsteeg 45 te Kerkdriel gelegen besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Automobielbedrijf Kerkdriel B.V."

Bij besluit van 16 mei 2006, verzonden op 19 mei 2006, heeft verweerder het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en naar aanleiding van het bezwaar van Automobielbedrijf Kerkdriel B.V. één nadere eis gewijzigd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 28 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 29 juni 2006, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 juli 2006.

Bij brief van 28 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2007, waar appellant, in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. H.N.G. van Dalen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De onderhavige inrichting omvat zowel een garagebedrijf als een tankstation. De opgelegde nadere eisen houden verband met het geluidsaspect en zien alleen op het garagebedrijf. Het Besluit is van toepassing.

2.2.    Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Besluit, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot, voor zover hier van belang, de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid.

2.3.    Appellant betoogt dat de aanwezigheid van de inrichting zich niet verdraagt met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Daarnaast voert hij aan dat gezien op de bouwkundige staat van het pand en de aanwezigheid van gasflessen in de inrichting de veiligheid in het geding is. Tevens voert hij aan dat de onderhavige inrichting ook andere overlast dan geluid veroorzaakt.

   Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op de ten aanzien van het garagebedrijf opgelegde nadere eisen die betrekking hebben op het aspect geluidhinder. Deze beroepsgronden kunnen om die reden niet slagen.

2.4.    Appellant voert aan dat de inrichting geluidsoverlast veroorzaakt. Deze hinder wordt veroorzaakt door aan- en afrijdende voertuigen, de openingen voor ventilatie en afvoer van lucht, dieselmotoren die worden getest: de zogenaamde dieselkeuring/roetmeting. In dit verband heeft appellant de door verweerder in aanmerking genomen akoestische gegevens bestreden. Wat betreft de verkeersbewegingen is volgens appellant van belang dat deze tot 21.00 uur zijn toegestaan.

2.4.1.    Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder bij een milieu-controle op 22 december 2004 indicatief vastgesteld, dat de inrichting in verband met de afstand tot een woning van derden niet voldoet aan de geluidgrenswaarden van het Besluit. Vervolgens is Automobielbedrijf Kerkdriel B.V - de drijver van de inrichting - aangeschreven om door middel van een akoestisch onderzoek aan te tonen op welke wijze aan de grenswaarden kan worden voldaan. Dit heeft geleid tot het in opdracht van Automobielbedrijf Kerkdriel B.V door Sonus opgestelde akoestisch rapport van 27 mei 2005 documentnummer 051604.1(hierna: het akoestisch rapport). Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het akoestisch rapport.

2.4.2.    Met nadere eis 1 heeft verweerder voertuigbewegingen in de dagperiode uitgezonderd van de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit gestelde grenswaarde voor Lamax (piekniveaus). Uit de stukken blijkt dat verweerder hieraan ten grondslag heeft gelegd dat niet alle voertuigbewegingen aan de grenswaarde voor piekniveaus kunnen voldoen en dat het treffen van maatregelen niet mogelijk is. Niet is gebleken is dat deze uitgangspunten onjuist zijn. De Afdeling stelt voorts vast dat de ingevolge voorschrift 1.1.1 geldende grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mede betrekking heeft op de geluidbelasting van voertuigbewegingen, zodat het aantal en de hoogte van de piekniveaus veroorzaakt door voertuigbewegingen in zoverre begrensd zijn. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat de nadere eis zich verdraagt met het belang van de bescherming van het milieu. Het beroepsonderdeel slaagt niet.

2.4.3.    Nadere eis 3 bepaalt dat het in nadere eis 2 neergelegd verbod van voertuigbewegingen tussen 19.00 en 07.00 uur niet geldt voor personenwagens en bestelwagens die tussen 19.00 uur en 21.00 uur gebruik maken van de rijroute die direct langs de bedrijfswoning loopt (rijroute 6 in figuur 1 van akoestisch rapport Sonus).

   Verweerder ter zitting medegedeeld dat mede op basis van een berekening is geconcludeerd dat het gebruik van rijroute 6 niet leidt tot overschrijding van de voor de avondperiode geldende grenswaarden voor het het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de grenswaarde voor piekniveaus.

   Aangezien zoals verweerder ter zitting heeft erkend deze berekening niet behoort tot de door verweerder ingezonden dossierstukken en het zich in de stukken bevindende akoestisch onderzoek op dit punt onvoldoende duidelijkheid biedt, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

2.4.4.    Met betrekking tot de nadere eis 3 overweegt de Afdeling voorts, dat op het meldingsformulier, gedateerd 28 maart 2003, is aangegeven dat er geen transportbewegingen plaatsvinden voor 07.00 uur of na 19.00 uur. Voor zover verweerder heeft betoogd dat de desbetreffende zinsnede niet ziet op alle voertuigbewegingen maar alleen op die voertuigbewegingen waarbij goederen van en naar de inrichting worden gebracht, overweegt de Afdeling dat het meldingsformulier geen grondslag geeft voor die uitleg. Dat geldt te meer nu op bladzijde 3 van het meldingsformulier als motivering voor het ontbreken van een akoestisch rapport is aangegeven, dat een akoestisch onderzoek alleen nodig is, indien er na 19.00 uur motorvoertuigen naar binnen en naar buiten rijden. In zoverre berust het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.4.5.    Nadere eis 5 heeft betrekking op het gesloten houden van ramen en deuren tijdens geraasmakende werkzaamheden. De Afdeling stelt vast dat akoestisch rapport onvoldoende inzichtelijk maakt in hoeverre rekening is gehouden met andere geluidlekken dan de in nadere eis 5 genoemde geluidlekken zoals onder meer ventilatie-openingen. Verweerder heeft ter zitting op dit punt geen duidelijkheid kunnen geven, zodat de toereikendheid van de nadere eis niet kan worden beoordeeld. Gelet hierop is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

   Met betrekking tot het testen van dieselmotoren en roetmetingen stelt de Afdeling vast dat verweerder in het bestreden besluit niet op de geluidbelasting veroorzaakt door deze activiteiten is ingegaan. Verweerder heeft ter zitting onvoldoende duidelijkheid kunnen geven op welke wijze deze activiteiten zijn betrokken bij zijn besluit tot het stellen van nadere eisen. Het bestreden besluit berust in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering.

2.5.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar komt voor vernietiging in aanmerking, voor deze betrekking heeft op de nadere eisen 3 en 5.

2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel van 16 mei 2006, kenmerk G0117500030, voor zover dit betrekking heeft op de nadere eisen 3 en 5;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    gelast dat de gemeente Maasdriel aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld                                        w.g. Melse

Voorzitter                                           ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007

191